HET BOEK NEHEMIA.

 

II. Verzoek en verlof.

 

De maand Nisan was aangebroken. Vier maanden had Nehemia gebeden en gewacht. En inmiddels deed hij getrouw zijn werk. Hij droeg de nooden van zijn volk op het hart. Maar als hij des avonds of in den nacht weende, deed hij zijn best, overdag in zijn werk hiervan niets te laten zien. En vier maanden lang was hem dit gelukt. Zelf zegt hij: "Nu was ik nooit treurig geweest voor het aangezicht van den koning."

Wij kunnen de dingen des Heeren zeer ter harte nemen, zonder dat ons dit behoeft te verhinderen, met getrouwheid ons dagelijksch werk te verrichten. De ware vreeze Gods maakt getrouw, en doet ons blijven in de roeping, waarin God ons riep, tot de Heer ons duidelijk een beteren weg aanwijst. Dan kiezen we niet zelf, maar wachten geduldig op Hem, die roept.

Nehemia was maanden lang bedroefd. Maar niet over zijn eigen omstandigheden. En toch waren deze niet zoo gunstig. Wel had hij aan geen ding gebrek. Doch hij was in een vreemd land, moest een vreemde dienen, en in geestelijk opzicht veel ontberen. Dit had hij echter alles in Gods hand gegeven, en hij deed getrouw het werk, hem door den Heer op de hand gezet. Doch nu het de ellende gold van het volk en van de stad des Heeren, was zijn aangezicht treurig gesteld. Is dit niet beschamend voor ons? De dingen van dit aardsche leven kunnen vaak ons hart bezwaren en ons aangezicht treurig doen zijn. Maar gaan ons de geestelijke dingen z ter harte, dat wij evenals een Nehemia en een Paulus onszelf en onze moeilijkheden vergeten, om ons bezig te houden met datgene wat den Heer en Zijn werk aangaat?

In de maand Nisan was Nehemia z bezig geweest met de nooden van het volk, dat de treurigheid nog op zijn gelaat lag, toen hij bij den koning zijn werk verrichtte. Hij zal ook nu wel alles gedaan hebben om te maken, dat hij niet droevig zag, want het was streng verboden, met een droevig aangezicht te verschijnen voor den koning. (Dan. 1 : 10.) Maar het baatte ditmaal niet. Toen hij den wijn voor het aangezicht des konings opnam en den koning gaf, zeide deze: "Waarom is uw aangezicht treurig, zoo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten."

Geen wonder, dat Nehemia zeer vreesde. Wat zal er in die oogenblikken in hem zijn omgegaan! Zou hij worden gestraft? Of zou zijn gebed worden verhoord? Zou hij barmhartigheid verkrijgen voor 's konings aangezicht? Vrees en hoop zullen voorzeker zijn hart hebben vervuld.

Ook ons gaat het menigmaal zoo. Wij wenden ons met vertrouwen tot den Heer om hulp. En als dan de Heer begint met ons de verhooring te doen zien, kunnen soms allerlei gevoelens onze harten vervullen.

Nehemia's gebed was reeds vier maanden lang geweest: "Och Heer! doe het toch Uwen knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans." (Neh. 1 : 11.)

En elken dag had hij biddend gewacht, en niets gevraagd. Thans echter was het heden aangebroken. God gebruikte iets, dat Nehemia liever wilde bedekken, namelijk zijn droefheid, en dat in gewone omstandigheden hem tot schade zou zijn geweest, om het hart des konings gunstig voor hem te stemmen. Het zou den koning aanleiding geven, een vraag te doen, zoodat Nehemia zijn vurig verlangen kon bekend maken.

Zulke wonderen, als antwoord op onze smeekingen, geschieden ook nu nog dagelijks. Ze zijn een deel van ons dagelijksch leven. Ja, ze vinden veel meer plaats, dan wij opmerken. Als wij al de omstandigheden van het dagelijksch leven opmerkten, zouden we zien, dat alles, in Gods wegen met ons, wonderlijk is. Hij wendt gevaren af. Hij geeft ons zekere ontmoetingen, die een geheele verandering brengen in ons leven. Hij verspert sommige paden voor ons. In n woord: overal werkt Zijn hand; overal gaat Hij in Zijn trouw Zijn genadewegen met ons.

