De geopende hemelen.

Gedachten over den brief aan de HebreŽrs

door J. G. BELLETT.

Hoofdstuk VIII.

Bij het 7e vers van hoofdstuk VI hebben wij onze beschouwing afgebroken, om onze aandacht bij hoofdstuk VII te bepalen. Laten wij nu het slot van het zesde hoofdstuk behandelen in verband met het achtste hoofdstuk. Vůůrdat wij evenwel voortgaan met het leerstellige gedeelte van dezen brief, willen wij nog een oogenblik stilstaan bij den vermanenden tusschenzin, (zooals wij dien noemden) die begint bij het 11e vers van hoofdstuk V, en doorloopt tot aan het einde van hoofdstuk VI. Wij hebben reeds opgemerkt, dat hetgeen de apostel bij de geloovige HebreŽrs vreesde, geen kwaad van vleeschelijken aard was, zooals bij de KorinthiŽrs, maar veelmeer in betrekking stond tot de leer. Ook in onzen tijd valt een dergelijk onderscheid bij de geloovigen duidelijk waar te nemen. Sommigen zijn er, die veel op de KorinthiŽrs gelijken, terwijl weer anderen meer in de fouten der GalatiŽrs zijn vervallen. Hetgeen de apostel in de HebreŽrs vreesde, was, dat zij Christus als het voorwerp van hun vertrouwen zouden prijsgeven.

Doch waarheen wenscht God onze harten door de leeringen van zijn dienstknecht te voeren? In het 7e vers lezen we: "Want een grond, die den dikwijls daarop komenden regen indrinkt, en nuttig kruid voortbrengt voor hen, om wier wil hij ook bebouwd wordt, ontvangt zegen van God." Dat is dus niet wet, maar genade. Mozes vertegenwoordigde het beginsel der wet; de Heer Jezus dat der genade; en vreugde, vrede, dankbaarheid, liefde, enz., zijn de kostbare kruiden, die in overeenstemming zijn met zulk een bebouwing van den grond.

Hoe staat nu uw ziel tegenover God, geliefde lezer? Hebt gij Hem uit het beginsel der wet of der genade leeren kennen? Is de gemeenschap uwer ziel met God gegrondvest op den grond van de vrijheid der genade, of is het de vrees voor den dag des gerichts? Wanneer het laatste het geval is, kan geen kruid worden voortgebracht, dat voor Hem, die het land bebouwt, geschikt is. Doornen en distelen zijn de voortbrengselen der natuur. Zij zijn de natuurlijke voortbrengselen van een bedorven grond, zoowel van de aarde, waarop ik mij bevind, als van het hart, dat ik in mij omdraag.

Wanneer ik bijv. in een wettische en eigengerechtige gezindheid handel, doordat ik God als Rechter beschouw, - zoo is dat geheel in overeenstemming met mijn verdorven natuur. Maar op deze wijze kan ik niets voortbrengen dan doornen en distelen. Wandel ik daarentegen als een, die op het heil Gods zijn vertrouwen stelt, dan brengt de grond nuttige kruiden voort voor Hem, die hem bebouwt.

Nu, de apostel was, wat betreft de geloovige HebreŽrs, van "betere dingen overtuigd." (vers 9.) Hij wist, dat zij behouden waren, en dingen deden, met de behoudenis verbonden. Doch waarop grondt hij deze overtuiging? Niet zoozeer op de eenvoudigheid, waarmede zij de genade aangenomen hadden, als wel op de vruchten der gerechtigheid, die zich onder hen toonden. (vers 10.) Inderdaad, het zijn zeer schoone vruchten, die in verbinding met het heil te voorschijn komen. Ze maken wel is waar de behoudenis niet uit; maar ze gaan toch steeds met haar samen. Daarom zegt de apostel, deze liefelijke vruchten bij de HebreŽrs ontdekkende: "Wij zijn aangaande u van betere en met de behoudenis verbondene dingen overtuigd, hoewel wij ook aldus spreken." Met andere woorden: Wij roepen u wel een ernstige waarschuwing toe, maar die is meer, omdat er gevaar dreigt, dat gij Christus uit het oog zoudt verliezen, en niet omdat wij twijfelen aan uw behoudenis. Wij zijn er van overtuigd, dat het werk in u echt is - dat het de sporen van den Goddelijken Meester toont, en bewijzen voor zijn echtheid heeft gegeven.

