TOT GOD BEKEERD.

 

1 Thess. 1 : 1 en 2.

 

Het eerste hoofdstuk van den eersten brief aan de Thessalonikers bevat verschillende belangrijke waarheden. Het zegt ons allereerst wat het is, tot God bekeerd te zijn. Voorts welke het middel, het doel en de praktische resultaten van de bekeering zijn.

Laat ons, nu we het voornemen hebben om achtereenvolgens enkele opmerkingen te maken over de brieven aan de Thessalonikers, tot bevordering van ons geestelijk leven, tot zegen vooral voor zooveel jonge geloovigen, ditmaal stilstaan bij de heerlijke betrekking, waarin alle geloovigen zijn gebracht door hun bekeering tot God.

Die betrekking wordt zoo treffend aangekondigd in het eerste vers: "Aan de gemeente der Thessalonikers in God, den Vader, en in den Heer Jezus Christus."

Men lette wel op, dat er niet staat: "Aan de gemeente te Thessalonika." In geen der andere brieven vinden wij iets dergelijks. Daar lezen we: Aan de gemeente te Korinthe, te Efeze, enz. Maar hier staat geschreven: "Aan de gemeente der Thessalonikers." Dit kenmerkt de brieven van den apostel aan de Thessalonikers. Hij wilde deze broeders die nog zoo kort te voren het Heidendom hadden verlaten, om het geloof in Christus te omhelzen, er op wijzen, dat de gemeente der Thessalonikers, dus zij allen, hoofd voor hoofd, geplant waren in God, den Vader, en in den Heer Jezus Christus. Want het was voor hen van het grootste belang, dat zij de betrekking kenden, waarin zij stonden tot den levenden en waarachtigen God en tot Zijn Zoon.

Allereerst vestigt hij er dan de aandacht op, dat zij in betrekking staan tot God als Vader.

Welk een belangrijke waarheid is dit! Men behoeft dus geen vergevorderd Christen te zijn om den Vader te kennen. Neen, in den eersten brief van Johannes lezen we: "Ik schrijf u, kinderkens! omdat gij den Vader kent." Al waren de Thessalonikers eerst eenige maanden behouden, ze waren in die kostelijke betrekking ingevoerd, ze hadden het bewustzijn, dat God hun Vader was. Welk een verandering was dat in hun leven! Deze jeugdige geloovigen hadden zich van de afgoden gewend tot God. Zij leefden tot op dat oogenblik "zonder God in de wereld," maar nu waren zij door het geloof in den Heiland, die voor hun zonden was gestorven, met God in verbinding gebracht. Het evangelie, dat zij hadden aangenomen, was het evangelie van God. (1 Thess. 2 : 2, 8 en 9.) Het woord der prediking, hetwelk zij hadden ontvangen, was het woord van God. (1 Thess. 2 : 13.) Zij wisten thans den wil van God en knden God. (1 Thess. 4 : 3 en 5.) Zij werden nu door God geleerd. (1 Thess. 4 : 9.) En zij zochten God te behagen en God te dienen. (1 Thess. 4 : 1 en 1 : 9.) Daarom kunnen we het zoo goed verstaan, dat de apostel, als hij schrijft aan zijn geliefde kinderen in het geloof, tot hen zegt, dat zij in God zijn. Evenwel voegt hij er nog iets heerlijks bij, en wel: in God, den Vader. Dat was de betrekking, waarin zij tot God stonden. Hun lippen hadden den Vadernaam mogen noemen, toen zij zich hadden bekeerd tot den "levenden en waarachtigen God." Het eerste woord, dat een klein kind leert spreken, is de naam van vader en moeder. Als bij instinct verstaat het kind de betrekking tusschen hem en zijn ouders; want hij voelt de liefde, waardoor hij is omringd. Aldus kennen ook de kleine kinderen in het geloof hun Vader; zij gevoelen, dat zij geliefd zijn met een liefde, met welke geen andere te vergelijken is. O, hoe kostelijk is het toch, den Vader te kennen! De Heer Jezus is op aarde gekomen, om ons den Vader, den naam des Vaders, te verklaren. En kleine kinderen in het geloof bezitten het voorrecht, den Vader te kennen. Maar - haasten we ons te zeggen, dat zij het niet alln zijn, die zich in dit voorrecht verheugen mogen. Het geldt voor alle geloovigen. Zelfs kunnen we getuigen, dat wij, die langer op den weg zijn, nog bevoorrecht zijn boven de kleine kinderen in het geloof. Want wij weten niet alleen door de ons omringende liefde des Vaders onze betrekking tot Hem, maar wij hebben onder duizend omstandigheden, bij tal van gevaren, het Vaderhart voelen kloppen voor ons; we hebben Zijn onveranderlijke trouw gesmaakt, Zijn vaderlijke kastijding ondervonden; zoodat we nu jeugdige geloovigen kunnen bemoedigen door hen er op te wijzen, dat zij dezelfde ervaringen zullen opdoen, als zij met den Heer hun weg gaan.

