CORRESPONDENTIE.

 

R. J. K. te Kampen vraagt, hoe het woord van Johannes in Joh. 1 : 29 verklaard kan worden in verband met hetgeen van hem is opgeteekend in Matth. 11 : 2-6.

 

In Joh. 1 : 29 ziet Johannes als profeet de heerlijke dingen der toekomst. Hij ziet het offer. Hij ziet de zonde der wereld ten slotte geheel weggenomen door het Lam. Zeer zeker heeft hij er iets van verstaan, want de tweede maal, in Joh. 1 : 35, verkondigt hij niet meer als profeet hetgeen door Christus geschieden zal, maar roept hij vol verrukking der ziel uit: "Zie, het Lam Gods!"

Evenwel verwachtte hij als IsraŰliet den koning, den Messias, van wien hij de voorlooper was. Toen nu deze zich niet openbaarde gelijk hij dacht, dat het moest; toen deze integendeel den heraut in de gevangenis liet zitten; toen stootte Johannes zich aan des Heeren doen. Daarom zegt de Heer: Boodschapt aan Johannes, dat ik doe wat van mij geprofeteerd is; "en welgelukzalig is hij, die aan mij niet zal geŰrgerd worden," d.i. die zich niet aan mij stoot.

Hoe licht kunnen zelfs wij, die de waarheid Gods zooveel beter weten dan Johannes, en deze ook verkondigen, ons toch nog ergeren (d.i. stooten) aan hetgeen de Heer doet of niet doet!

 


Baron S. v. d. O. v. N. te Den Haag schrijft ons: De Gemeente staat buiten het oordeel. Wanneer zal zij geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus?"

 

De vraag is niet geheel juist gesteld. Als wij aan de Gemeente denken, is er geen gedachte aan openbaring voor den rechterstoel, maar aan vereeniging met het Hoofd. De Bruidegom komt om de Bruid tot Zich te nemen en haar Zijn liefde en genade te toonen in Zijn huis; Christus heeft de Gemeente liefgehad en Zichzelven voor haar overgegeven, Hij heeft ook alles voor haar gedaan en doet alles voor haar, opdat Hij haar verheerlijkt vˇˇr Zich zou stellen, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbende. (Ef. 5 : 25-27.)

Zoodra er echter gedacht wordt aan de enkele geloovigen, aan allen, die belijden den Heer toe te behooren, is er sprake van verantwoordelijkheid en dus van den rechterstoel. Zie o.a. Rom. 14 : 10, 2 Kor. 5 : 10, Hebr. 10 : 25. En let op de uitdrukking "de dag" in die laatste Schriftuurplaats. Als de dag aanbreekt, als Christus komt in heerlijkheid, dan zal Hij beloonen, en het zal openbaar worden, dat wij aan Christus gelijk zijn, maar ˇˇk wat wij voor Hem zijn geweest.