De geopende hemelen. [1]

Gedachten over den brief aan de Hebrers

door J. G. BELLETT.

Hoofdstuk XIII.

Het is een kenmerk van al de brieven van Paulus, dat ze beginnen met leeringen en eindigen met vermaningen. Zoo ook hier.

"De broederliefde blijve." Een broeder kan een vreemdeling zijn. Welnu: "Vergeet de gastvrijheid niet." En om hen aan te sporen tot de vervulling van dien plicht, worden zij er aan herinnerd, dat sommigen van hun eigen volk, zonder het te weten, engelen hebben gehuisvest. Vervolgens: "Gedenkt der gevangenen," en als aanmoediging: "als waart gij medegevangenen." Neemt uw plaats in, in het lichaam van Christus, als Zijn gevangenen; geen gevangenen naar het lichaam, maar gevangenen in den geest.

Wij zijn leden van het lichaam, en moeten dus met elkander mede lijden. Als de apostel spreekt over het lijden om Christus' wil, dan beroept hij zich op ons geestelijk bestaan; als hij spreekt over het "kwalijk behandeld worden," (vers 3) dan beroept hij zich op het natuurlijk leven, "als zijnde ook zelve in een lichaam."

Daarna volgt de vermaning om rein en kuisch te zijn; ook niet aan de wereld gelijk, want: "uw wandel zij zonder geldgierigheid, en vergenoegt u met het tegenwoordige." Zoekt niet met elken dag uw rijkdom te vergrooten! In vers 5 spreekt de Heer in betrekking tot deze dingen tot ons, en in vers 6 vinden wij een antwoord daarop. Dat is het antwoord, t welk het geloof geeft op de genade - het antwoord van het hart des geloovigen aan het hart van God.

Dan worden wij vermaand onderworpen te zijn. "Gedenkt uwer voorgangers." Niet een blindelings volgen, zooals de heidenen de stomme afgoden volgen. (1 Kor. XII : 2.) Neen, wij moeten niet blindelings, maar met verstand en inzicht volgen. "Niemand kan zeggen: Heer Jezus, dan door den Heiligen Geest." Wij zijn levende steenen van een levenden tempel. Wij zullen "beschouwen de uitkomst van hunnen wandel." Zij zijn gestorven in het geloof; in hetzelfde geloof, dat zij gepredikt hebben.

In vers 8 komt de apostel op een gansch ander onderwerp, en wij kunnen dat 8e vers, uit n oogpunt bezien, wel het motto van den brief noemen. Wat ik bedoel, is dit: de Geest van God heeft in dezen brief verschillende voorwerpen achtereenvolgens vr ons gesteld, voor ons oog, om zoo te spreken, voorbij laten gaan: de engelen, Mozes, Jozua, Aron, het oude Verbond, het altaar en zijn offers, en stelt nu dit alles terzijde om Christus te laten zien. O, hoe ons hart daarmee instemt! Met innige vreugde, en van ganscher harte zeggen wij hier Amen op.

Ja, laat alle dingen wijken en plaats maken voor Christus! En als Christus eenmaal in uw gedachtenkring is ingevoerd, laat Hem dan niet los voor eenig ding! Dat is, om zoo te zeggen, de inhoud van vers 8. Hier staren wij een oogenblik op het voorwerp van dezen brief: "Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid." Alles is terzijde gesteld om plaats te maken voor Hem.

En nu? Blijft in Hem, ook waar uw voorgangers heengingen. Houdt Hem voor oogen. Voorwaar, een gezegend besluit van het onderwijs, dat deze brief ons geeft!

