"Het wit aanschouwende."

 

De apostel Paulus verdedigt zich in 2 Kor. 12. Dit was geheel tegen zijn gewoonte. Wanneer het hemzelf betrof, deed hij het nooit; niemand was zachtmoediger en vergevensgezinder dan hij; slechts waar het den naam en de zaak van Christus gold, was diezelfde zachtmoedige man uiterst gestreng, en gaf hij niets toe. Paulus openbaarde dat ne groote beginsel van het ware Christendom, namelijk de algeheele terzijdestelling van het eigen-ik. Het eigen-ik komt in 't geheel niet meer in aanmerking, wanneer iemand in Christus is; het moet voor dood worden gehouden, en is dus geheel buiten rekening gesteld.

Paulus achtte het nooit de moeite waard, voor zichzelf en zijn eigen eer op te komen; hij had er een afkeer van; en waar het noodzakelijk was, om aan te toonen, dat de valsche leeraars volstrekt niet boven hem stonden, daar deed hij het met den grootsten tegenzin, en noemde zich een dwaas. Hij wist, dat al die vermeende voorrechten voor God verwerpelijk en tot niets nut waren, als behoorende tot "het oude," dat voor hem voorbijgegaan was. Hij kon daarom zeggen: "Ik acht alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heer."

Menigeen heeft gevraagd, hoe Paulus dit voortdurend, zijn gansche leven door, heeft kunnen volhouden; en het antwoord hierop is hoogst eenvoudig. Hijzelf geeft dit in zijn brief aan de Filippirs, als hij zegt: "Vergetende hetgeen achter is, jaag ik, het wit aanschouwende, (ziedaar het geheim!) naar den prijs der hemelsche roeping Gods in Christus Jezus." Hij vestigt zijn blik op n punt, op het wit, aan het einde der baan, dat is Christus in de heerlijkheid. Daardoor alleen was hij in staat gesteld, altijd even onvermoeid, even standvastig, maar ook altijd even gelukkig en verblijd zijn weg te bewandelen. Geen omstandigheden konden daarop invloed uitoefenen; integendeel, waar hij aan het einde van zijn leven als een oud man in de gevangenis te Rome zit, door allen verlaten, temidden van boosdoeners, is hij frisscher dan ooit en volstrekt niet ontmoedigd; zelfs vindt hij nog de kracht om anderen aan te sporen, toch vooral niet den moed te verliezen.

Ook kostte het hem geen moeite, alles prijs te geven voor Christus; hij zegt niet: Ik heb dit alles wel verdragen, maar het heeft mij ook heel wat strijd gekost; neen! hij spreekt er van als iets, dat vanzelf spreekt; hij vond in Christus zveel heerlijks, dat hij al het andere als vanzelf liet vallen. Zoo gaat het met een ieder, die den Heer Jezus heeft leeren kennen.

Het is als met een kind, dat een schadelijk voorwerp in de hand heeft; houdt men het iets schitterends, iets schoons voor, dan zal het dat andere vanzelf laten vallen of vrijwillig afstaan.

Waar het iemand moeite kost, datgene op te geven, wat hij tot nu toe heeft liefgehad, wat hem aangetrokken en bekoord heeft, daar is dit een bewijs, dat hij zijn oog niet gericht houdt op dat ne punt, waardoor Paulus alleen de kracht had om z te spreken en te handelen, en ondanks alle moeilijkheden en hinderpalen, lijden en smart, altijd vroolijk en onvermoeid te zijn.

Het helpt niet, al zegt iemand: ik zal trachten ook zoo te zijn als Paulus was, want daarmede is men het nog niet; of te zeggen: ik zal God bidden mij ook zoo te maken, want daarmede wordt men het nog niet. Het baat niet, al zou iemand de brieven van Paulus ook nog zoo dikwijls nalezen, ja, ze van buiten leeren, want daardoor heeft hij geen kracht om hem na te volgen. Alleen door, evenals Paulus, op de toekomst, op het einde der baan te zien, waar Jezus ons is voorgegaan, en ons in de heerlijkheid wacht, is het mogelijk te volharden.