HET BOEK EZRA.

 

Ezra IX. Ė Gebed en verootmoediging.

 

De beide laatste hoofdstukken van het boek Ezra bevatten eenerzijds veel bedroevends, anderzijds veel verblijdends. Bedroevend is het, er in te zien, dat het den vijand gelukt was, het volk te doen afwijken van de wet Gods, waardoor een onheilige vermenging plaats vond. Verblijdend, dat we mogen opmerken, hoe Ezra diep leed had over dezen toestand, en belijdenis er over deed; en ook, hoe God Ezra gebruikte, het volk te reinigen van het kwaad, terwijl het volk zich reinigen liet.

We hebben er reeds op gewezen, dat er bij de komst van Ezra vele tientallen van jaren verloopen waren sedert den uittocht onder de regeering van Kores. We mogen dus wel aannemen, dat de leiders, die de eerste maal het volk aanvoerden, zooals Zerubbabel en Jesua, waren gestorven. Na het heengaan dezer mannen zal dus wel voornamelijk de vermenging hebben plaats gevonden, waarover in het negende en tiende hoofdstuk van ons boek gesproken wordt.

Het is altijd een groot verlies voor Gods volk, wanneer beproefde mannen Gods, getrouwe voorgangers, worden weggenomen. Lezen we bijv. het eerste hoofdstuk van de Richteren, dan worden we dadelijk getroffen door de woorden: "En het geschiedde na den dood van Jozua," waarop dan volgt de geschiedenis van toenemend verval. In Deut. lezen we: "IsraŽl nu diende de Heer al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk wisten, hetwelk Hij aan IsraŽl gedaan had." Na den dood van deze beproefde mannen ging het volk van stap tot stap achteruit; zij lieten de Heidenen, die zij verdoen moesten, in hun midden wonen, en werden ten slotte door dezen bemoeilijkt en in het gebergte verdreven. (Richt. 1 : 34.)

Zooals het met IsraŽl ging, ging het ook met de Gemeente. Hoe spoedig is uitgekomen hetgeen de apostel Paulus heeft voorspeld! (Hand. 20 : 29 en 30.) Zoodra mannen als Petrus en Paulus, en andere apostelen en voorgangers, weggenomen waren, weken velen af van den rechten weg. Ook in hun leven was er reeds verval, maar het nam toch toe na hun heengaan. En als we de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-AziŽ lezen, in Openb. 2 en 3, die ons in geregelde volgorde de geheele geschiedenis der Algemeene Christelijke Kerk beschrijven, zien we een steeds toenemend verval, totdat het een volledige afval geworden is. In Efeze had men de eerste liefde verlaten; dit kon niet door de menschen worden opgemerkt, wel door den Heer. Maar in Laodicťa is geen leven meer aanwezig; enkel onverschilligheid en eigenroem; en het gevolg is, dat de Heer zegt: "Omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, zal Ik u uit Mijnen mond spuwen!" Langzamerhand werd de toestand slechter en slechter.

En zooals het is geweest met IsraŽl en met de Gemeente, als geheel, zoo is het ook met elken kring, waaraan God zekere waarheden in het bijzonder toevertrouwt. Laten ook zij, die zich vergaderen tot Jezus' naam, hieraan gedachtig zijn! "Na den dood der oudsten." Welk een ernstig woord! Ook wij kennen beproefde broeders, trouwe voormannen, die van den beginne af, toen enkele verborgen waarheden opnieuw aan het licht kwamen, het woord Gods hebben gesproken, en door woord en wandel hebben getuigd. Met welk een vuur hebben zij gestreden! Hoe veel hebben ze opgeofferd voor de waarheid! Hoe trouw kwamen ze op voor de beginselen Gods! En is er niet na hun heengaan een zekere mate van verval zichtbaar? Een verflauwing in menig opzicht? Laat ons met dankzegging terugdenken aan de mannen, die God ons gaf, ziende op de uitkomst van hun wandel; en laat ons dan voor onszelven en voor anderen op Jezus zien, die ook voor ons Dezelfde is. Neen, het is niet noodig, dat wij afwijken, wanneer trouwe mannen Gods sterven. Het is niet noodig, dat een afwijking, die gekomen mocht zijn, verder ga. Als we maar ons oog op den Heer richten, of als we maar terugkeeren met schuldbelijdenis tot hetgeen waarvan we zouden afgeweken zijn. Dan zullen we bewaard worden voor verval, en tot Gods eer hier beneden een levend getuigenis zijn. Mochten we toch allen in de kracht des Geestes, en vervuld met den Heiligen Geest, onzen weg gaan!

