HET BOEK ESTHER.

 

III. Haman.

 

Dit gedeelte van het boek Esther houdt ons bezig met den Amalekiet Haman. Hij was een overgebleven nakomeling van den vijand van Gods volk in de woestijn, op wien het oordeel Gods rustte.

Voordat we over dezen vijand der Joden, hier verpersoonlijkt in Haman, spreken, willen we opmerken, dat we ons hier vijf jaar later bevinden in het koninkrijk van Ahasvťros. Zijn huwelijk met Esther had plaats in het zevende jaar, (Esth. 2 : 16.) en wat in hoofdstuk 3 beschreven wordt, gebeurde in het twaalfde jaar. (Esth. 3 : 7.) Dit is zeker waard om opgemerkt te worden. Want we zien er Gods voorzorg voor de Zijnen in. Lang te voren bestuurt Hij alles tot heil van Zijn volk. In het derde jaar was Vasthi afgezet. DŠŠr begint Gods zorg reeds, terwijl eerst negen jaar later het werkelijke gevaar kwam. Wonderbaar! De Heer Jezus heeft eens gezegd tot de discipelen: "Zijt niet bezorgd Ö want uw Vader weet wat gij behoeft." (Luk. 12.) Wij worden vermaand, niet bezorgd te zijn, zelfs geen dag vooruit. Daarom echter zijn wij wel geroepen onze zorgen te besteden aan het ons door Hem toevertrouwde. Daarin geeft de Heer ons hier een heerlijk voorbeeld. En tegelijk een kostelijke vertroosting. Want terwijl wij de gevaren niet kennen, voorziet Hij in onze behoeften. Soms jaren vooruit laat Hij Zijn zorg gaan over alle gevaren, die komen zullen. O, laat ons dan leeren, in die Vaderlijke voorzorg te rusten!

In hoofdstuk 2:1 lezen we: "Na deze geschiedenissen," en onmiddellijk treedt de Joodsche gemalin op. In hoofdstuk 3:1 lezen we weer: "Na deze geschiedenissen," en dadelijk, wordt de erfvijand ons voor oogen gesteld.

Haman, de vijand van de Joden, was een zoon van Hammedatha, den Agagiet. Agag is de titel der Amalekietische koningen. Haman was dus van koninklijk geslacht. Amalek, het volk van Haman, stamde door Elifaz van Ezau af, - oorspronkelijk een vorst, maar later een volksstam van Edom. (Gen. 36 : 12 en 16.) Telkens vinden wij Amalek, die op de woestijnreis het volk IsraŽls verraderlijk en lafhartig aanviel, in verbond met andere volken tegen IsraŽl. In Richt. 3:12 en 13 met Moab. In Richt. 6:3 met Midian. Amalek was dus een aartsvijand van het volk Gods, een vijand, die het eerst in de woestijn het volk bemoeilijkte, en het zeker had verdaan, indien Mozes niet als voorspraak op den berg was geweest, en Jozua aan het hoofd van het volk gestreden had. Door Saul en door David werd deze vijand geslagen. Maar nochtans gaf hij den strijd niet op. Thans, nu het volk in gevangenschap is, op 't diepst vernederd door ontrouw, port Satan Haman, den Agagiet, aan, om het armzalige overblijfsel van het volk uit te roeien. Ja, het geheime oogmerk van den duivel is, - laat ons dit niet vergeten, - Christus, den Koning IsraŽls, aan het volk te ontrukken en alzoo Gods raadsbesluiten en beloften te doen falen. Welk een boos plan! Welk een duivelsche list! Doch God staat boven Satan. En al zijn pogingen mislukken. "De oorlog des Heeren zal tegen Amalek zijn van geslacht tot geslacht." (Ex. 17 : 16.) "Gij zult de gedachtenis van Amalek van onder den hemel uitdelgen vergeet het niet!" (Deut. 25 : 19.) Een vreeselijk oordeel, alleen te vergelijken met het oordeel, dat Edom treffen zal, waarvan Amalek dan ook een gedeelte vormde!