Nu de apostel eenmaal dit terrein betreden heeft, gaat hij tot aan het einde van het hoofdstuk met dit onderwerp door, om eerst met het zevende hoofdstuk zijn betoog te hervatten en opnieuw de leer van zijn brief te ontvouwen. Hij bidt de geloovigen voort te gaan de heiligen te dienen. De kennis van Christus voert de ziel tot twee dingen: ten eerste tot een verborgen gemeenschap des harten met Hem, ten tweede tot een nauwgezetten Christelijken wandel en Christelijke trouw ook jegens anderen. "Welaan dan," zegt de apostel, "dat dan een iegelijk uwer denzelfden ijver betoone in het heerlijke, schoone werk, dat gij aangevangen hebt! Wordt niet traag, maar zijt navolgers van hen, die door geloof en lankmoedigheid de beloften beŽrven." Dan herinnert hij hen aan Abraham, als aan iemand, wiens hand tot het einde toe niet verslapte. Abraham was nog niet tevreden met de belofte, in Genesis XV beschreven, neen, hij volhardde totdat hem die belofte nog door een eed werd bevestigd. Zoo zijn dan ook wij niet enkel tot het geloof geroepen, maar ook tot het volharden in het geloof. Misschien hebben wij wel een vertroosting, maar toch nog geen sterke vertroosting. Abraham ontving een vertroosting in Genesis XV, en een sterke vertroosting in Genesis XXII. Een geloovige zeide eens tot mij: "Gedurende mijn laatste ziekte bracht de Heer mij zooveel nader tot Hem, dat ik het gevoel had, alsof ik tevoren geen geloof had gehad."

De apostel wenscht vurig, dat wij Abraham in Genesis XXII gelijk mogen worden; "opdat wij een sterke vertroosting zouden hebben, wij, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop aan te grijpen." Dit Schriftwoord wordt dikwijls geheel verkeerd uitgelegd. Er wordt hier niet gesproken over een zondaar, die tot het bloed des Lams zijn toevlucht neemt, maar over een geloovige, die van de puinhoopen van alle aardsche verwachtingen vlucht tot de hoop der heerlijkheid. Hoe staat het in dit opzicht met ons, geliefden? Laat ieder onzer zichzelf ernstig en oprecht beproeven! Bevinden wij, gij en ik, ons op deze aarde als op een wrak? Zijn wij in dezen zin des woords als schipbreukelingen, die smachtend uitzien naar redding, naar een redder? Of houden wij ons, wat de toekomst betreft, nog bezig met allerlei verwachtingen, die met deze aarde in betrekking staan? Verwachten wij nog iets van den dag van "morgen"? Abraham was een man, die iedere aardsche hoop afwees, zich van alle aardsche vooruitzichten afwendde, om de hem voorgestelde hoop der heerlijkheid aan te grijpen. Hij verwachtte de stad, "die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is." Vergeten wij niet, dat de apostel hier van het aangrijpen van de ons voorgestelde hoop spreekt; hij zegt niet: grijpt het kruis aan. Het Woord Gods heeft een diepte en kracht, die zeer dikwijls onze aandacht ontgaan.

De schrijver keert nu tot de Levietische voorbeelden terug, door de voorgestelde hoop een zeker en vast anker der ziel te noemen, ingaande tot binnen het voorhangsel. Mijn lezer! gaat uw hoop tot binnen het voorhangsel? Of hebt gij nog op de een of andere wijze eenige hoop op den dag van "morgen"? Zal u de dag van morgen moeten brengen, wat de dag van heden u onthield? Zeg mij eerlijk: Wat is het voorwerp uwer hoop? Aan wien hangt uw hart? Is het de hoop op de wederkomst van Christus, die uw hart vervult, of hebt gij nog verwachtingen van den dag van morgen? Dat zijn ernstige vragen, niet waar? Maar laten wij ze niet trachten te ontwijken.

"Waar Jezus als Voorlooper voor ons is ingegaan." De Heer Jezus wordt ons hier weer in een geheel ander karakter voorgesteld. Niet alleen is Hij als Hoogepriester voor ons in den hemel, maar ook is Hij heengegaan om daar voor ons een plaats te bereiden. O, konden wij toch de heerlijkheden der tegenwoordige bedeeling Gods beter ontvouwen! Ze is vol van heerlijkheden. Jezus bevindt Zich nu in den hemel in de heerlijkheid van een Voorlooper, een Hoogepriester, een Reiniger onzer zonden, enz. Hij troont daar, met stralende heerlijkheden omgeven. In de hemelen van het duizendjarig rijk zal Hij Zich met andere heerlijkheden bekleeden; Hij zal dan op de aarde Koning der koningen en Heer der heeren zijn. Nu is Hij dat niet, maar er zijn andere heerlijkheden, waarin het geloofsoog Hem nu aanschouwt. Denken wij dan met een ootmoedig hart over deze heerlijkheden na!

