VERLANGEN.

Wanneer de kluisters eenmaal breken
Waarin mijn ziele smacht,
Dan stijg ik op naar hooger streken,
Waar mij de Ruste wacht.

Dan breng ik, aan het stof ontheven,
In blijden jubelklank,
Het aangezicht tot God geheven,
Aan Hem mijn hoogsten dank.

Mijn aardsche banden zijn ontbonden,
Ik ken geen lijden meer,
Mijn angst en zorgen zijn verslonden,
Ik kniel aanbiddend neer.

O, mocht die ure spoedig komen,
Dat ik, volmaakt en rein,
Met ál de englen, heilgen, vromen,
Nabij mijn God mag zijn!

 

Vorig gedicht

Volgend gedicht