Dan komt er nog een toevoegsel, geheel hierbij passende: "Laat u niet vervoeren door verscheidene en vreemde leeringen," tot leeringen, die vreemd zijn aan Christus. Gij hebt alles ontvangen in Christus; blijft dicht bij Hem. Indien Christus het voorwerp van mijn godsdienst is, dan sta ik op den grondslag der genade. "Het is goed, dat het hart gesterkt worde door genade." De Heer wordt vr ons gesteld als het middelpunt, om zoo te zeggen, van onzen dienst, en die dienst is een godsdienst, die niet dan genade voor den armen zondaar brengt. En lees nu het 9e vers niet z, alsof op eenigerlei wijze uw hart door spijzen zou kunnen worden gesterkt. Neen, de zin is, dat de spijzen in 't geheel geen nut doen, zooals ook blijkt uit een andere Schriftuurplaats, waar gesproken wordt over: "Raak niet en smaak niet en roer niet aan." Zij brengen u geen voordeel noch eer aan. Al hebt gij nog zooveel godsdienstige neigingen in dit opzicht, in Kol. II vernemen wij, dat zij geen nut en geen voordeel hebben, maar tot verzadiging des vleesches dienen. Zoodra evenwel de Heer wordt ingevoerd, wordt mijn hart door genade gesterkt. Hebt gij wel eens opgemerkt, dat van alle godsdiensten op aarde alleen de godsdienst, die Goddelijk is, de genade tot grondslag heeft? Dit wordt hier op treffende wijze voorgesteld. "Laat u niet vervoeren door leeringen, vreemd aan Christus. Wij hebben een altaar." Wat is het altaar van deze bedeeling? Het is een altaar alleen voor brandoffers - een altaar der dankzegging. De Joden hadden een altaar voor zondoffers. Zulk een altaar hebben wij niet. Christus heeft Zich op het zondofferaltaar geofferd, en nu mogen wij als priesters een altaar der dankzegging bedienen. Wij gedenken er aan, dat het Lam Gods Zijn bloed gestort heeft, en wij komen nu tot ons altaar, tot het kruis, in de bewustheid, dat de zonden zijn verzoend, uitgedelgd, geworpen in een zee van eeuwige vergetelheid, en op dit ons altaar brengen wij voortdurend onze offers van lof- en dankzegging. Maar zij, die terugkeeren tot den dienst des tabernakels, hebben geen recht, geen bevoegdheid om als priesters te staan aan het altaar der tegenwoordige bedeeling.

Vele lieve, geloovige zielen worstelen in een wettischgezinden geest, hetgeen weer geheel iets anders is dan hetgeen de Galatirs deden, die iets in de plaats van Christus wilden stellen, die als het ware een steun onder Hem wilden plaatsen. De Geest Gods twist niet in dezen brief met die arme, worstelende zielen, maar leert ons, dat, indien iemand in dezen tijd een zondoffer wil brengen, en niet zijn altaar bewaart voor dankoffers, hij het offer van den Zoon van God niet acht, en daardoor te kennen geeft, dat het offer van Christus niet voldoende is.

Nadat wij alzoo tot het altaar, en ook binnen het heiligdom zijn gevoerd, wordt ons gezegd, dat wij "buiten de legerplaats" behooren. Jezus werd door God opgenomen in het heiligdom, doch door de menschen "buiten de legerplaats" gebracht. Onze plaats is bij Christus, zoowel in de eene als in de andere plaats. Dit is het, waar deze bedeeling ons stelt; en indien ooit aan een schepsel van God een zedelijke heerlijkheid geschonken is, dan is het wel de heerlijkheid, die nu ons deel is. Buiten de legerplaats, Zijnen smaad dragende! Zijn de engelen zoo bevoorrecht? Heeft Hij ooit tot hen gezegd: "Gij zijt met mij gebleven in al mijne verzoekingen?" Engelen zijn nimmer verwaardigd om deel te hebben aan Zijn lijden. Nooit heeft Hij aan engelen zulk een eer bewezen als aan ons. Daarom zal de Gemeente in de toekomst nader bij den troon zijn dan de engelen. "Wij hebben hier geen blijvende stad." Christus had er ook geen. Maar in de toekomst!

Wij zien in vers 16 weder iets schoons, een ander soort van dienst voor uw altaar. "Vergeet de weldadigheid en mededeelzaamheid niet." In andere Schriften vinden wij, dat, hoe meer vreugde wij in God hebben, wij een der te ruimer hart voor anderen zullen hebben. Door blijdschap wordt het hart ruimer. In Nehemia VIII:11 lezen wij, dat de profeet tot het volk zegt: "Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt deelen dengenen voor welke niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zoo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren, die is uwe sterkte Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om deelen te zenden, en om groote blijdschap te maken." Iemand, die zelf gelukkig is, kan om zich heen zien, ten einde anderen te zoeken en ze ook gelukkig te maken.

Hierna spreekt de apostel van mannen, die toen nog voorgangers waren. De voorgangers van vers 7 waren zij, die gestorven waren. "Weest uwen voorgangeren gehoorzaam, en weest hun onderdanig." Wederom zou ik kunnen vragen: wordt hier blinde gehoorzaamheid bedoeld? Ganschelijk niet, maar wij zullen op onze voorgangers, acht geven, want zij waken over onze zielen. Een ambt zonder kracht, zonder de zalving des Heiligen Geestes, is een zaak, die in de Christelijke bedeeling niet bekend is; en indien wij ze toch wel kennen, dan komt dit daarvandaan, dat alles, wat God den mensch heeft toevertrouwd, door den mensch bedorven is. Het behoort tot de trouw aan God, de waarheid zuiver te bewaren, en louter uitwendig gezag, zonder de zalving van Boven, is als een afgod.

