De grondwaarheden van het Christendom.

 

De zondeval.

 

De eerste groote dwaalleer, die de duivel in de Gemeente ingang deed vinden, gold de aanranding van de Godheid van Christus. Het was de ketterij van het Arianisme, ontstaan in het Oosten.

De tweede groote dwaalleer vond daarna haar oorsprong in het Westen, en had betrekking op den toestand van den mensch na den val. Deze ketterij werd het Pelagianisme genoemd, omdat ze het eerst werd gepredikt door den Engelschen monnik, genaamd Pelagius.

Beide dwaalleeringen behelsden verkeerde, onschriftuurlijke voorstellingen: de eerste omtrent den Goddelijken Verlosser; de laatste omtrent den verloren zondaar.

Over de eerste spraken wij uitvoerig in een drietal artikelen; laat ons dus nu stilstaan bij de laatste, die, hoewel niet z ernstig als de eerste, omdat ze niet den Verlosser aantastte, toch een verderfelijke dwaalleer moet genoemd worden, omdat ze het werk van den Verlosser verkrachtte.

Pelagius begon met vast te stellen, dat de mensch in zichzelf de kracht bezit om den wil van God te doen, en den hoogsten trap van heiligheid te bereiken. Wel loochende hij de genade niet, maar hij beschouwde haar toch meer als een uitwendig middel om den mensch te brengen tot inspanning, dan dat zij een werking Gods en des Heiligen Geestes zou zijn, zonder welke de mensch niets kan verrichten. Deze dwaling had natuurlijk invloed op al zijn inzichten in betrekking tot de waarheid Gods. Zoodat hij er ten slotte toe kwam om te leeren, dat er eigenlijk geen zondeval was. Adam en Eva hadden wel het gebod Gods overtreden, en moesten daarom worden gestraft. Maar dit wilde niet zeggen, dat nu ook de gevolgen hunner zonde zich over hun geslacht uitstrekte. Integendeel - zoo beweerde hij - wordt de mensch thans geboren even onschuldig als Adam, toen God hem schiep. De mensch bezit dus tegenwoordig nog dezelfde zedelijke kracht en reinheid. En de mensch heeft derhalve "een zuiver vermogen om te kiezen tusschen goed en kwaad." Zie daar dan de verderfelijke leer van den "vrijen wil"! Een leer, die de grondslagen van het Christendom omverwerpt, omdat zij het hoofdbeginsel des Christendoms geheel verandert.

Gelukkig waakt de Heer over Zijn waarheid. De beroemde kerkvader Augustinus werd door God gebruikt, om de schriftuurlijke denkbeelden omtrent de leer van den zondigen toestand des menschen, en de leer der genade, te verbreiden. Zoodat de kerken gestadig streden, en met vrucht, tegen de leer van Pelagius. Nochtans is ze niet uitgeroeid, en bestaan haar verkeerde grondbeginselen nog heden. Vooral onder hen, die geen diepe overtuiging van zonde hebben gehad, of bij wie die overtuiging een gevolg was van grove, uitwendige zonden. Maar ook nu nog heeft de Heer Zijn dienaren, die Hij in Zijn wijsheid weet te gebruiken om "te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen overgeleverd;" om "de waarheid te betrachten (d.w.z. vast te houden) in liefde." Hoe vele belangrijke geschriften van broeders, die thans reeds bij den Heer zijn, zijn ons nagelaten, ook in betrekking tot de schriftuurlijke leer van den zondeval en tot de dwaalleer van den vrijen wil! Geve onze God ons genade, om ijverig de Schrift te onderzoeken, aan de hand der onderwijzingen, die Hij ons heeft gegeven en geeft, opdat wij "in de kennis der waarheid wandelen," en de "waarheid, die in Christus Jezus is," hooghouden, en wij alzoo onzen weg gaan door dit leven als verlosten, niet alleen in heiliging des Geestes, maar ook in geloof der waarheid!"