Wij zijn dan nu gekomen aan het achtste hoofdstuk. Het begint met de woorden: "De hoofdsom nu der dingen, waarover wij spreken, is, dat wij zoodanig een Hoogepriester hebben, die zich gezet heeft aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen, een bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welken de Heer heeft opgericht, niet een mensch." Welke verhevene woorden! Wat voor heerlijkheden waren het, die de hemelen in de dagen der schepping vervulden? De zon, de maan, en de sterren werden door God "In het uitspansel des hemels" gezet (Gen. I:17.) Zoo heeft dus Gods eigen vinger de tegenwoordige hemelen versierd. En schitteren zij niet heden nog in de hun door God gegeven pracht en glans? Maar waar Gods vinger de uiterlijke, zichtbare hemelen met heerlijkheden getooid heeft, daar heeft Zijn genade de innerlijke, onzichtbare hemelen met heerlijkheden bekleed. Eťn dezer heerlijkheden is de tabernakel, welken de Heer daar heeft opgericht. Christus kwam op aarde uit de heerlijkheid des Vaders, om God op aarde te verheerlijken. Was er ťťn heerlijkheid te schitterend om er zulk een Christus mede te bekleeden? Welk een omgang zien wij hier beneden tusschen God en Zijn Christus, tusschen den Vader en den Zoon!

En onder de heerlijkheden, die Hem daarboven wachtten, bevond zich een tempel, door God Zelf daar opgericht. Bij de schepping heeft God een tent gesteld voor de zon. (Ps. XIX:5.) Bij de verlossing richtte Hij een tabernakel voor den Hoogepriester op; en Christus zit daar op de hoogste eereplaats. Christus kon hier op aarde geen priester zijn. Door Goddelijke instelling was die plaats reeds bezet. Men heeft wel eens gezegd, dat Christus niet in het heilige der heiligen kon ingaan. Zeker kon Hij dat niet, omdat Hij uit den stam van Juda was. Daartoe was Hij niet gekomen, om de Goddelijke instellingen te veranderen, maar om alle gerechtigheid te vervullen. Wat had Hij ook in het heilige der heiligen moeten doen? Wanneer een priester uit den stam van Levi Hem daar gevonden had, zou hij gerechtigd geweest zijn, Hem er uit te verwijzen. Zeker had de Zoon van God een recht op alles, maar Hij was gekomen als een onderdanig dienaar, die van alles afstand had gedaan, zichzelf ontledigd had. Drong Hij Zich op bij de Emmausgangers? Nog veel minder wilde Hij, een zoon van Juda, in de woning Gods op aarde indringen.

Laten wij hier een oogenblik stilstaan. In dezen brief moet ons ťťn ding in 't bijzonder opvallen, en wel dit, dat van het begin tot het einde Gods Geest het eene heerlijke voorwerp na het andere opneemt en het terzijde zet, om plaats voor Christus te maken, en wanneer Hij dan plaats voor Christus gemaakt heeft, en Hem ingeleid heeft, grift Hij Zijn beeld in onuitwischbare trekken in ons hart.

