"DIE UWE JEUGD VERNIEUWT!"

 

(PSALM 103.) [1]

 

Wat was het toch een heerlijk voorrecht voor David, den Heer te kennen! - Als hij aan het verleden dacht, alles was in orde door Gods barmhartigheid. Zijn vele zonden konden hem niet bezwaren. "Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die uw leven verlost van het verderf." Zijn gebreken en ontrouw behoefden hem niet te verontrusten. "Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden zoo ver het Oosten is van het Westen, z ver doet Hij onze overtredingen van ons." - Als hij aan de toekomst dacht, alles zou voor hem heerlijkheid zijn. Want de Heer, zijn Heer, zou door allen worden erkend, gehoorzaamd en geprezen, gelijk het nu door de engelen geschiedt. En hij zou met dien Heer vereenigd zijn tot in eeuwigheid, en Zijn lof vermelden! "De Heer heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn koninkrijk heerscht over alles." - Als bij aan het heden dacht, alles was voor hem goedgemaakt en zou voor hem ten goede medewerken. Hij, die de zonden vergeeft, geneest ook de krankheden, geeft volkomen herstel in elk opzicht. En Hij "kroont met goedertierenheid en barmhartigheden," want Hij is "barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid." "Geweldig (zr groot) is Zijne goedertierenheid over degenen, die Hem vreezen." "Zoo hoog de hemel is boven de aarde!" En "gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen, zoo ontfermt Zich de Heer over degenen, die Hem vreezen." "Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn." "De goedertierenheid des Heeren van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen!" Hij "verzadigt onzen mond met het goede, en vernieuwt onze jeugd als eens arends." - Is het wonder, dat David zijn eigen ziel toespreekt, toch te loven? Allereerst om den Heer te loven. Zijn inwendigen mensch wekt hij op, om den heiligen naam des Heeren te loven. Maar dan ook om de vele weldaden te gedenken. "Vergeet geen van Zijne weldaden!" roept hij zijn ziel toe. En hij denkt niet alleen aan zichzelf. In vs. 10 spreekt hij over "onze zonden," "onze ongerechtigheden," en sluit er het heele geloovig Isral bij in. "Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden." En aan het slot van den psalm wendt hij zich tot anderen, zelfs tot alle engelen Gods, om mee in te stemmen in den lof des Heeren. Terugziende, vooruitziende, om zich heenziende, overal zag David Gods gunstbewijzen, overal vond bij overvloedige oorzaak, met een gelukkig hart den Eeuwig Getrouwe te verheerlijken. Welk een heerlijk bewustzijn! Bewondering vervult zijne ziel!

