Beproeft de geesten, of zij uit God zijn.

 

(1 Joh. IV: 1.)

 

Deze vermaning is niet gegeven aan bijzondere personen, van wie verondersteld wordt, dat zij daartoe de bekwaamheid of geschiktheid bezitten, neen, ze is aan alle geloovigen gericht. Op grond van hetgeen in het tweede hoofdstuk gezegd is: "En gij hebt de zalving van den Heilige," kan zij aan alle geloovigen worden gegeven. In den tijd, toen Johannes zijn brief schreef, waren er "vele valsche profeten uitgegaan in de wereld," die een valsche leer predikten aangaande den Persoon van Christus. En daar hiermee zooveel in verband staat, dat voor onzen tijd van niet minder belang is, hoop ik daarop later terug te komen, om nu voor dit oogenblik slechts te wijzen op een bijzonderheid, waartoe deze vermaning aanleiding geeft, het "beproeven der geesten" namelijk. De geloovigen worden niet vermaand om de menschen te beproeven, die deze valsche leer verkondigden. Zij moesten de geesten beproeven. Bij eenig nadenken gevoelt men terstond, dat het beproeven der geesten in zeker opzicht veel moeilijker is dan dat der menschen. Om de geesten te beproeven, was het noodig niet door den schijn bedrogen te worden, hetgeen zoo licht gebeuren kon, indien er alleen gelet werd op de uitwendige openbaring van hen, die deze valsche leer verbreidden. Dit gevaar kan nooit zoo groot zijn, wanneer het prediken van een valsche leer gepaard gaat met een onzedelijken wandel, daar niet alleen elk waar Christen daarvan een afkeer heeft, maar zelfs velen in de wereld, die nog prijsstellen op zedelijkheid in gedrag en wandel. Indien er echter menschen tot ons komen, op wier uiterlijk gedrag niets aan te merken valt, wier wandel in zeker opzicht ernstiger schijnt dan van anderen, daar zij zich onderscheiden door zelfverloochening, zich onthoudende van spijzen en dranken, misschien wel vergezeld gaande met zelfkastijding, en, vol ijver, hoog opgeven van hun geestelijk inzicht, zelfs indringende in hetgeen zij niet gezien hebben, (Kol. II:18.) ik zeg, wanneer dezulken tot ons komen, dan is het niet zoo gemakkelijk, de adder, die onder zulk schoon groen verborgen is, te ontdekken.

Daarom is het zoo goed er acht op te geven, dat de Heilige Geest, door het woord des apostels, de geloovigen vermaant, de geesten en niet de menschen te beproeven. Want dat het juist zulke personen waren, als hierboven beschreven, die in dien tijd de valsche leer aangaande den Persoon van Christus predikten, is, dunkt mij, duidelijk; het ligt in de vermaning zelve opgesloten. Gaan wij dus alleen af op hetgeen wij zien en hooren van zulke menschen, dan gevoelen wij, hoe veel gevaar er is verleid en meegevoerd te worden, en hoe moeilijk het is, denzulken, als niet uit God zijnde, alle gehoor te weigeren. Vandaar dat de apostel Johannes de geloovigen zoo ernstig vermaant om niet verleid te worden. Het eenige, dat ons daarvoor beveiligen kan, is een wandel in gemeenschap met God, die ons afhankelijk maakt van Hem, en waardoor wij geen vertrouwen stellen in onze bekwaamheid, of in onze onderscheidingsgaven om het kwade van het goede te kunnen onderscheiden. Hoe menig geloovige heeft op deze klip schipbreuk geleden! Zelfs een man als Jozua, tot zulk een groot werk door God geroepen, liet zich met de oudsten des lands door de Gibeonieten verleiden om een verbond met hen te sluiten, afgaande op uitwendige dingen; maar het groote kwaad was: "dat zij het den mond des Heeren niet vraagden." (Joz. IX.) Jozua vergat hierbij zijn afhankelijkheid van den Heer. Het groote voorrecht, "de zalving van den Heilige" te bezitten, heft onze afhankelijkheid niet op, maar maakt ons bekwaam, om, in afhankelijkheid van den Heer, staande te blijven en bewaard te worden in de ure van verzoeking. O, dat alle geloovigen dit meer in praktijk mochten brengen!

