HET BOEK EZRA.

 

Ezra VII. Ė Ezra, de priester en de schriftgeleerde.

 

Wij worden thans verplaatst in een geheel nieuw gedeelte der geschiedenis; ongeveer zeventig jaar na den uittocht uit Babel onder de regeering van Kores, en ongeveer vijftig jaar na de inwijding van den tempel. Koning Darius (Darius Hystaspus) van wien wij in Ezra 5 en 6 lezen, is opgevolgd door zijn zoon Ahasveros, (Xerxes,) de koning, van wien in het boek Esther sprake is, en deze is weer opgevolgd door diens zoon Arthasasta, zoodat deze hoogstwaarschijnlijk de zoon van Koningin Esther is. Hij heeft een veertigjarige regeering gehad, en in Nehemia 2 treffen wij hem weer aan, als Nehemia voor zijn aangezicht bedroefd is. Uit alles blijkt, dat hij van het begin tot aan het einde zijner regeering den Joden zeer toegenegen is geweest.

De tijd heeft ook een groote verandering teweeggebracht in den toestand des volks. HaggaÔ en Zacharia hadden geprofeteerd, en het volk doen opwaken door hun woord en voorbeeld. Nieuwe energie ontstond, en het werk van het huis des Heeren werd hervat. Ook werden de heerlijke gevolgen van deze opwekking aanschouwd in de voltooiÔng des tempels, in zijn inwijding en in de viering van het pascha, gelijk ons dit in Ezra 5 en 6 beschreven wordt.

God wilde nu, dat men in vrede de vruchten van den terugkeer tot God en Zijn dienst genieten zou. Maar deed het volk het? Helaas neen. Weder treden tijden in, dat het snel bergafwaarts gaat. Uit het slot van ons boek zien we, hoe onheilige verbintenissen werden aangegaan en geduld. De zedelijke kracht verdween. Wel was het kwaad nog niet zoo openlijk, want het werd eerst ontdekt ten tijde van Ezra's verschijnen; maar het was toch aanwezig.

Wat moest er nu gedaan worden tegen zulk een geestelijk verval met al de gevolgen er van? Er is maar ťťn middel: het Woord Gods. Het volk moest worden teruggebracht tot de wet des Heeren. Ditmaal gebruikt God echter niet een profeet, maar een schriftgeleerde.

God kent de nooden, en Hij heeft verschillende gaven om er in te voorzien. En niettegenstaande de zwakheid en gebreken, laat Hij Zich niet onbetuigd. Hoe gezegend is dit! Al is er maar een klein gedeelte van heel IsraŽl in het land, en al is dat ook niet getrouw, toch gedenkt Hij er aan.

Dit is tot veel troost voor ons. God spreekt in onze dagen niet door mannen als HaggaÔ en Zacharia, die nieuwe openbaringen brengen, maar Hij gebruikt mannen als Ezra, die de "wet des Heeren" zocht en deed, en die in IsraŽl de "inzettingen en rechten" wilde leeren. De Gemeente is in verval. De krachten en heerlijkheden zijn weggenomen. Nieuwe openbaringen worden niet meer gegeven. Maar gebleven zijn de gaven. De Heer heeft "sommigen gegeven tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars, tot de volmaking der heiligen: voor het werk der bediening, voor de opbouwing van het lichaam van Christus." (Ef. 4 : 11 en 12.) De apostelen en profeten hebben wij door hun geschriften in het Nieuwe Testament. Evangelisten, herders en leeraars zijn er ook in onze dagen. De evangelisten om de zielen tot de Gemeente te leiden. De herders en leeraars om de geloovigen te weiden, te hoeden, te leeren, en ook terug te voeren tot dat wat van den beginne is.

Laat ons bedenken, dat ook in onze dagen het eenig middel tot herstel het Woord Gods is. "Op dezen zal Ik zien," zegt de Heer, "op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft." (Jes. 66 : 2.)

Laat ons voorts bedenken, dat zij, die het Woord Gods brengen, en toepassen op de harten en gewetens, persoonlijk getrouw moeten zijn.

