"Zou Mijn aangezicht moeten medegaan?"

 

Gods tegenwoordigheid mogen wij wel op hoogen prijs stellen. Want er is geen betrekking dezes levens, of we hebben er Zijn licht en Zijn hulp in noodig. Zonder Hem kunnen wij niet leven of ons bewegen.

Mozes heeft, als leider van het volk Israls, hier eenmaal op treffende wijze uiting aan gegeven. Het wordt ons medegedeeld in Exodus 33.

Het volk had gezondigd; het was spoedig afgeweken van den Heer, die hen uit Egypteland leidde; en het had van een gegoten kalf gezegd: "Dit zijn uwe goden, Isral, die u uit Egypteland opgevoerd hebben." De toorn des Heeren was z groot, dat Hij zeide tot Mozes: "Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk. En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke en hen vertere; zoo zal Ik u tot een groot volk maken." Maar Mozes trad als middelaar voor het volk op, en smeekte het aangezicht des Heeren, - om 's Heeren wil, en om den wille der belofte aan Abraham, Izak en Isral, - toch niet het volk ter zijde te stellen. En de Heer luisterde naar Zijn dienstknecht. Maar Hij hield Zich toch, alsof Hij niet Zelf meer wilde medegaan met Isral: "Zie Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan." Doch dit was Mozes niet voldoende. De Heer sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht. En Mozes kende niets heerlijkers, dan deze onmiddellijke tegenwoordigheid des Heeren. Zou hij deze nu moeten missen?

Daarom wendt hij zich tot den Heer en beroept zich op de beloften des Heeren. Had de Heer hem niet Zijn Goddelijke gunst doen ervaren? "Zie," zegt hij, "Gij zegt tot mij: Voer dit volk op, maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name, en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn oogen. Nu dan, ik bid u, indien ik genade gevonden heb in Uw oogen, zoo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw oogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is." En als de Heer dan antwoordt: "Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?" zegt Mozes tot Hem: "Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken! Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw oogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij mt ons gaat?" En het geruststellend antwoord des Heeren weerklinkt dan: "Ook dze zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn oogen, en Ik u bij name ken."

Hoe schoon is dit! Mozes pleit op hetgeen God heeft gezegd. Hij had tot hem gezegd: Ik roep u bij name, en: Gij hebt genade gevonden in Mijn oogen. En zou Hij, die aldus Zijn Goddelijke gunst jegens hem bewees, niet ook Zijn Goddelijke leiding en hulp hem willen verleenen? Zonder de tegenwoordigheid des Heeren kan Mozes zijn arbeid, zijn weg, niet voortzetten. Hij heeft den Heer noodig. Het aangezicht des Heeren moet medegaan om hem gerust te stellen.

Dit is zeer leerrijk voor ons, geloovigen. We hebben 's Heeren tegenwoordigheid noodig in ons persoonlijk leven, in elken nieuwen weg, door ons alleen of met anderen betreden, in elken nieuwen jaarkring ook. Er zijn zoo vele moeilijkheden. Er is zooveel lijden dezes tijds. We zouden vreezen verder te gaan, als Hij niet met ons ging. We zouden geen nieuwen weg van verantwoordelijkheid durven betreden, als Zijn aangezicht ons niet sterkte en geruststelde.

 

Laat ons nu nagaan, aan de hand van Gods Woord, wat ons van het aangezicht des Heeren wordt gezegd.

Abraham hief eens zijn oogen op, toen hij in de deur der tent zat, en zag drie mannen. Den middelste leerde hij als den Heer kennen, voor Wien hij zich ter aarde boog, en Dien hij erkende als den Rechter der gansche aarde. Wij lezen: "Hij bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren."

Dezelfde Heer verscheen in een merkwaardigen nacht aan Jakob. En Jakob noemde den naam dier plaats Pnil; "want," zeide hij, "Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht."

De Heer sprak ook met Mozes aangezicht aan aangezicht: en toch kon Mozes des Heeren aangezicht niet zien. "Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien, want Mij zal geen mensch zien en leven En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zoo, zult gij Mijn achterste deelen zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden."

Ook Gideon werd door den Heer bezocht. De Engel des Heeren, niet een geschapen engel, maar de Schepper der engelen Zelf, kwam tot hem. En Gideon vreesde en beefde. "Daarom, dat ik een Engel des Heeren gezien heb van aangezicht tot aangezicht." De stem des Heeren stelde hem gerust: "Vrede zij u, vrees niet!"

Eeuwen daarna zag een man aan den oever der groote rivier Hiddkel den Heer. Het was Danil. Hij beschrijft het gezicht zelf. "En ik hief mijn oogen op en zag, en zie, daar was een Man, met linnen bekleed, en zijn lendenen waren omgord met fijn goud van Ufaz; en zijn lichaam was gelijk een turkoois, en zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en zijn oogen gelijk vurige fakkelen, en zijn armen en voeten gelijk de kleur van gepolijst koper; en de stem zijner woorden was gelijk de stem eener menigte Ik dan werd alln overgelaten en zag dit groote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig, en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zoodat ik geen kracht behield."

