VOORBIDDING.

 

Voorbidding wil zeggen: gebed voor anderen.

Over de voorbede van Christus willen wij thans niet spreken, hoe heerlijk en leerrijk het is, ons bezig te houden met Hem, die als onze Hoogepriester bij God en als onze Voorspraak bij den Vader voor ons bidt.

Wij hebben behoefte, in onze ernstige dagen een woord te zeggen over ons voorrecht, als geloovigen, om voorbidders te zijn.

Abraham heeft voorbiddingen gedaan op een oogenblik, dat het oordeel Gods dreigde. Voor een arme wereld smeekte hij tot God, al was zijn hoofdbedoeling, dat Lot en de zijnen zouden bevrijd worden, als God Sodom en Gomorra verdelgde.

Mozes deed een- en andermaal voorbiddingen voor het volk, zichzelf vergetend ter wille van IsraŽl, dat toch zoo hardnekkig en ondankbaar was.

SamuŽl bad twintig jaren lang voor het volk, totdat het eindelijk het hart tot den Heer richtte.

Mozes en SamuŽl worden genoemd "aanroepers Zijns Naams," voorbidders, die tot God riepen en verhoord werden. (Ps. 99 : 6.) "Al stonden Mozes en SamuŽl voor Mijn aangezicht," zeide de Heer tot Jeremia, "zoo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen." (Jer. 15 : l.) Een bewijs, dat Mozes en SamuŽl bijzondere voorbidders waren, en dat God ook naar hen luisterde, tenzij de hardnekkigheid van hen, voor wie zij baden of bidden zouden, het onmogelijk maakte.

En ten slotte noemen we Paulus, die wel meer dan allen voor anderen tot God heeft geroepen; die nacht en dag met de zielen van zoo velen voor God bezig was; die zich eens, uit liefde tot IsraŽl als buiten zichzelven zijnde, voor het volk had willen opofferen.

Laat ons van deze voorbeelden leeren!

De apostel Paulus zegt tot TimotheŁs: "Ik vermaan dan vůůr alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen, voor koningen en allen, die in hoogheid zijn."

Onszelf vergetend, hebben wij dus te denken aan het heil van anderen, met opoffering misschien van tijd en krachten.

En laat ons dit niet slechts in het algemeen doen, zooals dit bijvoorbeeld op onze bidstonden geschiedt, maar ůůk overdenken, of God niet in het bijzonder ons gebruiken wil als voorbidder voor dezen of genen.

Kennen we niet een jongen broeder, een jonge zuster, die afgeweken is? Zijn er niet, voor wie wij met recht vreezen, dat zij de rechte paden Gods hebben verlaten, verstrikt als ze reeds eenigermate zijn door den Verleider? Hebt gij niemand zien zondigen, voor wien gij kunt bidden? Is er niet een afgedwaalde, wiens ziel gij redden kunt door uw voorbidding? Kent gij niet een onbekeerde, en draagt gij hem op het hart voor God? Niemand behoeft dit te weten, maar wees er zeker van: de Heer weet het. Hij heeft eens gezegd: "Zoo des Heeren woord bij hen is ... laat hen voorbidden." (Jer. 27 : 18.) En: "Dewijl Hij zag, dat er niemand was, zoo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was." (Jes. 59 : 16.)

Omdat er geen voorbidder was!

Hoe is het met ons? Zijn er vele voorbidders in dezen tijd van diep verval en groote ellende? Laat ons niet zeggen, dat we geen tijd of geen kracht of geen bekwaamheid hebben. Is Hij, die u redde van het verderf, niet waard, dat gij bidt voor anderen? Is Hij, die u menigmaal oprichtte, niet waard, dat gij u uitstrekt tot anderen, die struikelden? Uw woord willen zij soms niet hooren; maar als gij voor hen bidt, hoort God u. En om te bidden voor anderen, behoeft gij geen gave. Gij hebt alleen een medelijdend, medegevoelend, zelfopofferend hart noodig. O, dat geve God u en mij meer en meer! Wat zou er toch meer kracht van ons uitgaan, als er meer in de binnenkamer met name voor anderen tot God werd geroepen!