Als nu de koning aan Nehemia de vraag stelt, die dezen met vrees vervult, neemt hij de vrijmoedigheid, de bezwaren van zijn hart en de oorzaak zijner droefheid aan den koning bloot te leggen. En als dan de koning vraagt: "Wat verzoekt gij nu?" sterkt hij zich in zijn God.

De vrees kan ons soms een oogenblik bevangen, als er iets onverwachts gebeurt, waarom we toch gesmeekt hadden; maar als we waarlijk vertrouwen op God hebben, zal die vrees ons toch niet schaden, doch ons bij vernieuwing tot Hem de toevlucht doen nemen. O, dat is wonderschoon! Tot de binnenkamer kan Nehemia thans niet de toevlucht nemen. Lang tijd tot bedenken heeft hij niet. Maar is het waarachtig gebed niet als een zucht tot God? En om een zucht te slaken, is er geen tijd noodig.

"Toen bad ik tot God van den hemel." Zijn stil gebed steeg tot God omhoog. En het gaf hem de kracht en de vrijmoedigheid, om zijn wensch duidelijk, maar bescheiden, aan den koning bekend te maken.

Kennen wij iets van dit zuchten? juist in den grootsten nood, als we zoo geheel, schijnbaar, van n mensch en diens beslissing afhankelijk zijn, kunnen we dit zuchten tot God in den hemel leeren. Een waarlijk godvreezende boer heeft eens gezegd, dat zijn beste gebeden die waren, welke hij uitsprak met zijn pet op. Zeer zeker past ons eerbied voor God. Het is ook volstrekt niet onverschillig welke houding wij aannemen, als wij bidden in onze binnenkamer of in de vergadering der geloovigen. Maar dat neemt niet weg, dat wij ook bidden mogen zonder te knielen, zonder een biddende houding aan te nemen. Op den weg, bij ons werk, in ons gezin, te midden van de ons omringende drukte - overal kan een gebed, een zucht om hulp opstijgen tot God in den hemel.

Hoe heerlijk was de verhooring bij Nehemia! God had welwillendheid gewerkt in het hart van den machtigen vorst; Hij had zijn hart tot barmhartigheid geneigd. De koning beantwoordde Nehemia's verzoek met de vraag: "Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen?" En als dan Nehemia een zekeren tijd voorstelt - waarschijnlijk twaalf jaar (vergel. Neh. 2:1 met 13:6.) verkrijgt hij de toestemming om te gaan "naar de stad der begrafenissen zijner vaderen."

Welk een genade! Welk een heerlijke verhooring des gebeds! Maar verliezen wij daarbij niet uit het oog, dat Nehemia met God wandelde, en zijn wenschen met volharding in het gebed aan God bekend maakte. Dat hij voorts wachtte op den Heer. En dat hij ook getrouw was in zijn dagelijksch werk. Hij had een goed getuigenis onder hen, met wie hij dagelijks in aanraking kwam.

Behalve dat Nehemia verzocht naar zijn land te mogen gaan, vroeg hij ook brieven van aanbeveling voor de landvoogden, en een geleide voor den weg. En al dit verzoek werd hem welwillend toegestaan. Hij zelf zegt er van: "De koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij."

Ezra weigerde zulk een geleide. Wij lezen in Ezra 8:22: "Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijne sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten." Nu moeten we daaruit echter niet opmaken, dat Nehemia verkeerd deed. Wij zijn altijd zoo spoedig met ons oordeel gereed. Uit alles blijkt, dat er bij Nehemia geen zwakheid des geloofs was, en hij erkende de oversten en ruiters, die met hem gezonden werden, evenals de brieven, hem medegegeven, als door de goede hand zijns Gods hem geschonken. Het was ook een verschil. Ezra ging, nadat de tempel herbouwd was, om gaven te brengen naar het huis des Heeren. En hoe gewichtiger de schat is, des te meer is het noodig, dat de wereld ziet, hoe het geloof alles wat Hem toebehoort onder Zijn directe hoede stelt. Maar hier ging het niet om schatten voor het huis des Heeren, doch om zijn erkenning als landvoogd tegenover anderen. Nehemia toch trok op als dienaar des konings, hetgeen hij ook bleef, en hij erkende de beschermende macht van hem, wiens dienaar hij was. Zou hij eenmaal in Jeruzalem zijn, dan zou het geleide hem niet meer baten, en zou hij geheel alleen het werk des Heeren doen, en al de moeilijkheden, er aan verbonden, alln overwinnen in Gods kracht.

