Een woord over vrijmaking.

De grondslag, waarop mijn vrijmaking rust, is Christus. De brief aan de Romeinen leert mij, wat verlossing is: het bloed is daar vr God. Ik ben door de Roode Zee gegaan, d.i. in den dood en de opstanding van Christus. De Heilige Geest maakt dit duidelijk aan den geloovige. In den brief aan de Efezirs zijn wij in den hemel gezet. Door de Jordaan moet ik gaan om te bevinden, dat ik gestorven ben met Hem. - De Roode Zee stelt dus voor, dat Christus vr mij stierf en opstond. De Jordaan, dat ik met Christus stierf en opstond. Niet alleen geschiedde alles voor mij, maar ik ben in alles n met Christus; Zijn dood was mijn dood, Zijn leven is mijn leven. De woestijn, liggende tusschen de Roode Zee en de Jordaan, maakt geen deel uit van de raadsbesluiten Gods; zij geeft aanleiding tot allerlei ervaringen, die wij opdoen, en waardoor wij leeren wat wij zijn, en wat God voor ons is. De woestijn is een leerschool. Uit Exod. III:8; VI:7, 8; XV:16, 17 zien wij, dat, waar van Gods raadsbesluit sprake is, de woestijn niet vermeld wordt. De Isralieten worden uit Egypte verlost, om in Kanan te worden gevoerd; en de woestijn wordt overgeslagen. Dit geschiedde zoo ook bij den moordenaar, die aan het kruis hing; na zijn bekeering ging hij dadelijk over in het paradijs, zonder eenige ervaring van de woestijn op te doen. Hij ondervond, wat in Exod. XIX:4 gezegd wordt: "Gij hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan en u tot Mij gebracht heb." Ook wij zijn van het eerste oogenblik af in de tegenwoordigheid Gods gebracht, alhoewel wij de heerlijkheid nog niet bezitten. In dien zin bestaat er geen toenemen, wat de behoudenis betreft. Wij staan tusschen twee toestanden, namelijk tusschen de verlossing en de heerlijkheid, terwijl wij den Heiligen Geest in ons hebben. De moordenaar was geschikt voor het paradijs, op hetzelfde oogenblik, dat hij geloofde. God "heeft ons bekwaam gemaakt om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht." (Kol. I:12.)

Als wij verstaan hebben, dat het bloed staat tusschen God en ons, denken wij aan God als Rechter; als van dood en opstanding sprake is, denken wij aan God als Bevrijder. Staat vast en ziet het heil (de redding, de bevrijding) des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet wederzien in eeuwigheid. De Heere zal voor ulieden strijden." (Exod. XIV:13, 14.) Door de bevrijding van Christus plaatst God den mensch in een geheel nieuwen toestand voor Hem, hoewel nog niet in heerlijkheid. Niet alleen, dat God niet meer tegen mij is, maar Hij stelt mij aan de andere zijde van dood en oordeel. Niet zoodra heb ik geloofd, en verstaan, dat Christus stierf voor mij, of ik ontvang dadelijk den Heiligen Geest, en ik word door Hem verzegeld uit kracht van het bloed. Dan ben ik vrij in mijn verhouding tegenover den Vader. Christus werd verzegeld vanwege de uitnemendheid van Zijn eigen Persoon; maar wij, daar wij zondaars zijn, worden verzegeld vanwege het bloed van Christus.

Zijn wij door dit bloed verzegeld, dan zijn wij van de heerschappij der zonde verlost. De zonde is nog wel aanwezig, ze woont in ons, maar ze heeft geen macht meer over ons. Gelukkig, dit te verstaan!

Door Christus' bloed zijn wij bevrijd van het oordeel des Heeren; verlost van de macht des boozen. Maar niet alleen dit. Wij zijn ook met Christus levend gemaakt en mede opgewekt, in Hem gezet in de hemelsche gewesten, en genieten daar door het geloof de geestelijke zegeningen, die in Christus aanwezig zijn. Wij moeten niet alleen de vergeving onzer zouden en de verlossing hebben, maar wij moeten ook in een toestand gebracht zijn, bekwaam om in Gods tegenwoordigheid te wandelen. Wij moeten aan de macht der zonde ontrukt, derhalve als door den dood heengegaan zijn. Dit is de ware vrijmaking. Christus niet slechts beladen met onze zonden, maar voor ons tot zonde gemaakt. Al wat wij waren in het vleesch, heeft in Christus zijn einde gevonden.

J.N.D.