Tychicus.

 

Wanneer wij de geschiedenis der eerste Christenen beschouwen, zal het ons dadelijk opvallen, welk een teedere zorg deze menschen voor elkander aan den dag legden - wel een bewijs, hoe zeer zij elkander liefhadden en hoogachtten. Onder hen mag zeker Paulus wel genoemd worden als degene, die daarin het meest uitblonk, aan wien ook de zorg voor al de gemeenten was toevertrouwd. (2 Kor. XI:28.) Mag dan ook al aan Petrus, den ouderen apostel, het herderschap over de kudde, die uit het Joodsche volk was uitgeleid, zijn toegekend, Paulus word door Christus aangewezen om de wacht te houden over Zijn Gemeente, en die te beschermen tegen de vroegste en meest listige aanvallen van den duivel, die haar wenschte kwaad te doen en te verwoesten. (Joh. X : 3; XXI : 15; 1 Petr. V : 1-4; Hand. XX:28-32; Kol. II:l; enz.) Aan deze hem toevertrouwde taak bleef Paulus, door Gods goedheid, tot het einde getrouw.

Voor dit werk had hij echter helpers noodig, en onder hen was er misschien niet n, van wien Paulus meer hield, en wiens hulp hij meer op prijs stelde, dan Tychicus, n der bekeerden uit Azi. (Hand. XX:4.) Waarover het algemeen die uit Azi zich van Paulus hadden afgewend, schijnt Tychicus een uitzondering te zijn geweest, want in zijn laatsten brief spreekt Paulus z over hem, dat wij er uit kunnen afleiden, hoe Tychicus even getrouw aan Paulus is gebleven, als de apostel aan de gemeenten. (2 Tim. IV : 12.) En indien dit zoo is, moet deze uitzondering erkend worden als een bijzondere genade, die aan dezen geliefden broeder een in 't oog loopende eereplaats verzekert, overeenstemmende met het getuigenis, dat de apostel van hem geeft. Dit getuigenis, met hoe weinig woorden ook beschreven, behelst toch het heerlijkste, wat de genade kan tot stand brengen in iemand, die zich hier op aarde, de plaats waar Christus wordt verworpen en onteerd, aan Hem heeft toegewijd.

Tychicus schijnt Paulus' afgezant en de overbrenger van zijn brieven aan de Efezirs en Kolossers te zijn geweest. En de Heilige Geest legt in die geschriften een heerlijk getuigenis aangaande hem af, door hem aan te bevelen in het vertrouwen en in de liefde der heiligen.

"Een geliefde broeder en getrouwe dienstknecht in den Heer," zoo wordt hij aan de gemeente te Efeze voorgesteld. (Efeze VI : 21.)

"Een geliefde broeder en getrouwe dienstknecht en medeslaaf in den Heer," luidt de aanbeveling aan de Kolossers. (Kol. IV : 7.) Alleen hier kunnen wij opmerken, dat hij ook als mede-arbeider van den apostel genoemd wordt, ofschoon hij aan Paulus onderworpen wilde zijn als zijn boodschapper en afgezant tot de gemeenten.

Lieve lezer, zoo er eenige lof is, zoo er eenige deugd is, laat ons aan deze dingen denken in verband met onzen geliefden broeder Tychicus. (Fil. IV : 8).

Er worden drie dingen van hem gezegd, die wij ernstig moeten trachten na te volgen, gedachtig aan het woord der Schrift: "Gedenkt uwer voorgangers, die u het woord Gods gesproken hebben, en volgt hun geloof na." (Hebr. XIII : 7.) Hij was:

1. Een geliefde broeder in den Heer.

2. Een getrouwe dienstknecht in den Heer.

3. Een mede-slaaf in den Heer.

Het minste, dat wel van iemand gezegd kan worden, die, zooals Tychicus, het woord van den Heer Jezus gehoord en geloofd heeft, zooals Paulus het verkondigde, zal wel dit zijn, dat hij een broeder in Christus is. Maar de volle uitdrukking, die wij hier vinden, moet er ons toe leiden, iets meer te verwachten, dan het enkel zijn in Christus of een broeder in Christus, en brengt ons tot de gedachte, dat hier gewezen wordt op een bijzonder gezegend zijn. Tychicus was "een geliefde broeder in den Heer." Herinneren zulke woorden ons niet aan de liefde Gods en die van Christus, in welke hij leefde en wandelde, en waardoor niet alleen Christus en Paulus hem liefhadden, maar allen, die hem kenden? Teekent verder zulk een gehoorzaamheid uit liefde hem niet als iemand, die Gods gebod hield, terwijl het meteen de juistheid aantoont van de uitdrukking "in den Heer"?

Deze blik in het karakter van een Christen is inderdaad liefelijk, aanbevelenswaardig en navolgenswaardig, willen wij getuigenis kunnen afleggen van Christus en Zijn dienst. Want het is juist in die liefde, dat men tot de wereld moet gaan, en in 't bijzonder nog tot de discipelen van Christus hier op aarde. "De liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God. Die niet liefheeft, heeft God niet gekend; want God is liefde." (1 Joh. IV:7, 8.)