Als Ezra verneemt, wat onder het volk gevonden wordt, scheurt hij zijn kleed en zijn mantel. Hij trekt het haar zijns hoofds en zijns baards uit; en hij zit verbaasd terneer. Trouwe man! Diep gevoelt hij de schuld des volks. Met zijn heele ziel gaat hij in den toestand zijns volks in. En een heilige verontwaardiging maakt zich van hem meester.

Wat het laatste betreft, vinden wij bij hem iets van den grooten Meester, die bedroefd kon zijn met een heiligen toorn over de verharding des harten van het volk. (Mark. 3 : 5.) Het is niet goed, als de Christen niet toornen kan. Natuurlijk wordt niet een toornen bedoeld in den zin van boos zijn; want dan wordt ons gezegd, dat we alle toornigheid moeten afleggen; maar er is sprake van toornen in den zin van verontwaardiging. Zooals Paulus zegt: "Wordt toornig en zondigt niet; de zon ga over uwe toornigheid niet onder; en geeft den duivel geen plaats." (Ef. 4 : 26.) Wanneer een geloovige het kwaad en de ongerechtigheid kan aanzien zonder verontwaardigd te worden, is er bij hem weinig gevoel in de ziel voor de heiligheid en rechtvaardigheid van God. En de zoodanige zal dan ook in den regel zijn eigen kwaad en ongerechtigheid niet zoo zwaar tillen. Doch vergeten we niet, dat God tegen de zonde toornt, en dat ook wij het dus moeten kunnen. Maar bij ons is er gevaar, dat onze verontwaardiging vermengd wordt met iets van onszelf, van het vleesch. We moeten toornen en niet zondigen; terwijl we het nooit lang kunnen volhouden zonder te zondigen, zoodat de zon over onze toornigheid niet mag ondergaan.

Doch Ezra was niet alleen verontwaardigd. Hij was tevens bedroefd. En ook dit wordt vaak bij ons gemist. Onder de dingen, die de uitverkorenen Gods als heiligen en beminden moeten versieren, behoort de innige ontferming. (Kol. 3 : 12.) Als een Christen niet bedroefd kan zijn over den verkeerden toestand der Gemeente, of van dezen of genen kring, of van den een of anderen broeder, dan is dit een bewijs van weinig medegevoel, misschien van een zekere eigengerechtigheid. God is met innige ontferming bewogen over hen, die afgeweken zijn. En zouden dan wij niet met innig medegevoel jegens hen vervuld zijn?

Bij Ezra was deze gezindheid. En hij was te meer bedroefd en verontwaardigd, omdat niet alleen het gansche overblijfsel, priesters en Levieten inbegrepen, zich vermengd had met de volken, maar omdat zelfs de hand der vorsten en overheden de eerste was geweest in deze overtredingen. (Ezra 9 : 1 en 2.) DŠt vooral deed Ezra de kleederen scheuren, en als in diepe rouw verbaasd ter neder zitten. Hoe droevig! Ja, voorgangers kunnen ons het Woord Gods prediken, en dan is hun gemis een groot verlies. Maar voorgangers kunnen ook de eerste wezen op een verkeerden weg. En zůů was het hier.

Was er een middel tot heeling? Zeer zeker. En Ezra kende dit middel. Persoonlijke verootmoediging was het; in de verwachting, dat dan ook het geheel zich zou verootmoedigen, en aldus het kwaad zou worden weggedaan.

Zoo moet het altijd zijn. Wij moeten niet dadelijk handelen, als wij het kwaad zien, maar er over bedroefd zijn, en onze medeschuld belijden, om er eerst daarna met verontwaardiging tegen te getuigen.

Is het niet schoon, dat trouwe mannen als DaniŽl en Ezra zich zoo geheel ťťn maken met het kwaad? God ziet neder op den neergebogene en verbrokene van geest.

Ezra gevoelde het: als God naar recht handelde, was alles verloren. En daarom boog hij zich voor God en bad. Was God niet die God, die toornt over het kwaad, maar die ook vol barmhartigheid is? Ezra kende Hem. Hij zegt zoo schoon: "Mijn God!" Hij boog zich op de knieŽn en breidde de handen uit tot den Heere, zijn God. En hij zeide "Mijn God!" Het was zijn eigen God; de God, dien hij kende uit ervaring; de God, van wien hij alles verwachtte en met wien hij spreken kon over de droevigste dingen; tot wien hij dus ook kon gaan met deze smartelijke zaak.

Wat is het heerlijk, evenals Paulus te kunnen zeggen: "Mijn God zal al uwe nooddruft vervullen!" Maar dan moeten we eerst ervaren hebben, dat onze God onze eigen nooddruft heeft vervuld. O, daarom is omgang met God zoo heerlijk! Het dient onszelf, en we kunnen er anderen door tot zegen zijn.

De eerste uitwerking van Ezra's smart was deze, dat allen, die voor de woorden van den God IsraŽls beefden, zich om hem schaarden. In het begin zeker slechts enkelen, maar langzamerhand breidde zich hun getal uit.