Ten tweede vestigt de apostel er de aandacht der Thessalonikers op, dat zij in betrekking staan tot Jezus Christus als Heer.

Welk een merkwaardig woord is ook dit! Paulus schrijft niet: in den Heiland Jezus Christus, ook niet alleen: in Jezus Christus, maar hij zegt: in den Heer Jezus Christus. Kleine kinderen in 't geloof houden, zich het meest bezig met den Heiland, met den Verlosser, met Hem, die de zonden vergaf, en die in genade op aarde nederdaalde om te zoeken en te behouden wat verloren was. Maar dat is niet alles wat we als Christenen weten moeten. De Thessalonikers beleden, dat hun zonden waren uitgewischt, maar ook, dat Christus nu een recht op hen verworven had; dat Hij hen tot zulk een grooten prijs had verlost, zoodat zij nu naar geest, ziel en lichaam Hem toebehoorden. Jezus Christus werd hun Heer; Hij had gezag over hen. Het is van het grootste belang, dat de jonge geloovigen van onzen tijd daarover nadenken. Zij zijn door den geest onzes tijds zoo licht geneigd dit te vergeten. Met vreugde hebben ze de verlossing in Christus aangenomen, maar nu moeten ze ook leeren verstaan, dat ditzelfde verlossingswerk hen heeft gebracht in een geheel nieuwe dienstbetrekking. Vroeger deden ze hun eigen wil en den wil van Satan. Nu zijn ze geroepen hun eigen wil prijs te geven, en te doen hetgeen de Heer wil. Dat was de eerste vraag van Saulus: "Heer! wat wilt Gij, dat ik doen zal?" We zijn slaven geworden van den Heer Jezus Christus. En dat is geen harde, maar gelukkige slavernij. Dat is het gaan met den Heer onder n juk; en onder een juk, dat zacht is. Dat is een zich gewennen aan Zijn wegen; een niet voor onszelf leven, maar voor Dien, die voor ons gestorven en opgewekt is. De wil des Heeren moet onze eenige levensregel zijn. - Zoo schoon komt dit uit in de geschiedenis van den hoofdman over honderd, zooals die ons wordt medegedeeld in Matth. 8. Deze man had vertrouwen in de macht, in het gezag des Heeren om zijn kranken dienstknecht beter te maken door een woord. Hijzelf wist wat gezag was. Hij zei tot den een: Ga, en hij ging; en tot een ander: Kom, en hij kwam; en tot zijn slaaf: Doe dat, en hij deed het. Zou dan het gezag van Christus minder zijn? Moest niet alles Hem gehoorzamen? Dit geeft ons veel te leeren. - De Heer zegt ook tot ons: Gaat; en moeten wij Hem dan niet gehoorzamen? Heeft de Heer dit woord soms heden tot u gesproken? Ga naar uw familiebetrekkingen om met hen een woord over Jezus te spreken; ga naar dezen of genen zieke, om dien te bemoedigen; ga naar een bedroefde, om haar te troosten; ga naar deze of gene plaats om er het Evangelie te verkondigen De gehoorzame dienaar gaat zoodra gezegd wordt: Ga! Hij antwoordt niet, dat hij later wel gaan zal; en hij gaat daarheen, waar zijn Meester wil, dat hij gaan zal. En gij? Misschien zegt gij: Maar ik heb nog nooit gehoord, dat de Heer tot mij zeide: Ga! Mag ik dan vragen, of gij soms doof zijt? Allen, die in s Heeren dienst zijn, - en dat zijn alle geloovigen in den algemeenen zin genomen - moeten een oplettend oor hebben voor hun Heer! Misschien zegt gij: Maar ik ben wel eens gegaan, doch vond geen gehoor, geen weerklank. Zie niet op de resultaten. Ga eenvoudig, omdat Hij het gezegd heeft. Na jaar en dag komen soms de vruchten openbaar; blijkt, dat toen en toen, toen wij in alle eenvoudigheid gingen om onze boodschap te brengen, de Heer ons woord gezegend heeft. - De Heer zegt ook tot ons: Komt; en zouden wij dan niet komen? Dat zijn toch wel de heerlijkste en beste oogenblikken, als Hij ons tot Zich roept. De Heer wil, dat wij een weinig rusten, een weinig nadenken en overpeinzen, een weinig naar Hem luisteren, daar Hij ons iets op het hart heeft te binden. Zult gij Hem antwoorden: "Wend U tot een ander, die U beter begrijpt; ik vind de praktijk van het leven gewichtiger dan de overdenking Uws Woords!"