Maar er is meer. God heeft ons Zijn waarheid geopenbaard, die wij moeten bewaren en prediken in getrouwheid en liefde. Want Gods waarheid, dat is Zijn Woord, is het fondament van al de getuigenissen der Christenen, en de bron van alle eenheid en liefde der Christenen. Onze Heer Zelf, die de Waarheid was, bewandelde hier op aarde het pad der gehoorzaamheid aan Zijn God en Vader, "terwille van de waarheid Gods," en hij was getrouw Dengene, die Hem had aangesteld. (Joh. XIV:6; Rom. XV:8; Hebr. III:2.) Hij was, om de woorden van een dichter te gebruiken: "Getrouw temidden van ontrouw; een licht temidden van 't duister."

En zoo is het, hetzij wij Christus Zelf of Zijn dienaren in de Schrift voor oogen hebben: waarachtige liefde tot God, liefde tot de waarheid, en liefde tot de menschen, die getrouwheid aan God, getrouwheid aan de waarheid, en getrouwheid aan de menschen voortbrengt.

Van Tychicus kan men gelukkig zeggen, dat hij was: "een geliefde broeder en een getrouw dienstknecht in den Heer." Hij was waarschijnlijk iemand, bekwaam om ook anderen te leeren, wat hem door Paulus was medegedeeld, (2 Tim. II:2.) doch zeker weten wij, dat hij de zoo gewenschte gave der profetie bezat, daar hij in staat was, zeer tot Paulus' vreugde, de harten der Kolossers te vertroosten, nadat hij met hun omstandigheden bekend was geworden. (1 Kor. XIV:1-3; Kol. IV:8.)

De brief zelf, dien hij bracht aan de Kolossers, zou in die leering voorzien, en was noodig, om hen op te richten en te bevestigen.

Doch de getrouwe dienst van Tychicus, als van een geliefden broeder, moest hun daarenboven zeer te stade komen, en werd door God zonder twijfel gebruikt om tot stand te brengen, wat de apostel zoo vurig had gewenscht, namelijk, dat hun harten mochten vertroost worden, en in liefde samengevoegd, tot allen rijkdom van de volle verzekerdheid des verstands, tot kennis van de verborgenheid Gods. (Kol. II:2.) En welk een medearbeider in den Heer zou dus Tychicus voor den apostel worden!

Gaande naar de Efezirs, belast met het overbrengen van een brief van Paulus, bemerken wij opnieuw, hoe Tychicus als vertrooster optreedt. Doch nu is het niet, zooals bij de Kolossers, om hun omstandigheden te leeren kennen, doch meer om hen met alle omstandigheden betreffende den apostel Paulus zelf bekend te maken. (Efeze VI : 22.)

We zien in elk dezer heide gevallen, hoe God kan troosten, en welken troost der liefde er altijd gevonden wordt in die onderlinge liefde, welke haar grond heeft in Christus.

Vrij zeker kan men aannemen, dat de Efezirs in dien tijd in een beteren toestand verkeerden, wat betreft de liefde, dan de Kolossers. Bij de laatstgenoemden werd de troost door Tychicus gebracht, zoodra hij op de hoogte was met hun toestand. Bij de Efezirs echter bracht hij den troost, door hun bekend te maken, hoe het met Paulus ging, want de groote liefde van Paulus jegens de heiligen rekende op de wederliefde van de Efezirs, die zeker vertroost zouden worden, als zij zagen in welke omstandigheden hij verkeerde, dien zij zoo liefhadden. Het schijnt, dat Paulus' verlangen en zijn teedere zorg voor de Efezirs nooit is verminderd; dat hij nooit onverschillig jegens hen is geworden. Een bewijs hiervan leveren wel deze woorden, welke onder zijn laatste gerekend kunnen worden: "Maar Tychicus heb ik naar Efeze gezonden." (2 Tim. IV:12.)

Geliefden, wij weten, dat Paulus en Tychicus nu rusten, en wachten met Christus daar boven. Maar laten wij dan, die nu nog werkende en Hem wachtende zijn hier beneden, trachten met evenveel nauwgezetheid en ijver te wandelen in dezelfde liefde van Christus. Mochten wij toch meer belang stellen in de heiligen Gods, waar zij zich ook bevinden, en trachten, evenals Tychicus deed, hen lief te hebben en hen te dienen in liefde, zoodat zoowel zij als wij in dien dag door Christus mogen bevonden worden als dienstknechten, die gediend hebben in de heerlijke gezindheid: "geliefd en getrouw in den Heer."

Spoedig zullen wij Zijn genadige stem hooren, klinkende als de welluidende muziek in den morgenstond: "Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom." (Hoogl. II:10.)

Moge het dan ons deel zijn, als wij bij Hem zijn, Zijn getrouwe stem tot ons te hooren zeggen, naar waarheid: "Wel, goede en getrouwe slaaf, ga in tot de vreugde uws Heeren." (Matth. XXV : 21.)