Zoo gaat er een invloed van ons op anderen uit, als wij persoonlijk in de rechte gezindheid wandelen voor Gods aangezicht. Het is van groot gewicht, dit ernstig te overwegen.

En hoor nu, hoe Ezra bidt. Hij maakt zich geheel ťťn, evenals DaniŽl dit deed, met de zonden des volks. Hij zegt niet: "Wat zijn hunne ongerechtigheden toch vermenigvuldigd!" Neen, dan had hij den schijn aangenomen van een aanklacht in te brengen tegen het volk, zooals eens Elia het deed, gelijk we lezen in 1 Kon. 19, waar hij zich beroept op zijn eigen ijver voor God, en spreekt over de zonden der kinderen IsraŽls. Ezra echter zegt: "Onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd," hoewel hijzelf part noch deel had aan de genoemde afwijkingen en zonden. Zie, dat is een Gode welbehagelijke hartetoestand. Mocht die bij ons allen gevonden worden! God wil, dat we het kwaad, hetwelk in ons midden gevonden wordt, niet vergoelijken. Maar Hij wil, dat we, als we er oogen voor hebben, er ons ťťn mee maken, er bedroefd over zijn, er belijdenis over doen, en er dan tegen toornen.

Vooral drie dingen houden Ezra in zijn gebed bezig. De verdorvenheid des volks; de genade van God; en de gedachte, dat IsraŽl Gods volk is. (Ezra 9 : 15.) De twee laatste dingen zijn voor Ezra pleitgronden. Hij roept tot Jehova, den God van IsraŽl. Het volk had gezondigd. De geboden des Heeren waren overtreden. Maar de Eeuwig Getrouwe was de God van IsraŽl. Zou Hij Zich niet willen erbarmen? Zoo belijdt hij dan de zonden, waardoor ze het verderf hadden verdiend, zich beroepende op de genade van dien God, die aan IsraŽl, Zijn volk, gedenkt.

Is het ook niet zoo, als we aan de Gemeente denken? Welk een verval! Maar blijft de Gemeente niet Gods Gemeente, niettegenstaande de zonden en afwijkingen, even goed als God de God van IsraŽl bleef, al gold het slechts een overblijfsel uit twee stammen, dat zich bovendien nog in zulk een treurigen toestand bevond? - Ook wij kunnen zeggen: "Er is als een klein oogenblik een genade geschied van den Heere, onzen God, om ons een ontkoming over te laten." Want God heeft in onze dagen veler oogen geopend voor belangrijke waarheden; Hij heeft velen afgezonderd van de wereld en allen wereldschen godsdienst, en om den heerlijken Persoon des Heeren Jezus vergaderd. Maar hoe is nu de toestand onder hen? Is er niet veel, zťťr veel, waarover we ons te schamen en te verootmoedigen hebben? Doch - God blijft Dezelfde, en Zijn getuigenis blijft hetzelfde En Hij is genadig over Zijn gansche Gemeente.

Mochten er meer Ezra's in onzen tegenwoordigen tijd gevonden worden! Misschien zeggen we, als we zijn boek lezen: "Hoe schoon is zijn voorbeeld! Welk een man!" Doch dit is niet voldoende. We moeten hem navolgen. God geve ons als Ezra te verkeeren voor Gods aangezicht; in Zijn gemeenschap; ons ťťn makend met de zonde; ons rein bewarend van het kwaad; vasthoudend aan God, als ziende den Onzienlijke.

Dan zullen we Gods goedkeuring ontvangen. Dan zullen we ook de verhooring op onze gebeden verkrijgen. Terwijl Ezra nog bad, kreeg hij reeds de verhooring op zijn gebed. "Eer zij roepen, zal Ik antwoorden," zegt de Heer. Wie dit eenmaal ondervonden heeft, zal het nooit vergeten. O mochten we het allen vťťl ondervinden! En ook al kŠn er geen verhooring komen, zooals wij die wenschen, zullen we toch gezegend zijn, als we met al wat ons bezwaart tot onzen God de toevlucht nemen, want de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal dan onze harten en zinnen bewaren in Christus Jezus!

 

Gij, Heer! verhoort al onze beden,
Gij geeft ons krachten tot den strijd.
Gij toont altijd aan Uwe leden,
Dat Gij bij God hun Voorspraak zijt.
Geen list des vijands schaadt ons meer,
Wanneer wij zien op U, o Heer!

 

Gij moest aan 't kruis de zonden dragen,
Met onze schuld werdt Gij belast;
Gij hebt den vijand daar verslagen;
Nu houdt Uw sterke hand ons vast.
In onze zwakheid wordt Uw kracht,
Zoolang de strijd hier duurt, volbracht.