HET BOEK EZRA.

 

Ezra VIII. - De tocht naar Jeruzalem.

 

De weg naar Jeruzalem was geen gemakkelijke. Ezra deed er ruimschoots ondervinding van op. Overal op den weg legden de vijanden hem lagen. Doch Ezra's kracht lag in God. Daarom vreesde hij niet, en volbracht met volharding de reis, hoeveel tegenspoeden ook zijn deel waren, en hoe lang de tocht ook duurde.

De weg naar Jeruzalem is nooit gemakkelijk. Vooral geestelijk genomen niet. De vijand bevindt er zich op, en aan het eind er van staat het kruis. In het bijzonder heeft de Heer Jezus dit ondervonden. Het tiende hoofdstuk van het Evangelie van Markus spreekt ons hier treffend van. Daar vinden wij den Heer Jezus, met Zijn discipelen opgaande naar Jeruzalem. Op dienzelfden weg was Hem de rijke jongeling te gemoet gekomen met de vraag: "Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven berve?" En toen de Heer hem duidelijk maakte, dat het eeuwige leven verbonden was met den Persoon des Heeren, en hij zijn kruis moest opnemen en Hem volgen, ging hij bedroefd weg. Hij had geen kracht om den weg naar Jeruzalem te gaan. Het kruis, dat hij dragen moest, schrikte hem terug. - De discipelen, die Jezus volgden, waren gelukkig anders gezind. Nochtans lezen wij van hen, dat zij verbaasd stonden en bevreesd waren, toen Jezus hun voorging naar Jeruzalem. Want zij gevoelden, dat hen droeve dingen te wachten stonden. Sprak de Heer er niet Zelf over? "Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem overleveren aan de volken; en zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, en hem bespuwen, en hem dooden." Het kruis stond aan het eind van dien weg naar Jeruzalem. En dit deed hen verbaasd en bevreesd zijn. - Te Jericho komende, zat een blinde aan den weg, en deze werd genezen van zijn blindheid. En wat lezen wij van dezen man? Toen hij ziende was, volgde hij Jezus op den weg. Hoe schoon! Zijn kleed wierp hij af, en bij naderde tot Jezus, en hij gebruikte zijn geopende oogen om alln op Jezus te zien en Hm te volgen.

Dit alles geeft ons veel te leeren. De weg naar Jeruzalem is de weg, die tot God voert. En aan dezen weg is de smaadheid van Christus verbonden. Gelukkig, als wij niet gelijk zijn aan dien rijken jongeling. Hoeveel beter is het, met de discipelen den Heer te volgen, zij het dan ook in vreeze. Maar het heerlijkste is, wanneer we als Bar Times allen last afwerpen, en met moed en volharding Jezus volgen op den weg. De vijand is er dan wel. Die bemoeilijkt altijd het gaan naar het Jeruzalem, dat boven is. Maar wij hebben de wapenrusting Gods, opdat we staande blijven tegen de listige aanvallen des duivels. En we kunnen ons sterken in den Heer en in de kracht Zijner sterkte. Dat deed ook Ezra. Hij dacht er niet aan, van den koning een heir en ruiters te begeeren, om hem te helpen tegen den vijand op den weg, maar hij vertrouwde in het geloof op zijn God.

Ezra werd op zijn tocht vergezeld door een klein gedeelte van de in Babel achtergeblevenen. Zoowel de aanvoerders als het volk, dat uittrok, waren in het bezit van hun geslachtrekening. De Schrift telt ze dan ook hier alleen naar hun gezinnen op, niet zooals in hoofdstuk 2 voor een deel naar hun steden. Bij de eerste groote uittocht was er betrekkelijk weinig twijfel aan het recht der enkelen; alleen bij de priesters was dit toen het geval. Maar hier werd het noodig geacht, dat elk persoon nauwkeurig bewijzen kon wie hij was.

Iets dergelijks wordt meer gevonden. In een opwekkingstijd kan zoo licht een vermenging plaats vinden, omdat de liefde en de vreugde dan zoo overstroomend zijn. Doch de kracht des Heiligen Geestes is aanwezig om te onderscheiden wat niet waarlijk uit God is, zoodra de gelegenheid daartoe zich aanbiedt.

We vinden dit ook in het begin der Gemeente. Met Ananias en Saffira drong de leugen binnen; met Simon, den toovenaar, het vleesch, dat alleen een schijn van bekeering heeft. Doch de Heilige Geest waakte, oordeelde en onderscheidde, en het huis werd voor een oogenblik bewaard voor schade. Later is de Gemeente op haar hoede. "Gij hebt beproefd degenen, die zeggen, dat zij apostelen zijn, en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden." (Openb. 2 : 2.) Dit is geen betere toestand, geen bewijs van meer liefde of meer kracht, maar het is een noodzakelijkheid, zoodra men ziet, dat het kwade is ingeslopen of insluipt, opdat het getuigenis Gods rein worde gehouden.