Amalek, die zich wierp op de moeden en zwakken, is een treffend beeld van den duivel, die Gods kinderen altijd aantast op de zwakke plekken. Hij wil ons zoo gaarne in onzen loop naar den hemel stuiten. Hij werkt op ons vleesch en legt ons allerlei moeilijkheden in den weg, opdat hij aldus zijn snoode doel zou bereiken. En de Amalekiet van Ex. 17 is niet slechter dan die van Esther 3. Van zijn macht gebruik makende, wil Haman het zwakke, weerlooze volk ombrengen, omdat ťťn hunner zich voor hem niet wilde buigen. Booze vijand!

Even wonderlijk als het is, dat de jonge IsraŽlietische Koningin van PerziŽ werd, even wonderlijk is het, dat een Amalekiet in dat tweede wereldrijk een eerste plaats verkreeg. Hoe Haman op die hooge plaats in PerziŽ is gekomen? Het wordt ons niet meegedeeld. Het is ook onbegrijpelijk, tenzij we Gods bestuur er in zien. Menschelijk beschouwd, lijkt het raadselachtig. Maar als we denken aan Gods bestel, dan wordt ons alles duidelijk, want dan zien wij Hem, den Almachtige, Zelf handelen, zij het ook geheel in stilte, om het oordeel, eens over Amalek uitgesproken, te volvoeren. Het oordeel over de goddeloozen, en de uitredding van degenen, die God vreezen. Alles berust in Zijn hand!

Voor Mordechai beginnen nu de moeilijkheden. Allen moeten zich buigen voor den grooten Haman. Hij echter, wetende wie Haman is, buigt zich niet voor hem. Hij wil buigen voor den Koning, hij wil de redder des Konings zijn, maar buigen voor Haman wil hij niet. De gevoelige man, vol ontferming over de wees, is onverbiddelijk in zijn besluit aangaande het niet geven van de eer, die Haman wilde, dat hem zou gebracht worden. Zou hij zich buigen voor den vervloekten Amalekiet, die zich onder het oordeel Gods bevond? Neen, dat kan, dat mag hij niet. Al zou ook zijn leven in gevaar komen, hij wil doen naar hetgeen zijn God heeft gezegd, handelen naar de wet van Jehova, en tegelijk in geloof en vertrouwen op den Heer zijn weg gaan. Trouwe man! Welk een nieuw getuigenis voor IsraŽls God in dit vreemde land! Vroeger de drie jongelingen bij Nebukadnezar, later DaniŽl bij Darius, en nu, bij Ahasvťros, Mordechai.

Haman wordt vervuld met grimmigheid, en vindt door valsche aanklacht bij den koning gehoor voor zijn boos plan. Aanvankelijk gaat hem alles voorspoedig, hij krijgt meer dan hij wenscht. Welk een boosheid bij den Amalekiet! Welk een willekeur bij den Perzischen koning! Maar boven die boosheid en die willekeur staat IsraŽls God!

Naar den mensch gesproken was het volk nu onherroepelijk verloren; de dag van het verderf der slachting was reeds door het lot bepaald. Maar het lot wordt in den schoot geworpen, doch het geheele beleid daarvan is van den Heer. (Spr. 16 : 33.) Wonderbare leiding Gods! Waarom bepaalde Haman niet dadelijk een dag, waarop de verdelging van Gods volk zou plaats hebben? Alles had dan over twee of drie maanden afgeloopen kunnen zijn. Dit liet echter IsraŽls God niet toe. Zie, dat is het eenige antwoord. Zijn naam wordt niet genoemd, maar Zijn hand wordt telkens waargenomen, en Zijn stem wordt door alles heen vernomen. Bij de volken der oudheid werd het lot bij elke gebeurtenis geworpen, en men zag daarin het bestel en den wil der goden. Haman, van dit gebruik niet willende afwijken, werpt met de zijnen het lot, niet wetende, dat de groote God des hemels, IsraŽls Jehova, het lot bestuurt. En - hoe wonderbaar is de uitkomst. In de eerste maand wordt het lot geworpen, en de dag der verdelging valt in de twaalfde maand. Dat is weer zoo'n kleinigheid, zou men zeggen. Maar wij zeggen: "Dat is Gods vinger." Jehova Zelf, wakend over Zijn volk, bestuurt het lot van den vijand, en geeft elf maanden tijd. Welk een genade!

