Welbehagelijke offeranden.

Weldadigheid en mededeelzaamheid zijn twee belangrijke dingen. Ze behooren bij gebed en dankzegging.

De IsraŽliet, die voor Gods aangezicht verscheen bij gelegenheid van des Heeren feesten, moest niet alleen dankbaar en vroolijk zijn, maar ook aan anderen gedenken. Daartoe moest hij niet ledig verschijnen voor het aangezicht des Heeren. Een ieder moest brengen van de gave zijner hand, naar den zegen des Heeren huns Gods, dien Hij hun gegeven had. (Deut. XVI.)

En op welke wijze moest hij dit doen? Hij moest tot God naderen met de eerstelingen van alle vrucht van zijn land, en voorts: "Wanneer gij zult geŽindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen in het derde jaar, dan zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe geven, dat zij in uwe poorten eten en verzadigd worden." (Deut. XXVI : 12.)

Merkwaardig, dat hier de wees en de weduwe worden gelijkgesteld met den Leviet. De Leviet was toch niet als arme te beschouwen, maar als dienaar des Heeren. Maar er blijkt uit, hoe God wil, dat niet alleen voor de armen, maar ook voor de arbeiders wordt gezorgd. Want de Leviet verpersoonlijkt thans hen, die arbeiden in het Evangelie.

In 1 Kor. IX en 2 Kor. IX spreekt Paulus over mededeelzaamheid jegens den dienaar des Heeren, en over weldadigheid jegens behoeftige heiligen.

"Weet gij niet, dat zij, die het heilige bedienen, van den tempel eten? dat zij, die steeds bij het altaar zijn, met het altaar deelen? Zoo heeft ook de Heer verordend voor hen, die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven." (1 Kor. IX : 13 en 14.)

"Doch die den zaaier zaad verleent, en brood tot spijze, zal u het zaad verleenen en vermenigvuldigen, en de vruchten uwer gerechtigheid doen wassen; zoodat gij in alles rijk wordt tot alle liefdadigheid, die door ons dankzegging werkt aan God. Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God." (2 Kor. IX : 10-12.)

't Is, helaas! waar, dat de geloovigen zoo dikwijls deze gewichtige waarheden vergeten, vooral die in betrekking tot de arbeiders des Heeren.

De groote apostel Paulus gaf aan de arbeiders zelve een heerlijk voorbeeld; hij maakte voor zichzelf van geen der dingen gebruik, waarvan hij volgens recht en Goddelijke orde had kunnen gebruik maken; liever arbeidde hij met zijn eigen handen om in zijn onderhoud te voorzien, dan later van de KorinthiŽrs verwijten te hooren, die zijn invloed zouden verzwakt hebben.

Doch het aldus handelen van den arbeider, hetzij door den Geest des Heeren geleid, hetzij, dat God er hem toe in staat stelt op andere wijze, neemt nooit de verplichting en het voorrecht der geloovigen weg om van het hunne mede te deelen aan hen, die zich wijden aan het Evangelie. Door dit te doen, kan men daadwerkelijk deelnemen aan het werk des Heeren.

Hoe menigeen laat den gelegen tijd in dit opzicht voorbijgaan! De Heer wil van ons zelf-opoffering, opdat onze gebeden kracht hebben, opdat wij zelf gezegend worden. "De zegenende ziel zal vet gemaakt worden, en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden." (Spr. 11:25.)

Deze zaak behoeft slechts genoemd te worden - ik ben er overtuigd van - om, vooral met het oog op den uitgestrekten arbeid in verre landen, een overvloedig antwoord te bewerken. Maar laat ons niet vergeten, dat God niet nu en dan een bijzondere gave wenscht, door vermaning of opwekking afgezonderd, maar dat Hem welbehagelijk is een geregelde, volhardende gewoonte van geven. "GEEFT, en u zal gegeven worden: een goede, ingedrukte, en geschudde, en overloopende maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gij meet, zal u wederqemeten worden." (Luk. VI:38.)

Laat ieder onzer toezien, of wij aan dit beginsel Gods getrouw zijn. We weten, hoeveel waarde de penningskens van de weduwe voor den Heer hadden. Ieder geloovige mag en kan medearbeiden aan het "huis Gods." Bij den tabernakel lezen we, dat elk getelde in IsraŽl een halven sikkel moest betalen. "De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal het niet verminderen." (Ex. XXX:15.) De bedoeling des Heeren was, dat er een zekere gelijkheid zou zijn tegenover den dienst des Heeren. Hetgeen natuurlijk niet wegneemt, dat overigens een ieder weldadig en ook mededeelzaam heeft te zijn naar vermogen.

Ontleend aan een stukje van W. J. Lowe.