"Hetgeen van den beginne was."

 

(1 Joh. I : 1.)

 

Zijn wij in het vorig opstel bepaald bij de vermaning, aan de geloovigen gegeven, om de "geesten te beproeven, of zij uit God zijn," thans willen wij onze aandacht wijden aan hetgeen deze geesten in menschelijke gedaante brachten. De valsche leer, die deze valsche profeten predikten, was onder schoonschijnende en verleidende voorstellingen gericht tegen den gezegenden Persoon des Heeren Jezus Christus Zelven, het kenmerk van bijna elke valsche leer. Bij het lezen van de brieven van den apostel Johannes valt dit duidelijk in het oog. De wijze, waarop zij hun aanvallen tegen den Persoon des Heeren richtten, was dáárom zoo gevaarlijk, en zoo moeilijk te onderscheiden, omdat zij niet ontkenden, dat Christus gekomen was, maar loochenden, dat Hij in het vleesch gekomen was. (1 Joh. IV:3.) Hierdoor werden zij openbaar, dat zij niet uit God waren, want "iedere geest, die Jezus Christus als in het vleesch gekomen belijdt, is uit God." Een tweede kenmerk, dat deze geesten niet uit God waren, vinden wij in 1 Johannes IV:6 : "Die God kent, hoort ons; die niet uit God is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der dwaling." Wanneer iemand, wie hij ook zij, mij er toe brengen wil, om niet te gelooven, wat de apostelen geleerd hebben, dan weet ik, dat hij niet uit God is.

Dit beginsel is van toepassing op het geheele Woord van God, maar de apostel brengt het hier in verband met de leer aangaande den Persoon van Christus.

Darby zegt hierover in zijn beschouwing over den eersten brief van Johannes het volgende:

"In den tijd, dat Johannes dezen brief schreef, waren er velen, die zich aanmatigden een nieuw licht te bezitten, helderder inzichten te hebben. Men beweerde, dat het Christendom zeer goed was om te beginnen, dus als uitgangspunt; maar dat het thans verouderd was, en dat er nu een nieuw licht was opgegaan, waardoor het schemerlicht van die eerste waarheid geheel in de schaduw werd gesteld. Doch de Persoon onzes Heeren Zelf, de ware openbaring van het Goddelijke leven, deed al deze trotsche aanmatigingen verdwijnen als uitwassen van den menschelijken geest, die onder den invloed van den vijand stond, die de waarheid slechts verduisterden, en den menschelijken geest terugvoerden in de duisternis, waaruit zij zelf waren voortgekomen. Hetgeen van den beginne was, (van den beginne van het Christendom) hetgeen zij gehoord, hetgeen zij gezien hadden met hun eigen oogen, hetgeen zij met hun handen getast, en aanschouwd hadden aangaande het woord des levens, dát was hetgeen de apostel verkondigde. Want het leven zelf was geopenbaard geworden."

Hoe vele eeuwen liggen er tusschen den tijd, dat de apostel zijn brief schreef, waarin hij de geloovigen voor deze booze dingen waarschuwen moest, en onzen tijd! Maar is het niet, alsof het voor onzen tijd geschreven is? In hoevele boeken zijn diezelfde dingen te vinden, die als het nieuwst gevondene worden voorgesteld, en de menschen ten verderve voeren, daar zij onder schoone woorden, soms in den vorm van verhalen, worden gegeven. Het gevaarlijke daarbij is juist, dat men door de wijze, waarop deze dingen worden voorgesteld, den adder niet merkt, vóór men door hem gebeten is, een beet, die in vele gevallen een ongeneeslijke bloedvergiftiging ten gevolge heeft. Het is vooral de roeping van ouders, in het bijzonder van geloovige ouders, toezicht te houden op de boeken, die hun kinderen lezen; boeken, die groote aantrekkelijkheid hebben voor jonge menschen, maar - zij zijn van die gifplant doortrokken, die op bedekte wijze haar giftig zaad in de harten overbrengt.

Hetgeen zeer nauw met het bovengezegde verwant is, maar evenzeer op besliste wijze in tegenspraak is met "hetgeen van den beginne was," dient zich aan onder de in onzen tijd zoo geliefkoosde benaming van "ontwikkeling" of evolutie.

In hoever de leer der ontwikkeling op ander gebied van toepassing is, is voor den geloovige in Christus van minder gewicht, ofschoon het ook voor dezen in betrekking tot die dingen niet onopgemerkt blijft, dat in haar pralen, menigmaal de vlucht eens arends overtreffend, dikwijls meer navolging dan oorspronkelijkheid schuilt. Indien deze leer zich echter op Christelijk gebied wil laten gelden, dan is het zijn roeping, haar valsche aanmatiging in het licht te stellen.

Dezelfde schrijver, hierboven genoemd, zegt ergens anders: "Men spreekt veel van een "ontwikkeling." Doch laat ons er wel aan denken, dat ontwikkeling niet datgene is, wat wij van den beginne af gehad hebben. De uitdrukking op zichzelve is reeds zondig tegenover het door den apostel aangegeven middel ter bewaring. Wat de kerk als ontwikkeling der waarheid geleerd heeft, - uit welke bron zij het ook geput moge hebben - is niet dat, wat van den "beginne" af gehoord is geworden."

Door dit beginsel van ontwikkeling is men er toe gekomen, om het Christendom in te deelen bij de verschillende godsdiensten, alsof het Christendom zich zou ontwikkeld hebben uit de verschillende godsdiensten, die er vóór de komst van Christus geweest zijn. Onder deze neemt dan natuurlijk de Israëlietische godsdienst de eerste plaats in. In zulk een beschouwing schuilt meer dan menschelijke vinding; het is het werk des Satans, die, gebruikmakende van de onwetendheid en het ongeloof der Christelijke belijders, het Christendom berooft van hetgeen het werkelijk is volgens het onfeilbaar Woord van God: de eenige ware openbaring van God in den Persoon van Jezus Christus; het eenige en laatste redmiddel voor den armen en gevallen mensch. Wat alleen beveiligen kan tegen zulke verderfelijke leeringen is: ons te houden aan hetgeen "van den beginne" was. Zoodra dit in praktijk wordt gebracht, gevoelen wij, dat aan Hem, die de openbaring van het eeuwige leven is, - van dat leven, hetwelk bij den Vader was, - niets te ontwikkelen valt. Het leven is in al zijn volkomenheid geopenbaard, zooals de discipelen, die er getuigenis van geven, het gezien en getast hebben. Gold het een leerstelling, dan zou het mogelijk zijn, hieraan een andere leerstelling tot opheldering te verbinden. Maar het is de openbaring van een persoon, en die persoon is "God geopenbaard in het vleesch." Gelooven wij nu, dat Christus is: "God geopenbaard in het vleesch," dan is aan alle redeneering over ontwikkeling een einde gemaakt, en weten wij, dat wij de profeten, die deze leer brengen, te verwijzen hebben naar het gebied der dwaalleeraars. En dit nu zullen we met te meer beslistheid doen, als we bedenken, dat in het woord ontwikkeling zelve het denkbeeld ligt opgesloten, dat er uit het reeds bestaande nog iets verheveners, iets beters en volmaakters, te voorschijn kan gebracht worden. Hoe zou dit echter toepasselijk kunnen zijn op God, of op hetgeen God gewerkt of geopenbaard heeft? Welk mensch heeft den moed, dit te beweren? Welnu, dit is evenzeer van toepassing op den gezegenden Persoon des Heeren Jezus. "Hetgeen van den beginne was" is Christus, zooals Hij Zich geopenbaard heeft op aarde, en Dien wij uit het geschreven Woord leeren kennen. Alles, wat wij in Hem aanschouwen, getuigt van een volkomenheid, waaraan niets toegevoegd of verbeterd kan worden.

Welk licht zal men ons brengen, dat helderder schijnt dan Hij, die het waarachtige licht is, en in deze wereld geschenen heeft, waardoor de mensch in al zijn boosheid, en God in al Zijn liefde is openbaar geworden? Waar is een voorbeeld van gehoorzaamheid aan te wijzen, gelijk wij die aanschouwen in den Zoon des menschen, waardoor God volkomen is verheerlijkt, en waarin de Vader Zijn vreugde vond? Wat zou ons gebracht kunnen worden, dat met Hem vergeleken kan worden?

Op dien heerlijken Persoon richt de apostel het oog der geloovigen. Hij had zelf al deze heerlijkheid met eigen oogen aanschouwd, en verkondigt het nu aan ons, opdat wij met hem daarin gemeenschap zouden hebben.

Wat dezen eersten brief van den apostel Johannes voor onzen tijd zoo belangrijk maakt, is, dat deze verleidende geesten, die het geloof der kinderkens aan het wankelen zochten te brengen, niet uit het Joden- of Heidendom kwamen, maar in het midden der Christenen zich bevonden. Daardoor was de deur voor hen geopend, om toegang tot de schapen van den Goeden Herder te verkrijgen. Dit is ook in onzen tijd het geval. Bovendien waren het geen naakte en onvruchtbare theorieën des ongeloofs, die door deze leeraars verkondigd werden, neen, het was een bepaalde tegenstand tegen hetgeen God den mensch had geopenbaard in verbinding met den Persoon van Christus, terwijl zij daarbij aan een ieder overlieten om te gelooven wat hij wilde! Hoe verleidelijk! En hoe noodig was het daarom voor dien tijd, ja, hoe noodig is het ook voor onzen tijd, om de stem van den Goeden Herder te kunnen onderscheiden van die der vreemden. Alleen op deze wijze kunnen de geloovigen bewaard worden voor elke nieuwe leer, die niet overeenkomt met "hetgeen van den beginne was."