Correspondentie.

 

L.S. te Amsterdam. - Uw vraag over de viering van den Zondag meenen wij het best te kunnen beantwoorden met Rom. XIV : 5 en 6. - Dat de eerste dag der week de dag des Heeren is, door den Heer van de andere dagen voor Hem afgezonderd, wordt bewezen door Joh. XX : 19 en 26; Hand. II : 1; (Pinksteren was ook op den eersten dag der week) Hand. XX : 7; 1 Kor. XVI :2; Openb. I : 10. Allicht kunt gij, en menig ander misschien, door het volgende versje gediend worden,

Wat op den Zondag mŗg, niet mag ?
Ik weet het niet;
Aan wetten zijn wij niet gebonden.
Maar 'k heb den maatstaf wel gevonden,
Als ik bedenk: 't is 's Heeren dag,
De mijne niet.

 


J.J. te Rotterdam. - De vraag, waarom wij nu eens Jezus Christus en dan weer Christus Jezus in het Nieuwe Testament vinden, is een zeer moeilijke. Ongetwijfeld heeft dit verschil zijn beteekenis. Maar welke? Wij willen wagen, er iets over te zeggen, het onderwerp verder ter biddende overdenking onzer lezers overlatende.

Jezus is, zooals bekend is, de eigennaam des Heeren. Toen Hij geboren werd, ontving Hij dien naam, die Redder, Verlosser beteekent. Christus is Zijn titel: Hij is de Messias, de Gezalfde. In Hand. II:36 lezen wij: "Het gansche huis IsraŽls dan wete zeker, dat God Hem, zoowel tot Heer als tot Christus gemaakt heeft: dezen Jezus, dien gij gekruisigd hebt." Jezus is dus door God tot Christus (tot Gezalfde) gemaakt, als zoodanig verheven. Als wij dit in het oog houden, kunnen wij begrijpen, waarom ons standpunt niet in Jezus, maar in Christus is: "Christus stierf te Zijner tijd voor goddeloozen," "indien wij nu met Christus gestorven zijn,'' "wie is het, die verdoemt, Christus is het, die gestorven is," "daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan," "doch gij zijt van Christus, en Christus is van God," "indien iemand in Christus is - een nieuwe schepping," enz. Wij gevoelen, dat daar, en op vele plaatsen meer, niet Jezus zou kunnen staan. Het is wel Jezus, maar de door God gezalfde Jezus, de Christus derhalve, met Wien wij verbonden zijn, en in Wien wij nu leven, omdat Hij voor ons leed en stierf.

Zoodra er dus sprake is van ons standpunt, wordt er gesproken van Christus, of ook wel van Christus Jezus. De naam Jezus wordt er dan alleen bijgevoegd, om ook op Zijn Persoon te wijzen. Maar hoofdzaak, waarom het dan gaat, is de plaats, die wij in Christus bezitten, en daarom komt Christus eerst. "Zoo is er dan nu geen verdoemenis voor hen, die in Christus Jezus zijn." (Rom. VIII : 1.) "Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en gerechtigheid, en heiligheid, en verlossing." (1 Kor. I : 30.)

Gaat het echter allereerst om den Persoon des Heeren, dan wordt Jezus of Jezus Christus gebruikt. - Bij de geboorte en in de geschiedenis van 's Heeren omwandeling vinden wij dan ook altijd Jezus. Alleen wordt een enkele maal door de discipelen over Christus gesproken, als het ging om de erkenning van Hem als den van God gezonden Messias. En ook later in de Handelingen en in de Brieven, wanneer de "Persoon" des Heeren op den voorgrond moet treden, wordt over Jezus of Jezus Christus gesproken. "De waarheid, die in Jezus is," "ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is," "geloof in den Heer Jezus Christus," "Jezus Christus, en dien gekruisigd," "wij hebben maar ťťnen Heer, Jezus Christus," "heb ik niet Jezus Christus onzen Heer gezien?" enz.

Een treffende plaats, waar de verwisseling van den Persoon en het standpunt uitkomt, vinden wij in Gal. III:22 en 26. In dat hoofdstuk wordt voorts telkens alleen over Christus gespreken, omdat het gaat over ons standpunt in Hem; gelijk in vs. 28 zoo duidelijk wordt gezegd, en wel dŠn weer in verbinding met den naam van Jezus: "Daar is Jood noch Griek; daar is slaaf noch vrije; daar is man noch vrouw; want gij allen zijt ťťn in Christus Jezus." Die Christus hebben aangedaan, zijn ťťn in Christus Jezus, want zij zijn van Christus!

Wij herhalen echter, dat wij slechts noode er toe overgingen, een meening omtrent deze kwestie uit te spreken, daar ze zoo uiterst moeilijk is door de vele plaatsen, waar de namen verschillend, en in verschillende verbindingen worden gebruikt. De broeders J.N. Darby en H.C. Voorhoeve Jzn. hebben meermalen gezegd, deze vraag niet in beslisten zin te kunnen beantwoorden.

 


B.L. te Dinxperlo. - Prediker I : 9 en 10 spreken ons over de beginselen van het werk des menschen. Iets moge ons nieuw schijnen, maar reeds vroeger heeft het bestaan, al is het misschien in anderen vorm. Iets moge nu worden uitgevonden, wat vroeger nooit uitgevonden was, maar de kracht, die uitgevonden werd, lag in den grond, van den beginne; ze sluimerde slechts om nu te worden gewekt. Alleen God kan iets nieuws maken.