Alles vergaat, maar Christus blijft. Zoo is het zelfs ook in betrekking tot onszelven. Heeft God ons niet terzijde gezet, en Christus in onze plaats gesteld? Aanbiddend buigt zich het geloof daarvoor neder. Ja, God heeft dat voor iedere geloovige ziel waar gemaakt. In hoofdstuk I worden de engelen terzijde gezet. "Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden stel tot een voetbank uwer voeten?" O, hoe moet het geloof hiermede instemmen! Hoe moeten de engelen er mede instemmen! Vervolgens wordt Mozes terzijde gezet. "Mozes was wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar Ö maar Christus, als Zoon, over zijn huis." (Hoofdst. III:5, 6.) Wij kunnen wel van Mozes scheiden, wanneer wij Christus daarvoor in de plaats gekregen hebben, evenals de gelukkige kamerling wel van Filippus scheiden kon, toen hij Jezus gevonden had. In hoofdstuk IV komen wij aan Jozua. Doch ook hij wordt terzijde gezet. "Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zoo zou Hij daarna niet van een anderen dag, gesproken hebben." Christus is voor ons de werkelijke Jozua, die ons de ware rust geeft. Vervolgens wordt Ašron terzijde gezet, om het priesterdom van Christus in zijn plaats te doen treden; en dat priesterdom is eeuwigdurend. Hij is de maker van een nieuw verbond, een beter verbond. Het oude verbond is teniet gedaan, daar het slechts een schaduw van Christus was, en deze er dus niets mede te maken had. En zoo gaat het verder voort, totdat wij aan het einde de heerlijke woorden lezen, welke ook als de eigenlijke inhoud van den brief kunnen gelden: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in alle eeuwigheid." Wanneer Hij ons wordt voorgesteld, kan het slechts in dit karakter zijn, als zijnde "Dezelfde in alle eeuwigheid." Welk een heerlijke gedachte, dat God Zijn Zoon heeft gegeven, om daardoor al het andere te niet te doen! Dat is de ware volmaaktheid, want God heeft in Hem Zijn rustpunt gevonden. Zooals God eertijds na de schepping heeft gerust, zoo rust Hij nu in Christus, en dat is een volmaakte rust, die nooit weder kan gestoord worden. En wanneer wij, gij en ik, werkelijk verstaan, waarheen wij gebracht zijn, dan ademen wij de atmosfeer der volmaaktheid in, wij genieten van een voor eeuwig volbracht werk, van de ware sabbatsrust. Nergens in de Schrift, kunnen wij wel zeggen, vinden wij zulk een overvloed van heerlijke glanspunten, als in den brief aan de HebreŽrs. Hij deelt ons mede van de onbeschrijfelijke en onvergelijkelijke heerlijkheden, en is van niet te schatten waarde voor het geweten van den uit den slaap der zonde ontwaakten zondaar. Wij ademen door hem langzamerhand de lucht des hemels in; en het is het voorrecht van de geloovige ziel, dat te doen. Wanneer ik het niet deed, zou ik mij dan mijn voorrecht laten ontnemen op grond van mijn ervaring, die nog zoo arm en zwak is?

Aan het einde van het achtste hoofdstuk wordt, zooals reeds is opgemerkt, het eerste verbond ter zijde gezet. Het verbond, waarvan Jezus Christus dienaar is, kan niet verouderen. Het wordt gekenmerkt door de woorden: "Want Ik zal hunne ongerechtigheden genadig zijn, en hunne zouden en hunne wetteloosheden zal Ik geenszins meer gedenken." Op het aangezicht van dit verbond vertoonen zich geen rimpels; op zijn hoofd geen enkel grijs haar.

Zooals vroeger reeds is gezegd, geeft de Heer aan alles, wat Hij aanraakt, voor God een eeuwige, onveranderlijke gestalte; alles, wat Hij ter hand neemt, brengt Hij tot volkomenheid. Alles moet voor Hem plaats inruimen, maar er is niets, waarvoor Hij ooit zou moeten plaats maken. En zouden wij het anders wenschen? Wenschte niet Johannes de Dooper, dat het alzoo zijn mocht? Toen zijn discipelen tot hem kwamen en hem zeiden: "Rabbi, die met u was over de Jordaan, wien gij getuigenis gaaft, zie, die doopt en allen komen tot Hem," antwoordde hij: "Die de bruid heeft is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem des bruidegoms. DEZE MIJNE BLIJDSCHAP IS DAN VERVULD GEWORDEN. Hij moet wassen, maar ik minder worden." (Joh. III: 26-30.) Dat moet ook de onwillekeurige uitdrukking zijn van uw en mijn hart, mijn lezer! En voorzeker, wanneer wij de werking des Geestes in onze harten ruimte geven, zullen ook wij jubelend zeggen: "God zij eeuwig geprezen. Hij heeft mij ter zijde gezet, om Christus te voorschijn te doen treden." Zoo bestaat er dan een wonderlijke overeenkomst tusschen hetgeen wij hier gevonden hebben en de ervaring onzer eigen zielen. Ja, wij zullen met deze heerlijkheden nooit aan een einde komen, totdat wij onszelf na korter of langer tijd in de zee er van zullen verliezen, in die zee zonder oeverstrand, in die zee van onmeetbare uitgestrektheid, die door geen kusten wordt begrensd!