Wat is het toch een heerlijk voorrecht voor ons, den Heer te kennen! - Als wij aan het verleden denken, hoe veel meer reden dan David hebben wij, onze ziel tot loven op te wekken! Al onze zonden en ongerechtigheden zijn verdwenen; uitgewischt door het bloed van Jezus. Wij zijn gereinigd, geheiligd, gerechtvaardigd, verheerlijkt. O, wij hadden zooveel schuld! Wij waren dood in zonden en misdaden! Verwijderd van God! En wij hebben Hem, die ons liefhad, zooveel moeite veroorzaakt. Maar Hij gedacht nochtans aan ons in ontferming. Hij hield van den hemel Zijn oog op ons gericht. Hij bracht ons aan Zijn voeten, al moest het soms door een diepen weg gaan. "Loof den Heer, mijne ziel, die al uwe ongerechtigheid vergeeft!" - Als wij aan de toekomst denken, o, hoe zullen wij het uitspreken, wat God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben? Geen oog heeft het gezien, geen oor gehoord, in geen menschenhart is het opgekomen. Maar het is heerlijk, onuitsprekelijk heerlijk. "De Heer heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn koninkrijk heerscht over alles." De Onwankelbare troont in de hemelen. En alles zal eens onderworpen zijn aan het koninkrijk des Vaders. En wij zullen vol aanbidding Zijn troon omringen; wij zullen met Christus heerschen! Ja, 't geloof ziet dit oogenblik reeds. "Zijn koninkrijk heerscht over alles!" "Loof den Heer, mijne ziel!" gelijk al Zijne werken het mogen doen: "aan alle plaatsen Zijner heerschappij!" - Als wij aan het heden denken, hoe vol van liefde en goedheid is de Heer. Hij heeft ons zoo vaak hersteld, terechtgebracht, en gaat daarmede voort van dag tot dag. Hij heeft ons een kroon van Zijn goedertierenheid en barmhartigheden op het hoofd gezet. "Gelijk een man zijn zoon kastijdt," (Deut. 8 : 5.) z arbeidt de Heer aan ons tot ons heil. "Gelijk een man zijn zoon verschoont, die hem dient," (Mal. 3 : 17.) z betoont de Heer Zich tegenover ons, Zijn eigendom. "Gelijk een man zijn zoon draagt," (Deut. 1 : 31.) z draagt de Heer ons op al den weg, dien wij met Hem wandelen. Gelijk Hij veertig jaar lang als een voedster het volk van Isral heeft verzorgd, (Hand. 13 : 18.) z koestert Hij ons al de dagen van ons leven. Ja, gelijk de Heer de Isralieten op vleugelen der arenden gedragen en tot Hem heeft gebracht, (Ex. 19 : 4.) z zal de Heer Zich over ons blijven ontfermen en ons vele verlossingen schenken, zoodat wij telkens tot Zijn eer den beker der verlossingen kunnen opnemen. (Ps. 116 : 13.) Een arend wekt zijn nest op, breidt zijn vleugels uit over zijn jongen, draagt zijn heele nest op zijn vlerken, want alz leert hij zijn jongen vliegen! (Deut. 32: 11.) Evenzoo houdt de Heer Zich met de Zijnen bezig. Een arend krijgt elk jaar nieuwe vleugelen, en al is hij honderd jaar, (zoo oud wordt bij in gevangenschap,) altijd blijft hij jong van aanzien, en kan hij opvaren met krachtige, nieuwe vleugelen. (Ps. 103 : 5; Jes. 40 : 31.) Alz verzadigt de Heer ons met het goede. "Onzen mond" staat er. Men kan beter lezen: "onzen ouderdom." Hij draagt ons van de jeugd tot de grijsheid. En als wij Hem verwachten, dan blijven wij altijd jong van hart en sterkte. Dan vernieuwt Hij ons de kracht. Eigenlijk staat er: "Hij verandert die." Dat wil zeggen: Hij geeft telkens andere kracht; kracht naar kruis. Gelijk de arenden varen we dan op, het licht tegemoet, met de schaduwen achter ons. We hebben dan den voorsmaak van 't geen het eens lichamelijk in 't vrederijk zal zijn: we worden geestelijk moe noch mat; want Hij geeft den moede kracht, Hij, "die onze jeugd vernieuwt als eens arends!'' - Is het wonder, dat we behoefte hebben om onze eigen ziel toe te roepen, toch te loven. Allereerst den Heer. Want al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk; al wat in ons is, gaat uit om Hm te eeren. Maar dan ook vergeten we niet al Zijn weldaden. Want groot, zeer groot is Zijne goedheid over ons in Christus Jezus. Over een ieder van ons persoonlijk. Over onze gezinnen. Over de samenkomsten der geloovigen. Over al Zijn volk. Daarom wenden we ons tot anderen met het woord: "Looft den Heer!" O, het zou eer een wonder van onverschilligheid en ondankbaarheid zijn, als wij niet lovend en prijzend, maar in stede daarvan klagend onzen weg gingen. De lof des Heeren betaamt ons. Want terugziende, vooruitziende, rondom ons ziende, overal zien wij Gods gunstbewijzen, overal vinden wij overvloedige oorzaak, met gelukkige harten den Eeuwig Getrouwe groot te maken.

Wat is het toch een voorrecht, kinderen Gods genaamd te mogen worden! "Neen, de wereld weet het niet, wat Gods groote liefde ons biedt; als zij 't wist met zielsbegeeren, zou zij mee tot God zich keeren!"

"Loof den Heer, mijne ziel, en al wat binnen in mij is Zijnen heiligen naam. Loof den Heer, mijne ziel, en vergeet geen van Zijne weldaden.

"Loof den Heer die al uwe ongerechtigheid vergeeft, wiens koninkrijk heerscht over alles, die uwe jeugd vernieuwt als eens arends!"


[1] Opgeschreven naar het gesprokene op een der conferentie-avonden, December 1917.