Niet alleen echter wat er geweest is, zal er zijn, - "Is er eenig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: zie, dat is nieuw? Het is alreede geweest in de eeuwen, die vůůr ons geweest zijn!" - maar ook wat er gedaan is. Dezelfde fouten, dezelfde misbruiken, dezelfde godsdiensten: er is niets nieuws, want het beginsel er van is reeds in vroeger eeuwen aanwezig geweest. - Merk voorts op, dat de Prediker niet verder gaat dan deze wereld: er is niets nieuws onder de zon.

 


W.W. de R. te Glanerbrug. - Het woord in Mark. XIII : 17 staat in verbinding met de vreeselijke verdrukking, die in de toekomst over IsraŽl komen zal. "Die dagen zullen een verdrukking zijn, zooals dergelijke niet geweest is van het begin der schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en niet meer zijn zal." (vs. 19.) De getrouwen moeten dan vluchten. Maar voor de zwangeren en zoogenden zal dit niet mogelijk zijn. Voor hen zal die tijd dus een dubbele beproeving wezen. Want zoo het mogelijk ware, zou men zelfs in die dagen de uitverkorenen misleiden. - Om dezelfde reden: een voorspoedige vlucht, moesten de discipelen ook bidden, dat die vlucht niet des winters of op een sabbat zou plaats vinden.

 


W.F.H. te Amsterdam. - Zacharia VI : 12b en 13a ziet geheel op de toekomst van IsraŽl. Reeds in het tweede hoofdstuk begint de voorspelling. IsraŽl zal hersteld worden in het land zijner vaderen, en Jeruzalem zal herbouwd worden. Zonder muren zal het gebouwd worden, zooals in hoofdstuk II : 4 zeer duidelijk geschreven staat. Want er zal een groote menigte van inwoners zijn. En toch zal er geen muur voor bescherming noodig zijn, want de Heer Zelf zal de muur zijn. IsraŽl woont in zekerheid. In vers 6 van datzelfde hoofdstuk wordt het volk opgeroepen, toch weer te keeren tot Palestina, opdat zij de zegenende zorg van den Heer voor Zijn volk ondervinden. Dit zal geschieden na de heerlijkheid, (verkeerdelijk staat in onze Statenvertaling: naar de heerlijkheid, en werden er daarom de woorden "over u" bijgevoegd,) dat wil zeggen: nadat de Heer de Gemeente in heerlijkheid heeft opgenomen. En ook de Heidenen zullen in IsraŽls zegeningen deelen. Hetgeen dan in hoofdst. III volgt, is een beeld van wat in de laatste dagen met IsraŽl zal plaats hebben. De Heer zal Zijn volk reinigen van al hun zonden en ongerechtigheden vůůr Hij het als Zijn volk herstelt. De twee olijfboomen en de twee kandelaren, waarvan in hoofdst. IV gesproken wordt, vinden wij in Openb. XI terug. Het zijn de twee getuigen, die gedurende de groote verdrukkingen der laatste dagen in Jeruzalem zullen getuigen. De oordeelen komen dan over IsraŽl vanwege de goddeloosheid van het geheel; de goddeloosheid wordt weggevoerd en de gerechtigheid ingevoerd, (Hoofdst. V.) want, gelijk wij weten, zal in het duizendjarig rijk de gerechtigheid heerschen en de goddeloosheid verbannen zijn. In hoofdst. VI : 1-8 krijgen we dan de zinnebeelden van de oordeelen, die over de aarde, over de vier wereldrijken, worden uitgestort. En in vers 9-15 wordt ons Christus voorgesteld, de Spruit, die den tempel zal bouwen. Eerst nadat IsraŽl als geheel geoordeeld is, de zonden van het overblijfsel vergeven, en alles is hersteld, ook Jeruzalem herbouwd, zal in het duizendjarig rijk de tempel naar de meening Gods worden herbouwd. De tempel, die de Joden straks in hun ongeloof zullen bouwen, en waarin de antichrist als god zal zitten, zal dus weer verwoest worden.

Dat dit alles niets met de Gemeente te maken heeft, is duidelijk uit Matth. XVI : 18: "En op deze rots zal Ik Mijne Gemeente houwen." De Gemeente, waarvan wij door Gods genade leden zijn, - het lichaam van Christus, - is in het Oude Testament niet te vinden. De Heere Jezus moest eerst komen, en zou die Gemeente bouwen, nadat IsraŽl, door Hem niet aan te nemen, was terzijde gesteld. Later evenwel, nadat de Gemeente in den hemel is, neemt de Heer de draad van IsraŽl weer op. God heeft Zijn volk niet verstooten! (Rom. XI.)

 


Dezelfde. - Dat de discipelen na de opstanding naar Galilea gingen, was volstrekt niet verkeerd. Ze hadden geen opdracht om dadelijk na de opstanding te Jeruzalem te blijven. Die opdracht stond eerst in betrekking tot Jezus' hemelvaart. Lukas XXIV vermeldt alles achter elkander, alsof er tusschen het een en ander geen tusschentijd zou gelegen hebben. Toch weten wij uit de andere EvangeliŽn, dat dit zoo is. In MattheŁs wordt dadelijk na de opstanding het uitdrukkelijke bevel gegeven aan de discipelen door den Heer Zelf, om naar Galilťa te gaan, terwijl er later gesproken wordt over den berg in Galilťa, waar Jezus hen bescheiden had.

Een andere vraag is het evenwel, of de discipelen goed deden, zooals wij in Joh. XXI lezen, te gaan visschen.