Danil zag denzelfden Heer, die aan Abraham een bezoek bracht, die met Jakob worstelde, die als de Engel des Heeren verscheen aan Mozes bij het braambosch, even als aan Jozua en Gideon.

En deze wonderbare Heer, deze Heer des hemels, kwam op deze aarde in de volheid des tijds en nam de gestaltenis van een mensch, van een schepsel aan. Hij had een menschelijk lichaam. Het aangezicht van een mensch. Hij wandelde onder ons, en de menschen zagen Zijn heilig aangezicht. Hoe de Heer er heeft uitgezien, weten wij niet. Maar het is waar wat de Psalmist zegt: "Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort op Uw lippen." Doch niet allen bezagen Hem z. Jesaja zegt profetisch van het volk: "Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zoo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben." Maar Johannes zegt ons, wat hij en zijn medediscipelen in Hem zagen: "Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als eens eeniggeborenen van een vader." En: "Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd en onze handen getast hebben, aangaande het Woord des levens!" - Kinderen werden tot Hem aangetrokken door Zijn vriendelijken blik. Gansche menigten wenschten Hem te zien en te hooren. Welk een liefde en ontferming moet Zijn aangezicht hebben afgestraald! Maar ook welk een heilige verontwaardiging, als Hij aanschouwde het ongeloof van velen, het ontheiligen van den tempel! En dan weer: welk een teedere toegenegenheid, als Hij weende over Jeruzalem, weende over de gevolgen van den dood! Zijn aangezicht met tranen! Wr wij ook lezen in de Evangelin, overal zien wij Zijn Goddelijk aangezicht. Duizenden volgden Hem. Engelen kwamen tot Hem. Ja, meer dan dat, des Vaders oog zag in welgevallen op Hem neer. Hij wandelde in de tegenwoordigheid des Vaders, en sprak met Hem aangezicht aan aangezicht. En op den berg der verheerlijking blonk Zijn aangezicht als de zon, - een voorafschaduwing van de heerlijkheid, die na het lijden Zijn deel zou zijn. Maar eerst richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen! En daar vinden wij Hem in Gethseman in zwaren strijd. "Een weinig voortgaande, viel Hij op Zijn aangezicht." En Zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Jesaja zegt er profetisch van: "Ik geef Mijn wangen dengenen, die mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel Ik heb Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden." O, vreeselijk lijden! "Alz verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand." En zij bespuwden Hem, en bedekten Zijn aangezicht, en sloegen het met vuisten. Maar het schrikkelijkste van alles zien wij op het kruis. Gods aangezicht voor Hem verborgen! Hij was geheel alleen. Verlaten van God. In duisternis.

Doch zie nu het verschil! Hij roept: "Het is volbracht!" Een triomfkreet! En buigt dan het gezegend hoofd. Thans straalt Zijn gelaat van hemelglans. Thans wordt Zijn aangezicht met eer en heerlijkheid gekroond. Thans schijnt God in de harten van millioenen tot den lichtglans van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Kor. 4 : 6.) Al de oneindige genade en macht Gods, die voor Gods kinderen zijn, zijn nu te zien op Zijn heerlijk aangezicht in Gods tegenwoordigheid.

Wat is het heerlijk, dat deze Heer tot ons zegt: Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der eeuw!" Die groote Heer, die macht heeft in hemel en op aarde, gaat met ons mede elken dag. In elken weg kunnen wij op Hem rekenen. Met lof mogen wij Zijn aangezicht tegemoet gaan; want Hij riep ons bij name; Hij deed ons genade vinden in Zijn oogen; en nu wil Hij ons in Zijn tegenwoordigheid hebben, ons leiden en helpen. Laat ons toch op Zijn woorden pleiten! Laat ons toch niet afwijken, opdat Hij Zijn aangezicht niet voor ons verberge! Laat ons integendeel bedenken, dat wij zonder Hem niets kunnen doen; maar ook - en welk een troost geeft ons dit! - dat wij alle dingen vermogen door Hem, die ons kracht geeft

"Zou Mijn aangezicht moeten medegaan?" "Ja, Heer!" antwoorden wij, "zonder U kunnen wij geen stap verzetten. We hebben U noodig in elke betrekking, op elken weg, in elken kring, bij elk werk, elken dag en elk oogenblik!"

O, wat zal het zijn, als wij Hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht! Want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Wij zullen Hm zien, die ons heeft liefgehad en Zichzelven voor ons heeft overgegeven; Hm, wiens liefde ons hier zoo vaak verkwikte, wiens trouw ons hier geleidde, die ons de menigvuldige verlossingen Zijns aangezichts schonk. Zijn woord verzekert het ons telkens weer. "En zij zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn naam zal op hun voorhoofden zijn." Het zal een eeuwig verblijf zijn in Zijn tegenwoordigheid. Verzadiging der vreugde bij Zijn aangezicht!