Het is gelukkig, dat wij bij elken geloofstwist een toetssteen hebben, namelijk het Woord van God. Indien de menschelijke rede er over beslissen moest, zou men aan geen einde komen. Maar het Woord van God is het hoogste beroep; het geeft het beslissende antwoord. Natuurlijk zijn hierbij twee dingen noodzakelijk: 1e men moet het gezag van Gods Woord erkennen, en 2e men moet al zijn eigen gedachten willen gevangen geven aan de gehoorzaamheid des Woords. Erken ik den Bijbel niet als het ingegeven Woord Gods, als de autoriteit bezittende stem des Heeren, als het eind van alle tegenspraak, dan is alle spreken over de Christelijke leer vruchteloos, want een ieder kan dan zijn eigen meening verdedigen. En buig ik mij niet onvoorwaardelijk voor de duidelijke uitspraken der Schrift, dan is eveneens alle onderzoek tevergeefs, want dan houd ik a priori vast aan de eenmaal door mij gekoesterde gedachten, of aan de eenmaal in mijn brein vastgestelde waarheid. Doch worden deze twee dingen bij ons gevonden: de erkenning van het gezag van Gods Woord, en de geneigdheid om er zich onvoorwaardelijk voor te buigen, dan worden we nooit in den steek gelaten. O, dat bij alle geloovigen deze gezindheid aanwezig ware! En enkele regel van Gods Woord, in overeenstemming met hetgeen het Woord elders zegt, behoort voor ons voldoende te zijn. Voor den leeraar, voor den evangelist, ja, voor den Christen in het algemeen behoort het Woord de eenige en afdoende bewijsgrond te zijn. Als Schriftgeloovigen moeten wij ons zoowel onder elkander openbaren, als ook tegenover onze tegenpartijders. Zonder uitzondering staande op het standpunt des geloofs!

Wat zegt nu de Schrift over den zondeval en den zoogenaamden vrijen wil?

Laat mij beginnen met het woord aan een ander [1] te geven.

"Wat mij betreft, ik zie in de Schrift, en ik erken in mijzelf, den volkomen val van den mensch. Ik zie, dat het kruis het einde is van alle middelen, die God gebruikt heeft, om het hart van den mensch te winnen, zoodat het onwedersprekelijk bewijst, dat het menschelijk hart niet te winnen is. God heeft al Zijn middelen uitgeput; en de mensch heeft getoond, dat hij onverbeterlijk slecht is. Het kruis van Christus veroordeelt den mensch. Daar deze veroordeeling evenwel heeft plaats gehad, doordien een ander, die ze niet verdiende, haar heeft ondergaan, zoo is zij de algeheele verlossing van allen, die gelooven. Voor ons, die gelooven, ligt het oordeel, de bezoldiging der zonde, achter ons; het leven door de opstanding is er het gevolg van. Wij zijn der zonde gestorven, en Gode levend geworden in Christus Jezus, onzen Heer. Het woord verlossing verliest zijn kracht, indien men de meening vasthoudt omtrent de verbetering der oude natuur. Dit laatste is geen verlossing door het volbrachte werk van een ander. Het Christendom leert den dood van den ouden mensch en zijn rechtvaardige veroordeeling; en daarna de verlossing, door Christus teweeggebracht, en een nieuw leven, het eeuwige leven, uit den hemel neergedaald in Zijn persoon, hetwelk aan ons wordt medegedeeld, als Christus door het Woord woning in ons komt maken. De Pelagianen beweren, dat de mensch kan kiezen, en dat zoodoende de oude mensch verbeterd wordt door de zaak, die hij heeft aangenomen. De eerste stap wordt gedaan zonder de genade; en het is de eerste stap, waarop hier alles aankomt!"

Doch zien wij thans zelf, wat de Schrift ons leert.

In het Oude Testament vinden wij reeds in duidelijke bewoordingen sprake van den verloren toestand des menschen. In Gen. 6 : 5 lezen wij namelijk, hoe God oordeelt over de gevallen menschelijke natuur. "En de Heer zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was." God kon dus in den mensch niets vinden dan boosheid. De verzen 11-13 bevestigen het zoo even uit vers 5 genoemde. We lezen daar: "De aarde was verdorven voor Gods aangezicht, vervuld met wrevel," -- dus was "de boosheid des menschen menigvuldig;" maar ook: "Al het vleesch had zijn weg verdorven op de aarde; daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vleesch is voor Mijn aangezicht gekomen," - dus was "al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos."

