Het boek Ruth.

 

(Hoofdstuk IV.)

 

Naomi had waarheid gesproken. Boaz gunde zich niet eer rust, totdat het werk, dat hij in goedheid en met geestkracht ondernomen had, volbracht was. Hij wilde, dat de geliefde rust vond en gelukkig zou zijn; (Hoofdst. III:1.) ook wist hij, dat dit alleen in gemeenschap met hem zijn kon. Zoo staat het ook met den Heer en ons. Zijn leven hier beneden was een leven van arbeid voor ons, en bereikte het toppunt in een onuitsprekelijken "angst der ziel" aan het kruis. Daarmede heeft Hij Zijn belofte: "Ik zal u rust geven!" vervuld. De rust voor ons geweten hebben wij reeds verkregen, krachtens Zijn werk; evenzoo bezitten wij de rust voor ons hart in de kennis van Zijn aanbiddenswaardigen Persoon. Maar de Heer werkt heden nog steeds voort, om ons in de toekomende rust te brengen, de rust, die er overblijft voor het volk van God.

Boaz wenschte ook nog om een andere reden aan zijn geliefde rust te verschaffen, want zij had gewerkt en met het volk van God geleden. Zoo spreekt de Heilige Geest tot ons: "Het is recht bij God, u, die verdrukt wordt, rust te geven met ons bij de openbaring des Heeren Jezus van den hemel." (2 Thess. I : 6 en 7.) "God is niet onrechtvaardig, om uw werk te vergeten, en de liefde, die gij bewezen hebt voor Zijnen Naam, daar gij de heiligen gediend hebt en nog dient." (Hebr. VI:10.)

Het boek Ruth spreekt veel over arbeid en rust: over arbeid en rust in het dienen, over arbeid en rust des geloofs, over arbeid en rust der genade. De maaiers arbeiden en rusten, evenzoo Boaz, de heer van den oogst, en evenzoo Ruth, de bruid zijner keuze. Hoe vreedzaam rust zij aan de voeten van Boaz gedurende de uren van den nacht! En hoe rustig is zij daarna in de stille afwachting, dat de bemoeiingen van haar losser haar rust zullen schenken!

Naar de gewoonte in IsraŽl ging het er om, den naam van den gestorvene weder te doen herleven, en hem in zijn erfdeel terug te brengen. Dit was een plicht, die aan den naastbestaande opgelegd was. Nu was er een man, die meer recht had op de erfenis van Elimelech dan Boaz, en tot dezen wendde zich Boaz, in tegenwoordigheid van vele getuigen. Deze man zou de erfenis gaarne aanvaard hebben. Daar hij echter wist, dat de kinderen niet zijn eigen kinderen zijn zouden, weigerde hij Ruth te aanvaarden. Indien hij haar tot vrouw genomen had, zou hij daardoor zijn eigen erfdeel verdorven hebben, omdat het goed van de kinderen van Ruth noch aan hem, noch aan zijn zaad teruggekomen zou zijn.

Deze naaste bloedverwant is een sprekend voorbeeld van de wet. De wet, die inderdaad het oudste recht op IsraŽl had, eischt en neemt, evenals die man, maar geeft niets. De wet zou ophouden wet te zijn, als zij het werk der genade ondernemen kon. Intusschen is de wet zelve niet, de oorzaak van deze krachteloosheid, maar hij, tot wien de wet komt. De wet verwacht iets van den mensch, deze is echter onbekwaam, zich aan God te onderwerpen. Zij belooft het leven, maar onder voorwaarde van gehoorzaamheid; daar de mensch zondig en ongehoorzaam is, kan de wet niet anders doen, dan hem veroordeelen. Het is een dienst des doods, en kan aan de dooden het leven niet geven. Daar zij onvruchtbaar is, kan zij nooit een nakomelingschap hebben, en kan derhalve geen kinderen voortbrengen, die tot het Goddelijk geslacht van den Messias behooren.

De genade alleen kan zulk een werk ondernemen. Omdat zij den mensch als verloren verklaart, en niets van hem verwacht, legt zij hem geen verplichtingen op, doet hem ook geen toezeggingen, maar geeft vrijwillig, zonder ophouden, en dat voor eeuwig. Zij verwekt het leven door middel van een onvergankelijk zaad, en deelt dat leven mede; zij brengt den mensch in betrekking met God, en doet hem vruchten voortbrengen, die God kan erkennen; daarna voert zij hem in de heerlijkheid.

Zoo verklaart de wet zich dus onmachtig Ruth te lossen voor het aangezicht van "den tweeden man," onzen Boaz, in wien "de sterkte" is. Deze zal Gods volk IsraŽl weder doen opstaan, en "zaad zien", zooals Jesaja zegt, maar niet vůůrdat Hij, gelijk wij weten, "Zijne ziel zal uitgestort hebben in den dood." (Jes. LIII.) In den tusschentijd is het geheele gevolg van het werk van Christus aan het kruis op ons, geloovigen, van toepassing. Met het oog op den toestand onzer ziel zijn wij reeds met Hem opgewekt, en met het oog op ons lichaam zullen wij weldra Hem gelijk zijn. Voor ons is Boaz het voorbeeld van een opgestanen Christus.

De naaste bloedverwant trekt zijn schoen uit: de wet doet afstand van haar recht ten behoeve van Christus. Boaz lost het erfdeel om Ruth te bezitten, want hij stelde meer belang in het welzijn dezer vreemde, dan in alles, wat haar toebehoorde. Christus heeft voor de Gemeente nog veel meer gedaan. Hij heeft alles, wat het Zijne was, prijsgegeven om haar te verkrijgen. Het arme overblijfsel van IsraŽl zal dat ook met vreugde erkennen, wanneer het eens zijn Messias, dien het verworpen heeft, in heerlijkheid zal zien wederkomen.

De getuigen dezer gebeurtenis, het volk en de oudsten, zegenen den machtigen Boaz, en juichen hem toe, want zulk een goedheid verdient allen lof. De Heilige Geest legt profetische woorden in hunnen mond. "De Heere make de vrouw, die in uw huis komt, gelijk Rachel en gelijk Lea, die beiden het huis IsraŽls gebouwd hebben." (vs. 11.) Met de arme Moabietische vangt, om zoo te zeggen, de geschiedenis des volks opnieuw aan, en wel op den bodem der genade. Niet Lea, maar Rachel, de geliefde vrouw, de vrouw van Jakobs vrije keus, voor wie hij zoo lang gediend had om haar te verkrijgen, neemt hier de eerste plaats in. In elk opzicht, in iedere omstandigheid, richt het boek Ruth ons oog op de genade. "En handel kloekelijk in Efratha (of: "Word machtig in Efratha!") en maak u een naam in Bethlehem!" Deze steden, die beide een getuigenis der genade zijn, zullen ook getuigen van Boaz' macht worden: "En van het zaad, dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw, worde uw huis, gelijk het huis van Perez, dien Tamar aan Juda baarde!" Zijn nakomelingschap moge doorbreken, gelijk Perez, naar de verkiezing der genade! "En de Heere gaf Ruth, dat zij zwanger werd." Met het oog op dezen erfgenaam, dien de genade gegeven had, nemen de vrouwen den profetischen gedachtengang des volks weder op. Zij zeggen tot Naomi: "Geloofd zij de Heere, die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in IsraŽl!" Op het hoofd van dezen zoon van Boaz wordt het recht van deze voltrokken lossing overgedragen, en zij zien daarin profetisch de toekomstige lossing, die door den uit Ruth geboren man teweeggebracht zal worden. "Die zal," zoo voegen zij er aan toe, "u zijn tot een verkwikker der ziel, en om uwen ouderdom te ondersteunen," alsof zij zien op Hem, die in den ouderdom Zijns volks tot een steun zou zijn, een hersteller in zwakheid, wiens naam met dien van Ruth verbonden zou wezen; met den naam van dat arme overblijfsel, welks hart aan Naomi, als voorbeeld van het zwaar beproefde volk Gods, in liefde hing, en dat voor Naomi meer waarde had dan een volkomen aantal zonen. (vs. 15.)

Naomi verzorgt het kind in haar schoot; hij komt, evenals de Messias, uit dit onvruchtbaar volk te voorschijn. De naburinnen heffen dan gelijktijdig ook haar profetischen lofzang aan. "Aan Naomi is een zoon geboren!" De kring wordt vertrouwelijker, en daarmede neemt ook de kennis toe. Hoe nauwer men met het volk Gods verbonden is, des te meer waardeert men Christus en Zijn genade. Vergenoegt men zich met een uitwendige bloedverwantschap met het volk en de oudsten, dan zal men het in geestelijke kennis niet ver brengen, terwijl het hart, dat practisch met de Gemeente of Vergadering Gods verbonden is, een vertrouwelijke en persoonlijke kennis van Christus hebben zal.

"Aan Naomi is een zoon geboren!" Zoo zal eenmaal het toekomstige IsraŽl zich over Hem verblijden, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men den buit uitdeelt, en men zeggen zal: "Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder, en men noemt Zijnen naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst." (Jes. IX.)

"En zij noemden zijn naam Obed." Obed beteekent: "dienstknecht." Boven alle andere wonderbare titels des Heeren Jezus is deze titel zijn roemrijkste. De Dienstknecht is de wortel en het geslacht Davids, de drager der koninklijke genade. Springen onze harten niet op van vreugde, als wij Hem met dezen naam aanroepen? Want Hij, die Raad, Sterke God was, heeft gediend, dient en blijft eeuwig dienen, ten zegen van hen, die Hij liefheeft. Onze hoogste zegeningen zijn verbonden met dezen titel van "Dienstknecht": Zijn overgave aan God, Zijn liefde tot ons, Zijn geheele werk tot opoffering van Zijn eigen leven, Zijn tegenwoordige genade, die afdaalt om ons de voeten te wasschen, en Zijn eeuwige dienst der liefde, als wij eenmaal bij Hem zullen zijn in de heerlijkheid van het huis des Vaders!