Zoo gaat dan deze man op reis, wel vergezeld van een geleide, maar toch vertrouwend op de hand zijns Gods.

Laat ons Gods genade in hem aanschouwen, en hem met belangstelling volgen! Want we vinden in hem zulk een liefelijk voorbeeld, in menig opzicht. Hij roept ons het woord des Heeren toe: "Doe uwen mond wijd open en Ik zal hem vervullen." Hij herinnert ons aan Paulus' woord: "Die machtig is boven alles te doen, zeer overvloedig boven hetgeen wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt." Hij was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en toch - welk een krachtig gebed bad hij, en hoe kon Gods genade zich in hem verheerlijken! Genade alleen kan ons bekwamen, om in een tijd van verval nochtans het goede te zoeken voor Gods volk. Maar van onze zijde is getrouwheid en afhankelijkheid een vereischte.

Na een reis, waaromtrent ons niets wordt medegedeeld, komt Nehemia in de provincie Judea aan. En dadelijk komt hij in aanraking met de vijanden van het volk Gods, met de aanvoerders Saneballat en Tobia. De namen van de vijanden waren veranderd, (vergel. Ezra 5 : 6.) maar de vijandschap was gebleven. - Dit is ook nu nog zoo; de vijanden, die bijna twee duizend jaren geleden Christus kruisigden, zijn dezelfde, al doen zij zich ook anders voor. - Het "mishaagde hun met groot mishagen, dat er een mensch gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israls."

In Jeruzalem gekomen, maakte Nehemia, na een korte rust van slechts drie dagen, zich onmiddellijk op, om zich persoonlijk op de hoogte te stellen van den toestand der stad, die hij liefhad. Hij gaf aan geen mensch zijn voornemen te kennen, behalve aan de weinige mannen, die met hem gingen. Maar hij was verblijd in hetgeen zijn God hem in het hart had gegeven om aan Jeruzalem te doen.

Hoe gelukkig is het, vooral voor een dienaar des Heeren, te weten in Gods weg te zijn, en het bewustzijn te hebben, dat de Heer Zelf ons iets in het hart heeft gegeven! Dat geeft kracht tot den arbeid.

En wat vond hij nu op zijn tocht? Jeruzalem, de stad Gods, was zonder muur, zonder poorten. Er was geen afsluiting. Geen afzondering voor het volk van God. Er zijn priesters, edelen, overheden; zelfs Ezra, de schriftgeleerde, is er; (Neh. 8 : 3.) ook het altaar, het voorwerp van den eeredienst; maar alles ligt open en bloot, en de vijand van Gods volk heeft tot alles te allen tijde toegang. Toch ontmoedigde hem dit alles niet. Integendeel. Het was juist voor hem een oorzaak, ook anderen op te wekken, de breuk te herstellen. En wanneer hij zich wendt tot de priesters, de edelen en de overheden, heeft hij drie redenen om de hand aan den ploeg te slaan.

De eerste vinden we in vers 17: "Gijlieden ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en haar poorten met vuur zijn verbrand; komt, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen, opdat wij niet meer een versmaadheid zijn." Moest dit niet tot hun hart spreken? Moest het hen niet opwekken, niet langer stil te zitten? Het volk en de stad Gods in versmaadheid! En dat door eigen schuld! Hoe droevig.

De tweede reden wordt in het eerste gedeelte van vers 18 opgenoemd: "En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, Die goed over mij geweest was." Dat was een oorzaak om moed te vatten. Hij dacht terug aan hetgeen in het paleis te Susan had plaats gevonden, en aan de wonderlijke verhooring zijner gebeden. Als wij op God zien, die anderen hielp in moeilijke tijden, is dit dan geen spoorslag voor ons, het met dienzelfden God te wagen?