Ezra was een man, die zijn geslachtsregister kon aanwijzen. Hij was priester, en stamde af van het geslacht van Ašron. Er is in zijn geslachtsregister, dat wij in de eerste vijf verzen van ons hoofdstuk vinden, geen enkele gaping. Een Zadok en een Pinehas waren onder zijn geslacht. De trouw en ijver van dezen had ook hem aangegrepen. - En is dit ook nu niet een vereischte voor Gods dienaren? Moet uit alles wat zij zeggen en doen niet blijken, dat hun "fonteinen in Christus" zijn?

Ezra was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes. Niet elke priester was een schriftgeleerde. Al behoort men tot het priesterlijk geslacht, daarom is men nog geen schriftgeleerde. Alle geloovigen, die tot de Gemeente behooren, zijn priesters, maar de meesten zijn geen schriftgeleerden. Niet elke schriftgeleerde is ook een priester, die zijn geslachtsregister kan aanwijzen. Denk aan de schriftgeleerden in Jezus' dagen. Maar denk ook aan zoo velen in onzen tijd, die zich uitgeven voor schriftgeleerden, maar wier fonteinen niet in Christus zijn. Doch eigenlijk zijn het dan ook geen schriftgeleerden. Ezra echter was een schriftgeleerde in den waren zin des woords; en hij was een vaardig schriftgeleerde. Hoe kwam Ezra aan zijn Schriftkennis? God had hem voorbereid om leider des volks te zijn. God had hem een gave gegeven. Doch dit was niet voldoende. Ezra zelf had ook een roeping. En wij zien hier, hoe getrouw hij in deze roeping was. "Ezra had zijn hart gericht, om de wet des Heeren te zoeken en te doen, en om in IsraŽl te leeren de inzettingen en de rechten." Eerst zoeken, daarna doen, en dan aan anderen leeren. Dit zijn drie schoone en gewichtige dingen.

Ezra wilde de voorschriften des Heeren weten, en zoo richtte hij zijn hart om de wet des Heeren te zoeken. Hij zocht het niet bij den mensch, maar bij God. Voor een dienstknecht des Heeren is het belangrijk te bedenken, dat het niet voldoende is, een gave te hebben en schoone dingen te kunnen zeggen. Men moet Gods Woord en wil kennen. Daartoe moet er gezocht, moet er onderzocht worden; daartoe moet men getrouw de samenkomsten bezoeken, waar de Bijbel wordt verklaard, of waar de Bijbel wordt besproken; daartoe moet men zelf de Schrift lezen en herlezen, Schrift met Schrift vergelijken; daartoe moet men ook geschriften lezen van hen, die het Woord Gods hebben onderzocht en het nu voor ons hebben verklaard, en die de waarheid Gods toepassen op ons hart en geweten. Indien een dienaar Gods alleen maar "uitgeeft," zonder zelf "in te nemen," is er een gebrek in zijn dienst. Doch ook voor andere geloovigen is dit zoo belangrijk. Hoe kunnen we Gods wil doen, als we dien niet kennen? En hoe zullen we dien kennen, als we Gods Woord niet onderzoeken? En onderzoeken is niet het lezen van een hoofdstuk bij de maaltijden. Het is het afzonderlijk voor zichzelf lezen en overdenken van het Woord. Hoeveel gebrek is er in dit opzicht! Vooral onder de jongeren, en wel voornamelijk onder de jonge zusters. Hoeveel tijd zou beter besteed worden, als men zich enkele oogenblikken wilde afzonderen tot onderzoek van den Bijbel, aan de hand van goede Schriftverklaringen. Helaas, de ijver tot dergelijk lezen is in onze dagen onder het opkomend geslacht niet groot. En toch, van hoeveel heerlijks berooft men zich hierdoor. Hoe getuigen zij, die Bijbelbesprekingen of Conferenties bezoeken van den zegen, dien zij daar opdoen voor hun hart. Want niet alleen de kennis wordt vermeerderd, maar we worden gevoed. Christus wordt ons voorgesteld. TimotheŁs genoot reeds in de vroegste jeugd van de heerlijke geschiedenissen van Gods Woord. En we weten, hoe de Heer hem later in Zijn dienst heeft willen gebruiken. Bedenken we ook wel, dat, wat we jong in ons opnemen, ons het beste bijblijft. Geve God ons dan genade om Zijn Woord te onderzoeken! "De redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal." (Ps. 12:7.) Er is op aarde zooveel onreins, dat door het jong gemoed in zich wordt opgenomen; wat is het dan heerlijk, zoo ons hart wordt gevuld met "levenswater, klaar en rein, uit d'onuitputbre heilfontein." Bovendien wordt onze geest er door geoefend. In het begin valt het ons moeilijk; zwerven onze gedachten licht af; is het, alsof we er weinig aan hebben. Maar als we slechts volharden, gaat het beter, en eindelijk krijgen we er smaak in. Doch - men moet zijn hart er toe richten. Met het verstand alleen gaat het niet. Mochten we dat allen van Ezra leeren.