Onder de velen, die mede optrekken, valt bijzonder de aandacht op de kinderen van Adnikam. Bij den eersten uittocht was het grootste deel dezer familie reeds opgetrokken. (Ezra 2 : 13.) Nu keerden met Ezra de laatsten van hun geslacht terug, en hun namen worden niet vergeten. (Ezra 8 : 13.) De geheele familie was dus nu volledig. En deze bijzonderheid, dat niemand in dit gezin verzuimde op te trekken, wordt in Gods boek opgeteekend. O, mochten ook nu onder hen, die in deze laatste dagen een getuigenis Gods voor Hem zijn, geheele familin gevonden worden, door den Heer Zelf geroepen en afgezonderd!

Alles bijeen genomen, de priesters inbegrepen, die het eerst worden opgenoemd, maakten 1502 Joden gebruik van deze gelegenheid om naar Jeruzalem op te trekken. Doch, helaas! de Levieten werden gemist. Vr zij zich op den weg begaven, deed Ezra deze bedroevende ontdekking. "En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesteren, en vond aldaar geen van de kinderen van Levi." Reeds in het tweede hoofdstuk hebben we gezien, dat de Levieten niet trouw waren opgekomen. Er waren slechts 74 personen. Doch hier was er niet n. Ze bleven in de steden der volken. Bezig met hun eigen belangen, denken zij er niet aan, met hun broeders op te trekken voor den dienst van het huis Gods. Ezra is daarom genoodzaakt, een bijzonder gezantschap van hoofden en verstandige mannen tot hen te zenden om hen op te wekken, zich toch bij hun broeders aan te sluiten. En nu komen ze eindelijk! Acht en dertig in getal. Nog niet veel. Van de Nethinim - dat zijn de dienaars, die David en de vorsten aan de Levieten gegeven hadden - kwamen er 220. Dus op elken Leviet zes dienaars! Is dit niet diep verootmoedigend voor het geslacht der Levieten? Zij die door den Heer afgezonderd waren tot Zijn dienst, waren in een toestand van verslapping; toonden geen belangstelling in de dingen des Heeren.

Niettegenstaande dit, was toch "de goede hand Gods" over Ezra en de zijnen. De eenige hulp, waarop Ezra kon rekenen. Want al kwam het uit, dat er groote leemten waren, al ontbrak er zooveel, dat noodig was, dit ne was toch zeker: de Heer helpt, en Hij verlaat de Zijnen niet!

Wel echter was het de vraag, wat de roeping van Ezra en de zijnen met het oog op den toestand van verval was. Moesten zij door het een of ander hulpmiddel het tekort trachten aan te vullen? Geenszins. Zij moesten zich verootmoedigen. Ezra had alln gebeden. Maar dat was niet voldoende. "Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods om van Hem te verzoeken een rechten weg voor ons en voor onze kinderkens en voor al onze have." "Alzoo vastten wij, en verzochten zulks van onzen God en Hij liet Zich van ons verbidden." Zonder vasten en verootmoediging was het niet mogelijk, dat dit handje vol mannen den rechten weg vond naar Jeruzalem. Anderen zouden zeker in zulk een geval hulp van menschen hebben gezocht en gevraagd. Maar Ezra schaamde zich dit te doen. Hij had immers tot den koning gezegd: "De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en toorn over allen, die Hem verlaten." En daarom vertrouwde hij op den Heer alleen. En hij wilde dit vertrouwen op den Heer niet verzwakken door ten deele op den mensch te vertrouwen. Doch dan was ook vasten, verootmoediging en gebed noodig.

Ook nu ontmoeten wij dikwijls dergelijke moeilijkheden. Soms zijn de bezwaren schijnbaar onoverkomelijk. De vijand loert op den weg op ons, en stelt zich tusschen ons en tusschen de vervulling van onzen eenvoudigen plicht: ons samenkomen als kinderen Gods, en ons arbeiden in den dienst des Heeren. Wij hebben kleine kracht om hem te weerstaan. De hulp der Levieten, op wie wij misschien onze hoop hadden gesteld, ontbreekt ons. Satan zou ons gaarne willen verleiden, met het heir en de ruiters des konings op te trekken, d.w.z. met vleeschelijke wapenen den vijand tegen te gaan. Wat moeten wij nu doen? Evenals Ezra: vasten, ons verootmoedigen, bidden. "Hij liet Zich van ons verbidden." Welk een heerlijk woord!