De derde reden vinden wij in het slot van vers 18: "Ik gaf hun ook te kennen de woorden des konings, die hij tot mij gesproken had." Niet alleen God zou met hen zijn, maar zij konden ook rekenen op de gunst des konings. We worden wel vermaand in Ps. 146 : 3, niet op prinsen te vertrouwen; maar wanneer God het hart van koningen en overheden neigt tot het welzijn der Zijnen, mogen wij dit met dankzegging opmerken, en er van genieten. We worden zelfs opgewekt voor koningen en overheden te bidden, opdat wij een rustig en stil leven zouden leiden. (1 Tim. 2 : 2.)

In dit alles te zamen genomen lag dus oorzaak genoeg om te beginnen aan het werk, dat hun onmogelijk scheen.

Gelukkig vond het woord van Nehemia weerklank in de harten. Het antwoord luidde: "Laat ons op zijn, dat wij bouwen!" "En zij sterkten hunne handen ten goede."

Hier zien wij wat persoonlijke trouw en beslistheid uitwerken. Laat ons nooit denken: "Wij kunnen niets." Dat is wel zoo als we op onszelf zien, want in eigen kracht vermogen we niets. Maar dat is niet zoo, als we onze kracht zoeken, waar Nehemia die heeft gezocht. Laat de vijanden dan maar komen; nog vermeerderd met Gesem, den Arabier! Laat ze spotten en verachten en zeggen: "Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? Wilt gijlieden tegen den koning rebelleeren!" Laat ze van misnoegen of van verachting blijk geven! Nehemia staat in de kracht zijns Gods en antwoordt: "God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar gijlieden hebt geen deel, noch recht, noch gedachtenis in Jeruzalem!"

Niet Nehemia's kracht kan hier helpen. Hij had niets "dan het dier, waarop hij reed." Hij was slechts een knecht. Maar Nehemia's geloof zou de overwinning behalen. Hij rekende op God, en God rechtvaardigde zijn vertrouwen ten volle. De harten werden bewerkt. God van den hemel zocht iets goeds voor de kinderen Israls, den vijanden van Gods volk ten spijt!

Hoe veel geeft ons dit alles te leeren in betrekking tot Gods Gemeente op aarde, thans in verval! Mochten alle geloovigen in onze dagen toch meer van den geest en de gezindheid van een Nehemia hebben! Denken we eens aan het begin der Gemeente. De geloovigen waren afgezonderd van de wereld, zoodat wij lezen: "Van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen." (Hand. 5 : 13.) De Gemeente was ommuurd, en dus veilig voor hetgeen van buiten zou hebben willen indringen. Maar langzamerhand is dit anders geworden. Misschien kunnen we wel zeggen, dat in de dagen van den keizer Constantijn, ongeveer drie eeuwen na Christus, de muur geheel is neergevallen, zoodat ongehinderd de ongeloovigen toegang verkregen in het midden der Gemeente. Mochten toch alle ware geloovigen dit inzien, er droefheid voor God over hebben, om dan tot de vraag te komen: wat kan ik met Gods hulp doen om de plaats der afzondering voor mij zelf en anderen in te nemen?

Het beginsel der afzondering is zoo hoogst belangrijk. We vinden het in Ezra 4 : 3: "Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den Heer, den God Israls, bouwen." En in Neh. 2 : 20: "Gijlieden hebt geen deel, noch recht, noch gedachtenis in Jeruzalem." En in 2 Kor. 6 : 14-18: "Trekt niet een ongelijk juk aan met de ongeloovigen. Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heer." Inderdaad, het moge gaan om het huis Gods of om de muren der stad, - het grondbeginsel is hetzelfde: het volk Gods kan zich niet met de wereld vereenigen om Gods werk te doen, onder welken vorm dan ook.

Laat ons dan inzien wat niet goed is, en er leed over dragen. Maar laat ons ook steunen op Hem, die ons in een tijd doet leven, dat de overheden ons gunstig gezind zijn, en die met Zijn goede hand ons leiden en sterken wil. Als wij van onze zijde zeggen: "Komt, laat ons op zijn en bouwen!" zal het antwoord des Heeren luiden: "Ik zal met u zijn!"