Het boek Ruth.

 

(Hoofdstuk III.)

 

Gelijk reeds is opgemerkt, is Naomi niet slechts een voorbeeld van ervaring, maar ook van inzicht. Voor Ruth was het gelukkig, zulk een leidsvrouw te hebben gevonden! Naomi gebiedt; maar haar geboden zijn niet zwaar, omdat het geboden der liefde zijn. "Mijn dochter, zoude ik u geen rust zoeken, dat het u welga?" (vs. 1.) Wat zij regelt, heeft alleen plaats met het oog op het welzijn der door haar geliefde, en ook omdat zij het hart van Boaz kent: "Is niet Boaz van onze bloedvriendschap?" Ruth, de vrouw des geloofs, gehoorzaamt: "Zij deed naar alles, wat hare schoonmoeder haar geboden had." Mochten wij toch altijd op gelijke wijze gehoorzamen! Voor hen, die weten, dat God hen liefheeft en slechts hun rust en hun geluk op het oog heeft, en dat Christus hen liefheeft en hen steeds op zijn hart draagt, is dit niet zwaar. Wel echter, wanneer de ziel zichzelve wil tevreden stellen, en geluk en rust buiten Christus vinden wil.

De arbeid van Boaz naderde zijn einde; nadat het graan geoogst was, moest het op den dorschvloer gewand en vervolgens in de schuren opgeborgen worden. Zijn hart was vroolijk; zal hij de arme Moabietische van zich stooten? Naomi is vol vertrouwen, en weet Ruth den weg te wijzen, die haar tot zegen strekt.

"Baad u, en zalf u, en doe uw kleederen aan, en ga af naar den dorschvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geŰindigd zal hebben te eten en te drinken. En het zal geschieden als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal nedergelegen zijn; ga dan in en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zoo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult." (vs. 3 en 4.) Ruth moet zich voor deze samenkomst voorbereiden, zich aan zijne voeten nederleggen, en op zijn woord wachten. Op dezelfde wijze zal het arme overblijfsel IsraŰls gekenmerkt zijn, hetwelk, bij het wederontwaken van den Messias na den langen nacht van wachten, trouw bevonden zal worden.

Maar vergun mij deze vraag: moet dit niet met nog meer recht ook ons kenmerken? Wij hebben de vermaning gehoord om ons te baden, te zalven, en ons voor Hem alleen te versieren. Hebben wij dit vergeten? Waar bevinden wij ons in dit oogenblik? Zijn wij zijn dorschvloer binnengegaan, om daar den nacht door te brengen? Of bevinden wij ons op den dorschvloer der vreemden? Hebben wij, evenals Ruth, uit den grond onzes harten geantwoord: "Al wat gij tot mij zegt, zal ik doen"? Ja, Hij wil, dat wij in werkelijkheid Zijner waardig zijn, dat wij, aan Zijne voeten liggende en zijn recht op ons erkennend, gedurende de uren van den nacht stil en rustig op Zijn woord wachten. Spoedig zal onze Boaz Zijn stilzwijgen verbreken. Zal dit geschieden, om ons ernstig te vermanen, of om aan ons gedrag Zijn goedkeuring te schenken?

Midden in den nacht wordt Ruth door Boaz herkend. Zij heeft zich onder zijne hoede gesteld, en hij zegent haar.

Het boek Ruth, deze geschiedenis der genade, is vol van zegeningen, zoowel van den gever als van den ontvanger. Alle harten zijn gelukkig, zoodra Boaz zich laat zien. Zijn tegenwoordigheid brengt lof en dank teweeg; want hij strooit gunstbewijzen van genade rechts en links om zich heen. Welk een onuitsprekelijk geluk, onzen Boaz lof te kunnen toebrengen! Maar is het ook niet gelukkig, evenals Ruth, het getuigenis Zijner tevredenheid aangaande ons te ontvangen? O, mochten wij toch meer begeerte hebben naar de goedkeuring van Christus? Het is verootmoedigend voor ons, er aan te moeten denken, dat wij deze goedkeuring zoo weinig zoeken. De lof der menschen blaast ons op; doch Zijn lof nooit. Hetgeen Zijne oneindige genade aan ons ziet, draagt Zijne goedkeuring weg, en Hij ziet aan ons datgene, wat Zijne genade gewerkt heeft en wat in overeenstemming met Zijne gedachten is.