Bij het lezen der kerkgeschiedenis is het opmerkelijk, dat de vijand tot verbreiding van valsche leer over het algemeen menschen heeft gebruikt, die zeer begaafd waren, en die zich uitwendig onderscheidden door een wandel, die aan velen bewondering afdwong. Doch niettegenstaande dit alles, was het dezelfde bron, waaruit het tegenovergestelde voortkwam: "het vleesch."

In verband met de vermaning, dat wij "de geesten zullen beproeven, of zij uit God zijn," wordt in den brief van Johannes een gevolgtrekking gemaakt, die de brieven van Johannes kenmerkt, namelijk, dat hetgeen niet uit God is, uit den booze, uit den duivel is. Deze tegenstelling neemt elke aanleiding weg om het verkeerde en booze in een ander licht te stellen, waartoe onze menschelijke natuur zoo geneigd is. De bron van het kwaad wordt er door opengedekt, en men daalt er door af tot den wortel des booms. En dit is zoo noodig. Want daardoor wordt de zaak in het ware licht gesteld, in het licht van God, opdat door den geloovige het kwaad, zoowel bij hemzelven voorkomende, als openbaar geworden bij anderen, naar dien maatstaf zou beoordeeld worden. Want alleen daardoor is het mogelijk, er van gereinigd te worden naar den eisch van het licht, waarin wij door de genade gebracht zijn: het licht van God Zelf. (Joh: I : 1.)

Naar ditzelfde beginsel stelt de apostel ook Christus tegenover den antichrist, een benaming, die gegeven wordt aan den "mensch der zonde", den "zoon des verderfs," in 2 Thessal. II : 3, en die alleen in den brief van Johannes voorkomt. Hij, die loochent, dat "Jezus is de Christus," behoort tot het rijk van den antichrist. In den tijd van Johannes waren er reeds vele antichristen, en hun getal is niet afgenomen, maar veel grooter geworden. Den geest van dezulken zou men beproeven; daaraan zou men kunnen weten, dat zij antichristen waren. Het is wel met zekerheid aan te nemen, dat de antichrist, die nog geopenbaard moet worden, een zeer verleidelijke persoonlijkheid zijn zal. Hij zal Christus in alles nabootsen; hij zal teekenen en wonderen doen; als koning zal bij heerschen, en als profeet zal hij leeren; zijn woord zal indrukwekkend zijn in macht en welsprekendheid, zooals van Herodes, van wien wij lezen: "En het volk riep hem toe: Een stem Gods en niet eens menschen!" (Hand XII: 21-23.) Deze Herodes is een type van den antrichrist. Wat Christus deed door de kracht des Heiligen Geestes, en vol zijnde van den Heiligen Geest, zal de antichrist doen door de kracht en de macht des satans. Aan welk een bedrog en schrikkelijke verleiding zullen de menschen in dien tijd blootgesteld zijn; in het bijzonder de Joden, uit wier midden hij te voorschijn zal komen!

Doch de Heer zal de zijnen bewaren, te midden van zulke gebeurtenissen, hoeveel lijden de openbaring van den antichrist ook over hen brengen moge. Dit is vertroostend! Ook voor ons. Laat ons niet vergeten, dat dezelfde beginselen ook nu reeds aanwezig zijn en werken in de Christenheid. De Heer geve, dat de geloovigen waakzaam en nuchter mogen zijn, om "de geesten te kunnen beproeven, of zij uit God zijn." Gelijk reeds gezegd is: in Zijn gemeenschap zijnde, worden wij bewaard voor elke verleiding en voor elken invloed, door welken geest ook gewerkt. Laat ons Zijn Woord bewaren, als de ons toebetrouwde waarheid!

Hoe ernstig zijn de tegenstellingen in den brief van Johannes! Laat ons bij het lezen van dezen brief toch daarop letten, opdat wij leeren, en in beoefening brengen, om elk kleed, dat door het vleesch besmet is, te haten gelijk God het haat; en opdat wij bij de komst des Heeren Jezus vrij mogen bevonden worden van elke bevlekking des vleesches en des geestes!