HET TROOSTBOEK.

"Ik maak den vrede."

(Jes. 45.)

We hebben de beide vragen trachten te beantwoorden: "Wie is het, die den vrede maakt?" en "Welke vrede wordt er gemaakt?" thans blijft nog de derde vraag over: "Voor wie is de door God gemaakte vrede bestemd?"

Merken wij daarbij op, dat in ons hoofdstuk viermaal wordt gezegd: "Alzoo zegt de Heer." En telkens volgt achter deze uitdrukking de opmerking voor wie Hij Zijn zegeningen, Zijn vrede, heeft bereid. - De eerste maal wordt gezegd: om Jakobs, om Israels wil. God zal Zijn "gezalfde" gorden om de vijanden van Isral te verslaan en om de heele aarde tot een zegen te zijn. "Druppelt gij hemelen van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid, en de aarde opene zich, en dat allerlei heil en gerechtigheid te zamen uitspruiten!" (Jes. 45 : 8.) Zooals, met andere woorden, zoo schoon wordt gezegd in Psalm 85 : 11 en 12: "De goedertierenheid en de waarheid zullen elkander ontmoeten, de gerechtigheid en den vrede zullen elkander kussen. De waarheid zal uit de aarde spruiten, en de gerechtigheid zal van uit den hemel nederzien." - De tweede maal wordt opgemerkt, nadat in vs. 9 en 10 gezegd is, dat de Heer, de Schepper en Formeerder, geen tegenspraak duidt: "Ik heb Mijn gezalfde in gerechtigheid verwekt, en Ik zal al zijn wegen recht maken." En met welk doel? "Om Mijn stad te bouwen en Mijn gevangenen los te laten." (Vs. 13.) - De derde maal wordt met nadruk gezegd, dat de afgoden, en zij, die ze maken, te schande zullen worden; maar dat de Israelieten niet beschaamd noch te schande zullen worden in alle eeuwigheden. Want Israel wordt verlost door den Heer met een eeuwige verlossing. - En de vierde maal (het blijkt duidelijk uit de verzen 18-25) spreekt Hij, die de hemelen heeft geschapen en de aarde heeft geformeerd en bevestigd, over den vrede, die zich uitstrekken zal over al de menschen, die den aardbodem bewonen. Hij heeft de aarde niet geschapen, dat ze woest en ledig zou zijn, maar opdat men daarin wone. Hier keeren wij terug tot Genesis 1 : 1. God heeft de aarde niet woest en ledig geschapen, zooals wij haar vinden in Gen. 1 : 2. Tusschen Gen. 1 : 1 en 2 ligt een lang tijdverloop. God schiep den hemel en de aarde volmaakt, en met het doel, om bewoond te worden. Maar in Ezech. 28 : 13-15 lezen wij van een schepsel Gods, van een engel, die hoog verheven was in Gods hof, maar die is afgevallen, en die een vijand van God is geworden. Uit 1 Tim. 3 : 6 blijkt, dat het hier genoemde de zonde van den duivel is geweest. Hij heeft zich verheven op zijn eigen voortreffelijkheid, en is toen onder het oordeel Gods gekomen. Daardoor is de aarde woest en ledig geworden, totdat God haar geschikt heeft gemaakt als woonplaats voor den mensch, dien Hij schiep. De mensch heeft echter evenzeer als de afgevallen engelen het schoone, dat God schiep, bedorven, zoodat de aarde weer in een verwoesten toestand kwam. Maar thans belooft God, dat dit niet zoo blijven zal; er zal vrede op aarde komen. Daartoe zal God Israel veranderen en door Israel de volkeren zegenen, ja, Hij zal Israel gebruiken om aan alle volkeren het Evangelie te verkondigen. - Israel was Gods uitverkoren volk. Maar het heeft dit z opgevat, alsof de andere volken geen heil zouden ontvangen, alsof God niet Israel bestemd had om voor de gansche aarde tot zegen te zijn. Later zullen ze dit inzien, en door hen zal God alle einden der aarden doen oproepen om zich tot God te wenden en behouden te worden. En het gevolg zal zijn, dat alle knie zich voor Hem zal buigen, en alle tong Hem zal zweren. (Jes. 45 : 23.) Gods hart is z vol van liefde jegens alle menschen, dat Hij den profeet uit Zijn naam doet uitroepen: "Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde!"