Alle vleesch had zijn weg verdorven. Niet sommig vleesch. Dat is Gods oordeel over de zondige natuur van den mensch. Maar tegelijk met het oordeel toont God Zijn genade. "Noach vond genade in de oogen des Heeren." Zijn souvereine genade voorziet in een ark der behoudenis, en Hij redt er den geoordeelden mensch door. Natuurlijk zou Noach niet behouden zijn geworden, als hij de uitnoodiging: "Ga gij, en uw gansche huis, in de ark!" in den wind had geslagen. Maar het was alleen genade, dat er een ark werd gebouwd, genade, dat Noach werd uitgenoodigd er in te gaan, en ook genade, dat hij er inging. De ark wijst ons op het kruis. Daar werd op volmaakte wijze Gods oordeel geveld over de menschelijke natuur, maar tegelijkertijd de genade geopenbaard in al haar volheid en reddende kracht.

In het Nieuwe Testament wordt dan ook de leer van zondeval en genade in den breede uiteengezet.

Nemen wij bij voorbeeld Rom. 5 : 6-10. Wij lezen daar, dat wij (dat zijn allen, die nu gelooven in Christus) eertijds krachteloos waren, goddeloos, zondaars, vijanden. Reeds te voren had de apostel er uitvoerig op gewezen, dat de mensch geheel en al verdorven is, zoodat de geheele wereld verdoemelijk is voor God. En nu hij over Gods groote liefde gaat spreken, geopenbaard in den dood van Christus tot heil van het verlorene, herinnert hij er aan, hoe geheel en al verloren wij daar lagen. Zondaars, want wij hadden Gods geboden en inzettingen overtreden, en waren Zijn wil ongehoorzaam geweest. Vijanden, want wij hadden ons ook in booze gezindheid geopenbaard jegens onzen goeden en goeddoenden Schepper. Goddeloozen, want wij waren zonder hoop en zonder God in deze wereld; wij keerden ons een iegelijk naar onzen eigen weg, los van God. Krachteloozen, want wij vermochten het goede niet te doen. - Om dit te bewijzen, heeft God de wet gegeven. Adam en Eva waren overtreders, want zij overtraden een gebod, en zondigden daarin tegen God. Van Adam tot Mozes waren er geen geboden, zoodat de menschen, die toen leefden, niet gezondigd hebben in de gelijkheid der overtreding van Adam. (Rom. 5 : 13 en 14.) Toch heerschte de dood als bezoldiging der zonde, omdat de menschen zondigden tegen God, al overtraden ze geen uitdrukkelijk gegeven bevel. Maar opdat de zonde ook als overtreding zou worden toegerekend, en het ten duidelijkste blijken zou, dat de mensch niet alleen slecht en verdorven is, maar ook onbekwaam tot eenig goed, gaf God de wet. Onder deze wet stelde God den mensch op een lange proef. Doch het bleek, dat de mensch geen kracht bezat, om zich aan zijn treurigen toestand als zondaar te ontworstelen. Daarom is Christus, toen wij nog krachteloos waren, te rechter tijd voor goddeloozen gestorven. Er was ten volle bewezen, dat de mensch geen kracht had om iets goeds te doen, om n enkelen stap te zetten in de goede richting. Daarom kwam Christus, om hem, den verlorene, te redden. Christus zag den ellendige liggen, en eischte nu niet eenige tegemoetkoming van hem, maar daalde neer tot in de diepte, waarin hij verzonken lag, om hem daaruit op te heffen en te behouden. Hoe diep vernederend voor ons! Maar tevens: hoe heilzaam om deze waarheid Gods te kennen! Het houdt ons nederig. Het doet ons de grootte der reddende genade Gods kennen. Het brengt ons in aanbidding op de knien. Voor zulke menschen, zoo geheel en al verloren, stierf Christus. Want Hij stierf, toen wij nog zondaars waren. Het duidelijkste bewijs van onzen verloren toestand, maar ook van Gods genadige liefde!

