Groeien.

Een van de zichtbaarste teekenen der gezonde ontwikkeling van een kind is, dat het uit zijn kleertjes groeit. In het geestelijk leven is het niet anders. Wij lezen in 2 Thess. I:3, hoe Paulus zich verheugde en God dankte, omdat het geloof der broeders zeer wies.

Het wassen of groeien kan op tweerlei wijze, in twee richtingen plaats hebben, namelijk op een goede of op een verkeerde wijze.

Wanneer wij in eigengerechtigheid, zelfvertrouwen, eigenliefde, of onder den eenen of anderen vorm ons eigen ik zoeken, kunnen wij er van verzekerd zijn, dat onze wasdom niet de ware is. De eenige weg, waarop een kind van God werkelijk groeien kan, is die, welke ons wordt aangegeven in Ef. IV:15: "Laat ons opwassen tot Hem die het hoofd is, Christus." Dat is de eenige zekere grond, waarop het geestelijk leven gedijen kan.

Een Christen, bij wien zich weinig geestelijk leven toont, is als een verlamd lid aan het lichaam van Christus. Er wordt over 't algemeen wel veel gesproken over rechtvaardigmaking en heiligmaking, maar men ontmoet telkens weer bekeerden, die schijnen te denken, dat zij van beide als door een grooten slagboom gescheiden zijn, dien zij op de eene of andere wonderbare wijze moeten overspringen, overklimmen of uit den weg ruimen. Dat iets dergelijks niet geschieden zal, noch verwacht kan worden, spreekt vanzelf.

De beste en eenvoudigste verklaring, die ik tot heden van beide woorden gevonden heb, is deze: rechtvaardigmaking wil zeggen: de geloovige in Christus, heiligmaking beteekent: Christus in den geloovige. Beide nemen tegelijkertijd een aanvang, maar de heiligmaking is, afgezien van de waarheid dat de Christen, wat zijn standpunt in Christus aangaat, voor altijd geheiligd is, een voortgezet werk des Heiligen Geestes in de ziel. In 2 Kor. X:3-5 wordt dit werk een geestelijke kamp genoemd. Vele overleggingen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, moeten neergeworpen worden; alle gedachte moet gevangen genomen worden onder de gehoorzaamheid van Christus.

Men kan het Christelijk leven vergelijken met een school. Wij moeten beginnen bij de laagste klasse; doch behoeven er ons niet door te laten ontmoedigen, dat wij niet alles ineens kunnen leeren. Een jonge, lijdende zuster schreef mij onlangs: "Wij bevinden ons nog in de school, waar veel voor ons te leeren valt. Telkens gaan wij over in een hooger klas. Hoe heerlijk, dat de hemelsche leermeester zoo veel geduld met ons heeft. Mochten wij maar meer letten op hetgeen Hij tot ons zegt!"

Het Christelijk leven kan ook vergeleken worden met een huisgezin, waar een beminnelijk en verstandig vader aan 't hoofd staat. De jongste kinderen in de familie hebben precies dezelfde voorrechten en nemen dezelfde plaats in als de ouderen, maar in hun ontwikkeling staat de een bij den ander achter.

Een jonge dienstmaagd drukte, niet lang na haar bekeering, het langzaam voortgaan in de heiligmaking op de volgende wijze uit:

"Het is gelijk aan het langzaam doorloopen van een liefelijk aangelegden tuin, waar ons door den Heer toegang is verleend. Wij verheugen ons in de bloemen, en eten van de vruchten, terwijl wij den Bijbel in de hand hebbon als leidsman, en den Heiligen Geest aan onze, zijde, om ons alles uit te leggen."

Onze voorrechten en zegeningen zijn z groot en onbegrensd, dat wij een vurig verlangen moesten hebben, ze steeds beter te leeren kennen. Wij moesten Christenen zijn, die, in beeldspraak gesproken, altijd een hoogen weg bewandelen. Wij zijn geroepen tot de gemeenschap van Jezus Christus, (1 Kor. I:9.) "ja, onze gemeenschap is met den Vader en met Zijnen Zoon Jezus Christus." (1 Joh. I:3.) Wat zullen wij nu doen? "In het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is." (1 Joh. I:7.) De wereld moet steeds aan ons kunnen zien, dat wij koningskinderen, kinderen Gods, kinderen des lichts zijn. Het is een bekende en kostelijke waarheid, dat wij, naarmate wij in de genade toenemen, eenerzijds kleingeloof en ongeloof voorkomen en anderzijds ieder godsdienstig zelfbedrog, allen schijn en alle niet-waar-zijn ontgroeien; deze dingen kunnen niet bestaan in het stralend licht van het alles doordringend en ontdekkend oog van God.

Het groote geheim van allen geestelijken wasdom is: den Heer steeds "vr zich te stellen," en te leven als "ziende den Onzienlijke." Een jong-bekeerde schreef eens aan een oud, ervaren Christen: "Moet ik niet steeds meer kracht trachten te verwerven, hoe meer ik in het Christelijk leven voortga?" Het antwoord luidde: "Neen, tracht grooter kennis te verwerven van de ware bron der kracht, en bid, dat gij grooter gewilligheid moogt hebben, die kracht te gebruiken; dan zult gij de noodzakelijkheid en het zalig geluk eener bestendige gemeenschap met uw Heiland leeren kennen."

Ja, God gebruikt voor Zijn doeleinden onze zwakheid en niet onze kracht. Wanneer we ons slechts geheel door Hem laten gebruiken, en steeds gewilliger en bruikbaarder werktuigen in de hand van onzen God willen worden! Vraagt gij, hoe dat mogelijk is? Nu, leer vooreerst de ernstige, praktische bedoeling verstaan van het woord: "Gij zijt niet uws zelfs." (1 Kor. VI:19.) Grijp ten tweede nooit zelf naar het roer van uw scheepke; laat Christus Stuurman zijn! Gij kent de vaargeul niet, ook niet de gevaarlijke plaatsen, waar klippen en rotsen dreigen. En ten derde: Zie nooit achter u op den weg; zie niet in uzelf, maar op Christus!

Een Christen droomde eens, dat hij een wandeling deed op heerlijke en uitgestrekte weiden. Een eind voor zich uit zag hij een anderen wandelaar, dien hij eerst niet kende; spoedig ontdekte hij echter, dat het de Heer Jezus was. Toen dacht hij bij zichzelf: "Nu wil ik slechts daarheen gaan, waarheen Christus gaat," en een tijdlang volgde hij Hem met vreugde. Eindelijk echter wilde hij toch zoo gaarne eens weten, of nog niet iemand anders ook Jezus volgde, en dus keek hij even achter zich. Toen hij zich daarna weer omkeerde, was Christus verdwenen!

Het was maar een droom, doch een droom, waaruit veel, te leeren valt. Laten wij onzen blik steeds op Jezus gericht houden, en ons door niets of niemand daarvan laten afbrengen. Job wist de beteekenis van volgen, toen hij zeide: "aan Zijnen gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijnen weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken." (Job XXIII:11.)