Deze heerlijke vrede op aarde, den vrede van den Eeuwig Getrouwe, is dus bestemd voor allen. En hetzelfde kan ook gezegd worden van den vrede des kruises, op Golgotha gemaakt, doordat God Zijn eigen Zoon heeft overgegeven en Jezus Christus stierf tot heil van verloren zondaren. Welk een God is onze God! Altijd heeft de mensch bedorven, wat God schoon en heerlijk heeft gemaakt, maar nochtans blijft Hij dezelfde in liefde en in ontferming. - Doch evenals straks Israel zich zal hebben te bekeeren tot God, en ook de volkeren zullen komen om zich neer te buigen voor God en het heil van Hem af te smeeken, zoo is het ook thans met den vrede, die door Christus is gemaakt op Golgotha. Men kan er alleen deel aan krijgen, door zich met schuldbelijdenis voor God neer te buigen, en te gelooven in Jezus. Maar dn ook is er geen uitzondering. Niet de uitverkorenen worden toegesproken, maar alle menschen. Iedereen, of hij veel of weinig gezondigd heeft, wordt toegeroepen: "Wend u naar Mij toe en word behouden." Hoe eenvoudig! Evenals de door een slang gebeten Israeliet zich alleen maar had te wenden naar de koperen slang, om genezen te worden. Niets doen dus. Slechts gelooven. Neen, men kan zijn vrede niet zelf bewerken, maar men kan leeren rusten in den vrede, die gemaakt is, men heeft te rusten in den Vredemaker Zelf. Jezus zeide: "Vrede laat Ik u!" Dt is de heerlijke grondslag, dien Hij heeft achtergelaten. Want God Zelf rust in het door Christus volbrachte werk. En Hij, in Wien God Zelf kan rusten, is het rustpunt ook voor mij! - Hebben wij nu dezen vrede met God, dan doorstroomt de vrede van God onze ziel. Dat wil zeggen: rusten we in het werk, door den Heer volbracht, dan geeft de Heer ons Zijn eigen rust, zoodat we altijd gelukkig kunnen zijn, ook al zijn de omstandigheden ng zoo moeilijk. "Mijnen vrede geef Ik u!" zeide Jezus verder. En dit is de vrede, waarvan Paulus spreekt, als hij tot de geloovigen zegt: "De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus." Het is de vrede, dien God Zelf bezit; die het deel van Jezus is. Het is de vrede, dien wij smaken, als ons oog op Jezus is gericht, en als onze wandel met God is. - O, zoete vrede! De vrede met God is de onwankelbare grondslag. Door het geloof is ze eens en voor altijd onvoorwaardelijk mijn deel. De vrede van God, mij geschonken door Jezus, is in dit leven mijn dagelijksch deel, als ik maar in afhankelijkheid van God mijn weg ga. Met dezen vrede in 't hart ga ik rustig te midden van strijd en smart mijn weg, en wacht geduldig het oogenblik af, dat de eeuwige vrede mijn deel zal zijn, in gemeenschap met Hem, die genoemd wordt "Vredevorst."

 

Zegene de Heer Zijn dierbaar Woord aan 't hart van al de Zijnen! En mochten toch vooral nog vele zondaren den heerlijken vrede deelachtig worden door het geloof in Hem, die dezen vrede gemaakt heeft ten koste van Zijn eigen, dierbaar leven! Met onbegrijpelijke zondaarsliefde weerklinkt daar het woord van uit den hoogen hemel: "Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde!"