In de verzen 14-30 ontvangen de priesters en de Levieten, en in 't bijzonder een aangewezen aantal onder hen, de vaten van zilver en goud, die vrijwillig voor het huis Gods waren gegeven. Door den naam des Heeren en door de heilige priesters waren deze vaten geheiligd. "Gij zijt heilig den Heere, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den Heere, den God uwer vaderen." Deze vaten waren gedeeltelijk afkomstig van den koning, zijn raadsheeren en zijn vorsten. Maar omdat de naam des Heeren en Zijn tempel door de mannen werd erkend, kon God de geschenken aannemen; ze waren niet onrein. Maar zelfs in betrekking tot deze stoffelijke dingen, zilver en goud, moesten de priesters waakzaam zijn en alles zorgvuldig wegen en bewaren, want er mocht niets van worden weggenomen.

Ook nu zijn er mannen, aan wie in het bijzonder de bewaring van verschillende dingen des Heeren is toebetrouwd. Dat ze hierin getrouw mochten zijn gedurende de gansche reis! "Waakt en bewaart het!" Waakzaamheid is er noodig, en zorg. De vijand loert op den weg om ons iets te ontrooven. Welk een verantwoordelijkheid, maar ook welk een voorrecht voor ons, wanneer de Heer ons in 't bijzonder iets toevertrouwt! Waken en bewaren is dan Zijn opdracht. En ook in het algemeen geldt deze opdracht ons allen. "Een iegelijk, naarmate hij een genadegave ontvangen heeft, diene daarmede den ander, als goede rentmeesters der menigerlei genade Gods." (1 Petr. 4 : 10.)

De verzen 32-34 spreken ons over den ijver, die de priesters en Levieten aan den dag legden, om zich van hun opdracht te kwijten. Zij waren met hun gansche hart bij de zaak geweest. Niets ontbrak, toen men in Jeruzalem aankwam.

Welk een heerlijk voorbeeld voor ons! In kleine en groote plichten hebben wij getrouw te zijn. Laat ons hetgeen Hij aan ons toevertrouwde, nooit beschouwen als van ons te zijn, maar als datgene, wat wij weer hebben terug te geven, nadat wij het hebben bewaard. De kleine en groote oneerlijkheden, waaraan, helaas! ook geloovigen zich, zelfs tegenover de wereld, schuldig maken, hebben gewoonlijk deze oorzaak: men beschouwt, hetgeen de Heer gaf en toevertrouwde, als eigen bezit. Ernstige kastijdingen zijn daarvan menigwerf de gevolgen. Doch die getrouw is, wordt door Hem bewaard. "De hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands, en desgenen, die ons lagen leide op den weg." (Vs. 31.)

En zoo kwamen dan deze mannen van den tweeden uittocht na een reis van vier maanden (Ezra 7 : 9.) behouden te Jeruzalem aan. De Heer is met hen geweest; Hij heeft hen bewaard en in veiligheid overgebracht.

En wat doet nu deze kleine schaar, als Jeruzalem is bereikt? "De weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israls brandofferen: twaalf varren voor gansch Isral." Ook zij hechtten er gewicht aan, de eenheid des volks te erkennen. Op dezen grondslag der eenheid rustte het getuigenis, ook in den toestand van verval. Doch het ging gepaard met verootmoediging, en met het waken voor de heiligheid des Heeren, en het zorgdragen voor Zijn dingen.

Nog een weinig tijds, en dan is ook onze reis naar Jeruzalem - naar het Jeruzalem, dat boven is! - ten einde. Wat zal het heerlijk zijn, na een reis vol moeiten en bezwaren, vol listen en lagen des vijands, en ook vol geestelijke zwakheid van onze zijde, maar bovenal na zooveel ervaring van 's Heeren trouw en bewaring, in het heerlijk Vaderhuis in te gaan! Daar zullen we offeranden des lofs brengen tot in eeuwigheid. Nu reeds brengen wij hier op aarde deze offeranden in het geloof, en doen het op den grondslag van de eenheid des lichaams. Maar daar in den hemel zal de eenheid worden aanschouwd. Daar zal niet n der leden worden gemist. Heerlijke toekomst! Gelukzalig vooruitzicht! Laat ons dan met moed en trouw, ziende op het eind der reis, voorwaarts gaan, en ons door niets laten terughouden, "houdende, wat wij hebben," bewarende, hetgeen de Heer ons toevertrouwde, overtuigd van de hulp van onzen trouwen God!

 

Hoe zal 't ons zijn, als wij op al die jaren,
Door ons beleefd in 's werelds woestenij,
Op al die ontrouw, op dat tal gevaren
Van 's werelds list en Satans huichlarij
Terugzien, en dan al die trouw aanschouwen
Van Hem, die ons vooruitging in den strijd,
Ons hart vervulde met een vast vertrouwen,
En toen de zegepraal ons heeft bereid!