? Neen, dat zult gij niet. Gij zult liever als Samul zeggen: "Spreek, Heer! want uw knecht hoort!" Als Maria aan Zijn voeten gaan zitten, om naar Hem te luisteren. Of ge alles wel kunt begrijpen, is niet de vraag. Ook niet, of ge alles wel mooi vindt. Ge hebt eenvoudig te gehoorzamen en te komen. - Evenwel: laat ons de woorden "ga en kom" niet verwarren! We moeten niet komen als we gaan moeten, noch gaan als we komen moeten. Hoe heerlijk ook het onderzoek des Woords is, er is ook een roeping om er mee te gaan tot anderen, met opoffering soms van tijd en kracht, tot heil der zielen. Hoe heerlijk ook, anderzijds, de Evangeliedienst is, er is tevens een roeping om Gods Woord te onderzoeken en toe te nemen in de kennis der waarheid en des Heeren. - Ten slotte: de Heer zegt ook tot ons: Doet dat; en zullen we dan niet doen wat Hij ons aanwijst? We hebben te voren reeds gesproken over het doen van den wil des Heeren in alles. Laat er dan nu alleen aan toegevoegd worden, dat wij slechts te wandelen hebben in de goede werken, die de Heer te voren bereid heeft. (Ef. 2 : 10.) Als wij onzen eigen wil doen, kiezen we eigen goede werken, maar ze zullen blijken te behooren tot de "doode" werken der menschen. Er zijn vele goede werken onder de Christenen, maar alleen die, welke gedaan worden met onderwerping aan het gezag van den Heer Jezus, en die dus voortkomen uit de goede bron, zijn Hem welbehaaglijk. Hij wil gehoorzaamheid, en die is beter dan offerande en barmhartigheid. - O, mochten we toch allen leeren, vooral zij onder ons, die tot de jonge geloovigen behooren, om te gaan en te komen als de Heer roept; om te doen wat Hij wil! De goede toestand van de Thessalonikers kwam niet alleen daarvandaan, dat zij verbonden waren met God, den Vader, maar ook omdat zij in betrekking stonden met den Heer Jezus Christus en in gehoorzaamheid voor dien Heer leefden en wandelden. Daarom kon de Apostel met dank vervuld zijn, als hij dacht aan deze jeugdige Christenen. Zou Hij ook aldus kunnen danken voor de jeugdige geloovigen nu?

"Genade zij u en vrede!" Daaraan hadden de Thessalonikers behoefte. Want hoe licht zouden ze verachteren in de genade en den vrede uit het oog verliezen. Daarom gedacht de apostel, met zijn medearbeiders Silas en Timothes, hen in de gebeden. Aan genade en vrede hebben ook wij alle dagen behoefte. We hebben ze noodig, k vooral als we jong zijn, om te verwezenlijken hetgeen hiervoren is uiteengezet als den Heer welgevallig. Ja, we hebben wel genade en vrede; we zijn wel de voorwerpen van Gods genade, en we hebben wel vrede met God. Maar ... we kunnen de genade uit het oog verliezen en het genot van den vrede verzuimen te smaken. Gebeurt het niet zelfs soms, dat we voor een tijd niet meer aan genade en vrede denken? Elken dag hebben we behoefte aan Gods genade, die ons herinnert aan onze betrekking tot God, den Vader en tot den Heer Jezus Christus, en die ons opwekt en ons kracht geeft om in overeenstemming met die heerlijke betrekking te wandelen. Elken dag hebben we den vrede Gods noodig, omdat alleen deze onze harten en zinnen bewaren kan.