Ezra zocht echter niet alleen in de wet des Heeren, maar hij had ook zijn hart gericht om de wet te doen. Hij was dus niet alleen een hoorder, maar ook een dader des Woords. (Jak. 1 : 22.) Weten is noodig, maar weten zonder doen maakt ons te schuldiger. Men kan Gods wil niet doen, als men dien niet kent. Maar ken ik Gods wil, dan heb ik ook de verantwoordelijkheid dien te doen. Ezra was hierin getrouw. Hij scheidde niet de praktijk van de leer. Hij geleek niet op die schriftgeleerden in Jezus' dagen van wie getuigd moest worden, dat zij de menschen belastten met lasten, zwaar om te dragen, maar die zij zelven niet aanraakten met ťťn hunner vingeren! (Luk. 11 : 46.) En hij deed het niet, omdat hij moest, gedwongen, uit vrees voor straf; neen, hij richtte zijn hart om de wet te doen. Hij had Gods Woord lief, hij kreeg het steeds liever, en al wat in hem was ging er naar uit om te doen hetgeen de God, dien hij beminde, gaarne wilde. En wat hangt hiervan veel af. Allereerst tegenover de wereld, die er op let, of onze woorden en daden wel overeenstemmen. En dan ook tegenover de geloovigen tot wie wij spreken. Hoe kunnen zij onze vermaningen aannemen, als wij niet in handel en wandel een voorbeeld zijn? Abraham leefde in godzaligheid en heiligheid, en bij God en menschen was zijn getuigenis goed. God noemt hem Zijn vriend, en de menschen behandelden hem met waardeering en hoogachting. Lot leefde naar het vleesch; hij strekte zich uit naar het aardsche; en hoe was zijn getuigenis? Ternauwernood kon God hem redden, als door het vuur, en de inwoners van Sodom behandelden hem met minachting. Mochten we ook in dit opzicht op Ezra gelijken.

En dan komt het derde. Ezra had zijn hart gericht Ö om in IsraŽl te leeren de inzettingen en de rechten. Dit laatste was een gevolg van het eerste. Iemand, wiens hart uitgaat naar Gods Woord en naar het doen van Gods wil, en die zelf daarvan de gezegende gevolgen ondervindt, wil ook graag anderen in dezen weg leiden. Heeft eenmaal iets mijn eigen warme belangstelling, dan valt het mij niet moeilijk, tot anderen met warmte er over te spreken. Doch daarbij is een goede gezindheid noodig. Van den Heer Jezus lezen we: Leert van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart." (Matth. 11 : 29.) Omdat Hij zulk een zachtmoedige en nederige Leermeester is, is het zoo gemakkelijk van Hem te leeren. Hoe dikwijls laat Hij ons twee-, drie-, en meermalen hetzelfde zeggen, als wij door onoplettendheid het in eenmaal niet begrijpen. Met hoeveel geduld onderwees Jezus Zijn discipelen, en legde Hij hun alles uit. Met hoeveel geduld houdt Hij Zich ook met ons bezig. Welnu, zůů, in die gezindheid, moeten wij ook leven, als wij anderen willen leeren. Daar is genade toe noodig, maar bij God is ze te vinden, We zien het bij Ezra. Met overleg, wijsheid, liefde en groote beslistheid is hij opgetreden en onder het volk werkzaam geweest. Mocht God ook in ons midden meer zulke mannen verwekken, aangegord door Gods kracht, en geleid door Zijn Geest, mannen met ijver en toewijding voor de zielen, mannen, die het hart gericht hebben om het heil der zielen te zoeken en anderen te leeren.