Boaz prijst Ruth, omdat zij "hare laatste weldadigheid nog beter gemaakt had, dan hare eerste." In den beginne had zij haar liefde bewezen voor haar schoonmoeder, in wie zij het volk Gods had gezien; en wat zij nu doet, bewijst haar liefde tot Boaz. Zij was geen jonge gezellen nagegaan, hetzij arm of rijk; zij had geen gezellen gezocht, die aan haar natuurlijke neiging en voldoening konden geven; maar zij was tot hem gekomen, wiens recht over haar persoon zij erkende. Boaz spreekt haar nu moed in, en belooft haar de vervulling van al haar wenschen. (vs. 11.) Welk een bemoediging voor hen, die getrouw zijn! Wij ontvangen alles uit genade, maar Hij geeft ons ook, naarmate wij in gehoorzaamheid wandelen, en ons aan Hem overgeven. "Geeft en u zal gegeven worden; een goede, ingedrukte, en geschudde en overloopende maat zal men in uwen schoot geven." (Luk. VI:38.) Zoodra Ruth Boaz had leeren kennen, deed zij alles met het oog op hem; en nu doet hij alles voor haar. Het voldoet onzen Heer niet, op eenigerlei wijze onzen schuldenaar te blijven; neen, ook Hij wil voor hem, die trouw is van hart, alle behoeften vervullen.

"De gansche stad mijns volks weet, dat gij een deugdzame vrouw zijt." (vs. 11.) Ruth vereenigt in zich de eigenschappen, van welke de apostel Petrus spreekt, en die iemand niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus. Zij voegt bij haar geloof de deugd, en bij de deugd de kennis, en bij de kennis de matigheid, bij de matigheid de volharding, en bij de volharding de godzaligheid. Zij voegt bij de broederliefde de liefde, en toont meer goedheid aan het einde, dan in het begin. Ook wordt haar rijkelijk verleend de ingang in het Koninkrijk. Het hart van Boaz wordt door zulk een getrouwheid getroffen. "Alles wat gij zegt, zal ik voor u doen." Welk een voorbeeld voor ons! Laat het ons ijverig streven zijn, om ˇˇk zulk een antwoord te ontvangen! De gemeente te Filadelfia ontvangt het. Zij heeft het woord van Jezus bewaard, en, evenals Ruth, in Zijne volharding en in praktische heiligheid gewandeld; daarom zegt de Heer tot haar: Ik zal alles voor u doen! Ook het arme Joodsche overblijfsel zal de Heer aan het einde zegenen naar de deugd, heiligheid en praktische gerechtigheid, die het in zijn wandel toonen zal. Ons zegent Hij op gelijke wijze, gelijk zoo treffend blijkt uit hetgeen geschreven staat in 1 Joh. III : 22 : "En wat wij ook bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijne geboden bewaren, en doen wat voor Hem welbehagelijk is."

Er was echter nog een nadere bloedverwant, die grooter recht had op de lossing van Ruth dan Boaz. Zal of kan hij van dit recht gebruik maken? Later zullen wij hierop terugkomen.

Ruth genoot intusschen het voorrecht, tot aan den morgen aan de voeten van Boaz te liggen. Dit zal ook het deel van het overblijfsel zijn, en is ook het onze. Zoolang de nacht duurt, kunnen wij aan Zijne voeten rusten. Is dat niet een gezegende plaats? Aan Zijne voeten zich te bevinden, in het bewustzijn van Zijne goedkeuring ten opzichte van onzen wandel, als de ontvangers Zijner beloften, als de voorwerpen Zijner liefde, en vervuld met de zekerheid, dat Hij ons gehoord heeft, en dat al de moeilijkheden van een leven in ellende spoedig een einde zullen nemen, om plaats te maken voor de openbaring onzer vereeniging met Hem, en het bezit der heerlijke vruchten van Zijn werk, - is er heerlijker plaats te bedenken?

Nu is het Boaz, (vs. 14.) die voor den goeden naam van Ruth zorgdraagt, en de heiligheid rechtvaardigt van haar, die hij tot zijn gezellin maken wil.

Vˇˇrdat hij echter hare zaak in het openbaar behandelt, vult hij haren sluier (mantel) met gerst, en geeft haar in het verborgen een onderpand voor hetgeen hij voor haar doen wil. (vs. 15.)

Evenzoo handelt de Heer met ons. De morgen breekt spoedig aan. Vˇˇrdat wij Hem echter zien of "erkennen" kunnen, heeft Hij ons reeds den Heiligen Geest der belofte gegeven, als onderpand van ons toekomstig erfdeel.

Rijk beladen keert Ruth naar haar schoonmoeder terug, en deelt haar mede, niet wat zij voor Boaz gedaan, maar alles wat die man aan haar gedaan had. Haar hart was vol van hem, en haar schoonmoeder moet haar vermanen geduld te hebben. Zij zal niet lang meer behoeven te wachten; want hij, die hare zaak in de hand genomen heeft, zal niet lang toeven, haar tot het doel te brengen. "Hij zal niet rusten," zeide Naomi, "tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe." Waarom? Omdat hij Ruth liefheeft. Dat is de groote en eenige beweegreden van al zijn bemoeiingen te haren gunste.

Geliefden! spreken wij ook gelijk Naomi? Hebben ook wij het gelukkige bewustzijn der liefde van Jezus tot ons? Verwachten wij Hem als Dengene, Die zich geen rust gunnen zal, totdat Hij de zaak heden ten einde gebracht heeft? Dit "heden" beteekent de dagelijksche verwachting van onzen Heer. Hij wil ons bij Zich hebben. Nog slechts een weinig geduld, en Hij, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven!