Een woord voor jonge geloovigen.

 

Ieder jeugdig geloovige moet belangstellen in het werk des Heeren, en in het een of ander opzicht er aan deelnemen. Niet om herder, leeraar of evangelist te zijn. Over deze gaven spreken wij hier niet, hoe goed het ook zijn kan, om hen, die ze bezitten, er op te wijzen, hoe de Heer wil, dat de gaven, die Hij schenkt, worden besteed met ijver en toewijding. Maar er is voor ieder jeugdig geloovige wat te doen in den wijngaard des Heeren. Is er hier of daar een open deur? Kan op de eene of andere wijze iets tot uitbreiding van Gods Koninkrijk worden verricht? Zulke vragen moeten tot ernstig gebed stemmen, opdat God een open oog en de noodige wijsheid geve. O, hoeveel onverschilligheid is er vaak onder ons! Hoeveel wereld-gelijkvormigheid! Hoeveel gemakzucht en ijver voor aardschen vooruitgang, voor genoegens zelfs! En intusschen snelt de tijd voorbij, gaan zielen verloren, is Christus komende. Er is voor ieder jeugdig geloovige werk: een woord spreken tot hen, met wie wij dagelijks omgaan; een behulpzame hand bieden om Evangelieverkondiging te kunnen houden, en, ls die kan plaats vinden, het overal bekend maken; andere geloovigen, die weinig of niet voor Evangelieverkondiging ijveren, door eigen voorbeeld opwekken; de predikers des Evangelies door het gebed ondersteunen, en door hulp en belangstelling bemoedigen; geschriften uitdeelen, waar de geschiktste gelegenheid daartoe is; orde houden onder kinderen, aan wie het Evangelie gepredikt wordt; misschien een woord spreken tot kinderen of tot volwassenen in het openbaar.

O, er is zooveel te doen! En daartoe behoeven we niet naar China, Korea of Afrika te gaan. Zeker, daar is ook nood, grooter nood nog dan hier. En God gave, dat er meerdere arbeiders uitgingen, ook tot de Heidenen. De berichten, die nu en dan uit de Heidenlanden tot ons komen, spreken er van, dat ook daar de velden wit zijn om te oogsten. En er zijn zoo weinig arbeiders om dien oogst in te gaan. Doch om naar den vreemde te reizen is niet alleen noodig, dat men beslist de gave van een evangelist bezit, maar moet er ook een besliste en duidelijke roeping plaatsvinden, daar anders alles in teleurstelling eindigt. En die in het Christenland, waarin hij verkeert, de menigte kan zien verloren gaan, zonder zich tot redding van het verlorene, op welke eenvoudige wijze dan ook, op te maken, die is zeker niet geschikt en van geen dienst voor de Heidenen.

Voor een ieder echter is wat te doen in eigen omgeving. Niemand moet wachten, totdat hij meent later meer geleerd te hebben, meer gewaardeerd te worden, enz. Nu is er werk, wat dan ook, hoe gering misschien in de oogen der menschen.

Laat ons dan onszelven van ganscher harte den Heer toewijden, opdat Hij ons gebruike op de een of andere wijze in Zijn dienst. Laat ons in de binnenkamer, zoowel als in het openbaar, met volharding bidden voor het werk des Heeren; bidden ook, dat allen, die schrijven of spreken in 's Heeren dienst, het toch alleen doen in afhankelijkheid van Hem.

Hoewel het in de dagen van Nehemia een tijd was van groote droefheid voor de teruggekeerde ballingen, nam toch een ieder van hen deel aan het bouwen van den muur. Sommigen "verbeterden," anderen "verbeterden zeer vuriglijk," weer anderen hielden de wacht, droegen de zwaarden, spiesen en bogen. Maar elkeen deed wat.

Is dit niet beschamend voor ons? Harten vol liefde, vol ijver zijn er noodig, ook in onzen tijd van droefheid bij al de verdeeldheid, die wij aanschouwen. Laten wij ons bezighouden, ijverig biddend, en ernstig dienend, in het werk des Heeren.

Als wij zelf wandelen in den zonneschijn van de liefde van Christus, als wij in dagelijksche gemeenschapsoefening met God leven, kan het niet anders, of wij zijn een hulp voor anderen. Dan zoeken wij niet iets te wezen, maar wij zoeken te dienen, wr slechts gelegenheid is; of we broeders of zusters zijn.