Correspondentie.

 

D.J.L. te Aalten. - Johannes de Dooper was de voorlooper van den Messias, en de inhoud zijner prediking is te vinden in Matth. III : 2: "Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." Hierbij dacht hij niet aan een geestelijk rijk in de harten van hen, die geloofden. Neen, dit is onmogelijk, want als Jesaja van hem profeteert, laat hij er terstond op volgen: "Alle dalen zullen verhoogd worden; en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vleesch zal tegelijk zien, dat de mond des Heeren gesproken heeft."

Toen de Messias zelf kwam, sprak Hij niet anders. Hij verkondigde overal: "De tijd is vervuld, en het koninkrijk Gods is nabij gekomen." (Mark. I:15; Matth. IV:17.) In Matth. IX:35 lezen wij: "Hij trok al de steden en de dorpen rond, leerende in hunne synagogen, en predikende het Evangelie des koninkrijks, en genezende elke ziekte en elke kwaal." En in Matth. X draagt Hij aan zijn discipelen de prediking van het Evangelie des rijks op; natuurlijk alleen aan de Joden; vandaar de uitdrukkelijke last: "Gij zult niet heengaan op den weg der volken, en gij zult niet ingaan in een stad der Samaritanen."

Het koninkrijk der hemelen [1] is derhalve n door Johannes, n door Jezus, n door zijn discipelen door geheel Palestina gepredikt. Maar, helaas! het werd niet aangenomen. Wel door enkelen, doch niet door het geheele volk. Johannes en Jezus werden beiden verworpen. Lezen we slechts Matth. XI:16-19, terwijl in Matth. XII:14 de Farizen Jezus zoeken te dooden, en zij zijn goddelijke werkzaamheid aan den duivel toeschreven. Daarmede hadden zij op zeer besliste wijze den Koning, en in Hem het koninkrijk, verworpen. Van dat oogenblik af houdt dan ook de prediking van het koninkrijk op.

Hetgeen wij in Matth. XIII lezen, is dus niet de openbaring van het koninkrijk, zooals Johannes en Jezus gekomen waren om dit te prediken en te brengen. Het geopenbaarde koninkrijk was verworpen, maar zou later opnieuw geopenbaard worden en dan worden aangenomen. (Matth. XXIII:39; Hos. III:5; Ps. CXVIII:26.) In dien tusschentijd evenwel zou dat uitgestelde rijk een vorm aannemen, zooals het dien thans heeft. Een soort tusschenregeering zou er komen. De Koning wordt nu vergeleken bij een welgeboren man, die in een vergelegen land reisde, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keeren. (Luk XIX:12.) Het koninkrijk is dus verworpen, en zal later worden opgericht, maar totdat dit laatste geschiedt, heeft het koninkrijk een bijzonderen vorm aangenomen; zijn onderdanen wachten op zijn heerlijkheid, en op de terugkomst van hun Koning.

In Matth. XIII vinden wij beschreven wlk een vorm, uitwendig en innerlijk, dit koninkrijk der hemelen gedurende Jezus' afwezigheid in de wereld zou aannemen. De inwendige kern is de Gemeente, waaruit tevens blijkt, dat de Gemeente en het koninkrijk der hemelen niet hetzelfde zijn. De Gemeente is in het koninkrijk, maar niet het koninkrijk zelf.


D.J.L. te Aalten. - De genoodigden ter bruiloft in Matth. XXII: 9 stellen niet de Gemeente, maar de Heidenen voor. Eerst waren (in vs. 3) de Joden geroepen. Deze verwierpen de uitnoodiging. Christus had ze genoodigd, maar ze wilden niet. De apostelen trachtten ze te bewegen, maar ze stopten hunne ooren, en doodden de boodschappers. Toen werden de moordenaren omgebracht, en hun stad, Jeruzalem, verwoest. Daarop wendt God Zich tot de Heidenen, tot de volken, en door hen wordt de zaal met bruiloftsgasten gevuld. Dat willen zeggen: zij komen tot het koninkrijk, en zijn straks belijders van het Christendom. Maar - nu is het de vraag, of men alleen een belijder is, of dat men waarlijk Christus kent. Men moet een bruiloftskleed aanhebben: met Christus zelf bekleed zijn. Is dit niet zoo, dan baat het niet, of men al als geroepene naar de bruiloftszaal is gegaan. De man in vs. 11 heeft geen gevoel voor den Bruidegom. Hij eert hem niet. En het gevolg is, dat hij door het oordeel des Konings, als deze de zaal overziet, wordt getroffen.


I.H.t.D. te Rheine vraagt een verklaring van Matth. XIX:9. - Over de vraag, of het een mensch geoorloofd is, zijn vrouw te verstooten om allerlei oorzaken, bestond onder de Farizen zelf verschil van meening. Er waren twee scholen, die beiden hun volgelingen hadden. De eene leerde, dat men zijn vrouw om allerlei oorzaak mocht verstooten; de andere, dat dit alleen mocht geschieden in geval "iets schandelijks aan haar gevonden werd," volgens Deut. XXIV:1. Hoewel beide scholen zich beriepen op hetgeen in Deut. gezegd werd, paste de eene dit woord toe op allerlei dingen, zelfs op geringe en beuzelachtige dingen, terwijl de andere zich hield aan hetgeen zooeven gezegd is. Hieruit kunnen wij de vraag "om allerlei oorzaak" verstaan, De Heer gaat echter alleen in zver in op hetgeen in Deut. gezegd is, dat Hij hen wijst op de hardheid huns harten (waarlijk geen benijdenswaardige toestand!) om welke reden hun toegelaten was zoo te handelen. De Heer verlaat den bodem der wet, en bepaalt hen bij hetgeen van den aanvang aan, bij de instelling van het huwelijk, gezegd is, waardoor Hij hun det zien, dat het huwelijk onontbindbaar is, en echtscheiding geen recht van bestaan heeft, dan alleen in geval van hoererij of overspel, omdat door hen, die zich daaraan schuldig maken, de band des huwelijks vanzelf verbroken is. Over de vraag, die dientengevolge gedaan kan worden, namelijk of het in zulke gevallen geoorloofd is andermaal een huwelijk aan te gaan, doet de Heer geen uitspraak; wel zien wij uit vs. 10-12, dat het beter was ongetrouwd te blijven, indien God iemand daartoe de noodige geestelijke kracht verleent. Wat in Matth. XIX op den man van toepassing is, is dit in Matth. V:32 op de vrouw. (Zie verder 1 Kor. VII:10 en 11.)


[1] Deze naam komt alleen in het Evangelie van Matthes voor. De Joden verwachtten hun Messias en de oprichting van een aardsch koninkrijk. De Heer sprak daarom telkens, om deze hun aardsche gedachten tegen te gaan, van het koninkrijk der hemelen. Het zou wel, naar de beloften des Ouden Testaments, een koninkrijk op aarde zijn, maar daarom geen aardsch koninkrijk; integendeel, het zou een rijk zijn op aarde, maar door hemelsche beginselen bestuurd, terwijl de Heer uit den hemel de Koning zou zijn.