Kiezen wij een ander voorbeeld: 2 Kor. 5 : 14. "Want de liefde van Christus dringt ons," zoo lezen wij er, daar wij aldus oordeelen, dat, indien n voor allen gestorven is, allen dan gestorven zijn." Doordat er n, die zonder zonde was, voor allen stierf, is het bewijs geleverd, dat allen gestorven zijn, dat is: geestelijk dood. Adam viel, in de gunstigste omstandigheden; en door de misdaad van dien nen zijn de velen, die met hem als hun stamhoofd verbonden zijn, gestorven. Maar de tweede mensch kwam, Christus, en Hij viel niet. Integendeel, in de ongunstigste omstandigheden wees Hij den duivel met Gods Woord al, en Hij was gehoorzaam tot den dood, hoewel Hij dien niet verdiend had. Hij vroeg in alles niet naar Zijn eigen wil, maar naar den wil des Vaders. De eerste mensch verhief zich. De tweede vernederde Zich tot in den dood des kruises, en bracht daardoor voor de velen, die met Hem door het geloof verbonden zijn, de genade Gods en de gave in genade aan. Maar Hij bewees dan ook door dezen dood, dat alle menschen gestorven zijn, dat is: geestelijk dood.

Nemen wij ten slotte nog Ef. 2 : 1-5. Daar is eveneens niet alleen sprake van 's menschen zedelijk verval, maar zelfs van zijn "dood." "En u, toen gij dood waart in uwe misdaden en zonden, toen ook wij dood waren in de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus." De mensch is derhalve niet slechts krachteloos, goddeloos, een zondaar, een vijand, dus zedelijk verdorven, maar ook zedelijk dood. En de zedelijke dood is erger dan de natuurlijke, want hij is de bron van de schrikkelijkste boosheid, gelijk we lezen: "Waarin gij eens wandeldet naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de zonen der ongehoorzaamheid, onder welke ook wij allen eertijds wandelden in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, evenals de anderen." Welk een toestand! En welk een weerlegging van den hooggeroemden vrijen wil om zelf te kiezen tusschen goed en kwaad! De mensch is een zondaar, staat onder den invloed van demonen, en is een slaaf van Satan. Ja, hij, die er op pocht, dat hij niet alleen de bekwaamheid bezit om te onderscheiden hetgeen waarlijk goed is, maar ook de kracht om dit goede te willen en te volbrengen; hij, die zoo gaarne er zich op beroemt, dat hij een eigen meening heeft, dat hij onafhankelijk is, dat hij genoegzaam op de hoogte is om voor zichzelf een keus te doen in geestelijke dingen; hij wordt voortgedreven volgens de eeuw dezer wereld, hij denkt door den geest van Satan. Het spreekt wel vanzelf, dat er onder de menschen een groot onderscheid is in geaardheid en openbaring. Er zijn er met een beminnelijk en met een slecht karakter. Er zijn er, die welwillend en zedelijk zich openbaren, terwijl anderen in ruwheid en openbare goddeloosheid leven. Doch dit verandert niets aan het feit, dat allen "den wil des vleesches en der gedachten doen." De mensch van nature vraagt niet naar Gods wil. De slechte leeft naar zijn booze lusten, en de goede handelt misschien door zijn gevoelig hart, door zijn lust tot reinheid, enz., maar hij doet dit niet om Gods wil te volbrengen; hij dnkt daaraan niet eens! De mensch vraagt naar hetgeen zijn vleesch wil, in welke richting dan ook; en hij handelt overeenkomstig zijn eigen gedachten.

Droevige geschiedenis des menschen!

Adam leefde in een heerlijk Paradijs. En God wilde zijn geluk nog verhoogen, door hem in staat te stellen gehoorzaamheid te toonen. We weten allen uit ervaring, hoe gelukkig het gevoel van gehoorzaamheid maakt; gelukkiger dan de heerlijkste bezittingen. Maar Adam, die vrij was, misbruikte zijn wil. Hij overtrad Gods gebod. Hij werd een zondaar. En zoodra hij de afhankelijkheid van God verloor, werd hij een dienstknecht der zonde. Thans heeft hij een wil en begeerlijkheden, die hem leiden tot al wat kwaad is. En zooals Adam is, is heel zijn geslacht. God verhindert niemand, om het goede te doen. Integendeel, Hij heeft hem op allerlei wijze in de gelegenheid gesteld, dit te doen, en doet dit nog; maar de mensch wil niet komen. De mensch is onder de heerschappij der zonde. Hij is er een slaaf van, willens een slaaf. En hij kan onmogelijk zijn toestand verlaten en het goede zoeken. Het vleesch onderwerpt zich aan de wet Gods niet, want het kan ook niet; en die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God. (Rom. 8 : 7 en 8.) En hiermede zijn wij gekomen tot den grond der kwestie, waarop we ook in het begin reeds hebben gewezen.: Men wil den ouden mensch veranderen, onderwijzen, heiligen. De mensch moet zoo zegt men - hersteld worden in zijn positie als een kind van God. Velen, ook in onze dagen, zooals de Methodisten, leeren zulks. Onder hen zijn ware geloovigen. Huns ondanks, hebben dezen persoonlijk erkend, verloren te zijn en te moeten worden verlost door Christus. Maar hun leer verwerpt eigenlijk de ware verlossing. Want ware verlossing is niet een verandering van iets ouds, maar een ontvangen van iets geheel nieuws. En dit laatste leert de Schrift. Die predikt een geheel nieuwe natuur, terwijl de oude heeft afgedaan en onverbeterlijk slecht is gebleken. Want alles wat Hij aanwendde om invloed op het hart van den mensch uit te oefenen, diende nergens anders toe, dan om aan het licht te brengen, dat de mensch van dit alles niets wil weten; dat zijn hart z bedorven is, en zijn wil z beslist tegen Gods wil overstaat, dat niets hem bewegen kan, om de zonde vaarwel te zeggen en Gods wil te volbrengen.

Of er dan voor hem nog behoudenis is? Zeer zeker. Maar niet door zijn eigen wil. Nu hij de zonde koos, nu bij viel en een slaaf der zonde werd, nu is hij verloren. Het woord "verloren" sluit elke gedachte aan eigen kunnen geheel buiten. En zie, nu komt de redding! "De Zoon des menschen is gekomen, om het verlorene te zoeken en te behouden." De oude mensch geheel verdorven, maar in Christus wordt de mensch een nieuwe schepping. Een geheel nieuwe natuur wordt hij deelachtig.

Doch heeft de mensch dan niets te doen? Hij heeft toch ook een verantwoordelijkheid? Zeer zeker. Maar deze verantwoordelijkheid bestaat hierin, dat hij heeft te erkennen als waarachtig het Goddelijk oordeel, over zijn natuur uitgesproken; om dan aan te nemen hetgeen God deed om den mensch te redden uit zijn verloren toestand. Hoe vernederend het ook voor hem is, hij heeft dus, bij de donkere schildering, die God ons geeft van den mensch, te zeggen: "Ziedaar mijn beeld: ziedaar wat ik deed en ben!'' Dat is bekeering. "Indien wij de getuigenis der menschen aannemen, de getuigenis van God is meerder." God getuigt, dat de zondaar verloren is. Die dit erkent, beeft voor God, en roept uit: "O God, wees mij, zondaar, genadig!" En dan wijst God op de overgave van Zijn Zoon, "opdat een iegelijk, die gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." De behoudenis is dus door het geloof, niet door willen of kiezen of doen. "Bekeert u en gelooft het Evangelie." Door Gods genade komt het Woord tot mij. Ik erken, dat God waarheid van mij spreekt. Ik wend mij tot Hem om mij te verootmoedigen, en ik neem geloovig aan, hetgeen Jezus deed om mij te verlossen. Ziedaar mijn verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid van den ernstigsten aard.

De menschen hebben echter de duisternis liever gehad dan het licht. Waarom? Om voort te kunnen gaan met zonde te bedrijven. Het is niet zoo, dat zij geen vergiffenis kunnen vinden. Neen, de Goddelijke liefde in Christus is heerlijk tentoongespreid in deze wereld. Maar het is zoo, dat zij niet willen erkennen, dat zij verloren zijn, en niet door het geloof alleen willen gered worden. En daarom zal God hen oordeelen naar hunne werken! O, mochten toch nog velen zich buigen voor de vernederende uitspraak der Schrift omtrent onze natuur, omtrent den zondeval, en het standpunt innemen van verloren zondaars voor God, die uit genade door Christus behouden worden! God zal dan de zoodanigen zegenen met al wat de Heiland voor verlorenen heeft aangebracht!


[1] J.N. Darby