En nu hooren wij, hoe deze Paulus, dit door den Heiligen Geest uitverkoren vat, deze man, die meer dan iemand anders in Gods naam gediend beeft, tot deze zwakke geloovigen komt met zijn verzoek: "Bidt voor ons!" En hij vraagt dit op grond van een goed geweten. Zouden wij ooit een ander kunnen vragen voor ons te bidden, als ons geweten ons beschuldigt? Neen, dat zou zeker niet mogelijk zijn. En hier vraagt de apostel de voorbidding, omdat hij een goed geweten heeft. Dan geeft hij ook een onderwerp aan voor hun gebed. O, welk een vertrouwelijkheid openbaart zich in de Schrift! Zij rukt ons ook niet buiten den kring onzer gevoelens en genegenheden, maar leert ons, hoe wij die op een Gode welgevallige wijze kunnen openbaren.

In het 20ste vers van ons hoofdstuk vinden wij iets anders dan in het vroeger besprokene. Wij zien den Heer hier als den Opgestane, niet als Dengene, die ten hemel gevaren is. Het groote onderwerp van dezen brief is, zooals wij van het begin af tot hiertoe gezien hebben: de ontplooiing der heerlijkheden van Christus in den hemel; maar hier gaat de apostel niet verder dan tot de opstanding. Waarom zou dat zijn? Waarom stelt hij aan het einde van zijn brief Christus niet in den hemel voor? Tot nu toe heeft hij onzen blik steeds naar boven gericht, tot Hem in den hemel, en nu, aan het einde, brengt hij als het ware dienzelfden Jezus op aarde terug. O, hoe kostbaar is het, te weten, dat wij niet behoeven te gaan door dood en opstanding, om met den God des vredes in aanraking te komen! Wij zijn in verbinding gebracht met den God des vredes, zoodra wij tot den God der opstanding zijn gekomen. De opstanding bewijst, dat de dood tenietgedaan is. De dood is de bezoldiging der zonde, en indien de dood tenietgedaan is, is ook de zonde tenietgedaan, want de dood vergezelt de zonde, gelijk de schaduw een persoon; verdwijnt de persoon, dan verdwijnt ook vanzelf de schaduw.

Het verbond wordt "eeuwig" genoemd, omdat het nimmer wordt vernietigd. Het oude verbond werd weggedaan; het nieuwe is altijd nieuw, nooit verouderd. Het bloed heeft in onze dagen dezelfde kracht om vrede aan het geweten te geven, als op het oogenblik toen het den voorhang scheurde. Aldus zien wij, dat wij, hier beneden wandelende, in alle eenvoudigheid gemeenschap kunnen hebben met den God des vredes, die den grooten Herder der schapen uit de dooden wederbracht door het bloed des eeuwigen verbonds, dat de vergeving onzer zonden voor eeuwig bewerkt heeft. Wij mogen de zonden vergeten. In n opzicht zullen wij ze altijd gedenken; hoe zouden wij ooit kunnen vergeten, wie wij vroeger geweest zijn, en wat het onzen Heiland gekost heeft ons te verlossen; maar ten opzichte van onze betrekking tegenover God mogen wij ze voor altijd vergeten.

Ten slotte bidt de apostel, dat God ons moge volmaken tot het doen van Zijnen wil, werkende in ons, wat Hem welbehagelijk is. O, hoe achterlijk zijn wij nog in betrekking tot hetgeen in dit vers ons toegebeden wordt! Wij leven dikwerf nog zoo weinig in die dingen, waarin wij ons geheel thuis moesten gevoelen.

De brief sluit met eenige woorden over algemeene zaken tot de broeders, en de heerlijke bede: "De genade zij met u allen, Amen."


[1] Wij hebben in den vorigen jaargang onder bovenstaanden titel een beschouwing gegeven over de eerste twaalf hoofdstukken van den brief aan de Hebrers. De schrijver heeft daarin op heerlijke wijze onze aandacht gevestigd op de voortreffelijke schoonheid des Heeren Jezus, en ons als het ware telkens een blik doen slaan in de geopende hemelen.
Wij zijn thans aan het slot van den brief aan de Hebrers gekomen, en, gelijk bij elken brief van den apostel, vinden wij aan het slot eenige bijzonderheden, vermaningen, enz. Moge ook de overdenking hiervan ons tot veel zegen zijn!