Ten gevolge nu van deze toewijding aan het Woord des Heeren en aan Zijn werk, was "de goede hand des Heeren" over Ezra. Dit blijkt uit vers 9 en 10. "Naar de goede hand zijns Gods over hem, want Ezra had zijn hart gericht, enz." Dat Gods hand zoo in alles ten goede over hem was, vond dus zijn oorzaak hierin, dat Ezra's hart in alles met God en Zijn wil was vervuld. Tevens blijkt uit het feit, dat hij naar de goede hand zijns Gods over hem al zijn verzoek van den koning kreeg, dat Ezra eerst, vůůr zijn optreden, met de behoeften zijns volks voor God had verkeerd. En zie, God geeft hem al zijn verzoek. "Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen, zegt de Heer." (Ps. 81 : 11.) Het gebed moet steeds aan den arbeid voorafgaan. Het was een zware taak, die hem wachtte, maar in het gebed vond hij sterkte. Hoe dikwijls wordt dit door ons vergeten! Hoe menigmaal trekt men aan den arbeid zonder eerst voor den Heer te hebben verkeerd! Ezra had behoefte aan de hulp des Heeren. Hij gevoelde de grootte van het werk en de nietigheid van zichzelf. Maar toen ook aarzelde hij niet; toen ook liet hij zich door niets terughouden, wetende, dat bij den Heer kracht en hulp te vinden waren; en in dat vertrouwen begon hij zijn verzoek bekend te maken, en aanvaardde hij weldra de taak. Want de koning gaf hem vrijheid om heen te gaan tot ordening van de geestelijke aangelegenheden van het volk te Jeruzalem, en overlaadde hem met al wat hij kon noodig hebben.

Merkwaardig is de brief, dien hij meekreeg! We doen goed, dien nauwkeurig te lezen. (Vs. 12-26.) We zien er uit, hoe wonderbaar God kan werken in het hart van een Heidenschen koning. We zien er tevens uit, hoe de overleggingen zijn in het hart van deze heerschers in PerziŽ. Zonder levendmakend geloof, bezaten zij een zekere godsvrucht. Hoewel zij zich "koning der koningen" noemden, omdat zij de wereldheerschappij hadden, erkenden zij echter toch den "God des hemels." Bij Arthasasta ging het evenwel verder. Hij erkende den God van Ezra, (Vs. 14.) den God van IsraŽl, (Vs. 15.) den God van Jeruzalem. (Vs. 19.) En hij gevoelde, dat hij handelen moest zooals hij deed, erkende dus zijn verantwoordelijkheid jegens dien God, opdat er geen groote toornigheid zou zijn over zijn koninkrijk en zijn kinderen. (Vs. 23.) Verder toonde hij veel vertrouwen in Ezra te stellen, want hij liet aan Ezra over om regeerders en richters aan te stellen over het volk aan gene zijde der rivier, omdat hij zeer goed wist, dat de godvreezende Ezra geen mannen zou aanstellen, die zich zouden verzetten tegen het koninklijk gezag, maar integendeel naar de wijsheid zijns Gods verstandige mannen zou kiezen. Hij wilde, dat deze man de onwetenden zou onderwijzen, want dat zou hem borg zijn voor het welzijn en voor den vrede van het koninkrijk. Hij verordende ten slotte strenge maatregelen tegen hen, die de wet van Ezra's God en van den koning niet zouden houden. (Vs. 26.)

Ezra zelf is vol dankbaarheid. Niets rekent hij zichzelf toe, maar alles zijn God. Hij gevoelt het, dat de Heer alles heeft gewerkt en welgemaakt. Mochten ook wij 's Heeren leiding opmerken, al is het te midden van veel droevigs! De Heer wil gebeden, maar ook gedankt zijn. Ezra riep uit: "Gelooft zij de Heer, de God onzer vaderen, die al zulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des Heeren, dat te Jeruzalem is, en heeft tot mij weldadigheid geneigd voor het aangezicht des konings! Zoo heb ik mij gesterkt, naar de hand des Heeren, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit IsraŽl vergaderd, om met mij op te trekken." (Vs. 27 en 28.) Ezra leefde in Gods tegenwoordigheid, en het gevolg was, dat hij ervoer, dat "de hand des Heeren over hem was": om hem te verhooren, (Vs. 6.) om hem te beschermen op reis, (Vs. 9.) om hem te sterken, (Vs. 28.) en om hem te redden van de hand des vijands. (Ezra 8 : 31.)