Vinden we hier niet een treffend beeld van onzen natuurlijken toestand; van den toestand van den mensch in het algemeen? Allen waren ten doode opgeschreven en onherroepelijk verloren. De dag des oordeels hing niet af van de wisseling van het lot, maar was door God Zelf bepaald. Want Hij heeft een dag gesteld, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordeelen door een Man, dien Hij daartoe verordend heeft. (Hand. 17 : 31.) Schrikkelijke toestand! Maar er is voor elk mensch een tijd van genade, waarin men in verootmoediging kan gaan tot God, die Zelf voor den zondigen mensch een redder heeft gevonden in Christus, zooals Hij hier voor het volk IsraŽls redding vond door Esther. Welk een genade, aan het oordeel ontkomen te zijn! Neen, het zwaard van den vijand, den duivel, kan den geloovige in Christus niet treffen. De dood heeft geen recht meer op ons. Haman is, zooals we later zullen zien, aan zijn eigen galg gehangen; de duivel, die de macht des doods had, is door zijn eigen wapen, den dood, gevallen; (Hebr. 2 : 13.) en, nu reeds overwonnen, zal hij straks zijn oordeel ondergaan. (Openb. 20 : 10.) En dit alles naar den raad Gods, en door het werk van Gods eeniggeboren Zoon. Aanbiddelijke genade!

De schrijvers deden hun werk, de loopers gingen uit, voortgedreven door het woord des konings. De koning en Haman aten en dronken zooals elken dag, en de stad Susan was verward. Maar - IsraŽls God spotte met het een, en was met ontferming bewogen over het ander, in stilheid voortgaande op den weg der verlossing Zijns volks en der veroordeeling van het kwaad.

Wat nu het volk IsraŽls in dezen tijd betreft, wij zien ook thans dezelfde Goddelijke bewaring. Hoe menigmaal is over dat volk reeds het lot geworpen, maar nog altijd staan ze daar, wel buiten Jehova's gemeenschap, maar nochtans door Hem bewaard. Hoe dikwerf zijn de woorden uit den 83sten Psalm reeds voor een deel bewaarheid door de woede der volkeren tegen Gods volk: "Komt, laat ons hen uitroeien, dat ze geen volk meer zijn; dat aan den naam IsraŽls niet meer gedacht worde!" Hoevelen hebben zich in den loop der eeuwen vereenigd tegen de Joden! Maar onbewust zijn allen bezig geweest, en nog bezig, om Gods raad te vervullen. Doch ook bij het razen der volken, leidt God alles dŠŠrheen, dat Zijn volk zal verlost worden. Alle volken zullen ten slotte weten, dat God alleen met Zijn naam is de Heere, de Allerhoogste over de gansche aarde. (Ps. 83 : 19.)

Laat ook onze ziel, bij het gewoel der wereld, in dien God rusten! Hij houdt Zijn aardsche volk in het oog, maar niet minder thans Zijn kinderen, de Gemeente. Te midden van alle willekeur van den mensch, die niet met God rekent, redt Hij degenen, die op Hem vertrouwen. Ja, die op Hem vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt! (Ps. 125 : 1.)

Gij zijt, o Heer! mijn licht;
Op U alleen vertrouwt mijn hart.
't Geloof houdt steeds in vreugde en smart
Het oog op U gericht.
Gij leidt mij wonderbaar.
Word ik verzocht in nood of strijd,
Gij zijt mijn Helper te aller tijd,
Mijn toevlucht in gevaar.