O, mijne ziel, prijs den Heer!

 

Enkele gedachten over Psalm 146.

 

Merkwaardige woorden, die de psalmist ons in den honderd-zes-en-veertigsten psalm doet hooren!

Wij zien reeds bij den aanvang, waarmede zijn ziel vervuld was. Hij prijst den Heere, Jehova, den Eeuwig Getrouwe; en lof en dank jegens dien God is er in zijn hart. Natuurlijk wist hij niet zooveel als wij, daar aan de geloovigen, die in zijn tijd leefden, niet zooveel geopenbaard was als aan ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn. De volle openbaring van God in zijne liefde is toch eerst verschenen, toen Hij zijn geliefden Zoon den hemel deed verlaten en mensch deed worden. Toen werd door den Zoon van God de naam des Vaders verklaard. Z kende de psalmist God niet, maar wij mogen als zoodanig tot Hem naderen, want de Vader zelf heeft ons lief. (Joh. XVI:27.) En wij weten, wie de Vader voor ons is, want de Zoon heeft Hem ons geopenbaard. Zooals de Zoon zich op aarde openbaarde, zoo openbaart zich de Vader. Zooals de Zoon gezind was, zoo is ook de Vader gezind. De Zoon was God, geopenbaard in het vleesch. Was de Heer Jezus met ontferming bewogen bij al wat zijn oog op deze aarde aanschouwde, God evenzeer. Zag Hij een weenende weduwe onder de groote schare bij de poort van Nan, Gods oog zou niet anders gezien hebben. En toch zijn er geloovigen, die met zekere vreesachtigheid aan God denken. Hoe beschamend is dan voor dezulken reeds het begin van dezen psalm!

David, wien zooveel minder omtrent God geopenbaard was, wordt, wanneer hij aan zijn God denkt, vervuld met lof en dank.

"Ik zal den Heere prijzen in mijn leven;" zegt hij; "ik zal mijnen God psalmzingen, terwijl ik nog ben."

Het was voor hem niet noodig, dat hij de volle openbaring van Gods liefde in de overgave van zijnen veelgeliefden Zoon kende, om hem in lof te doen uitbreken, neen, de trouw van dien God, die trouwe houdt tot in eeuwigheid, zijn ontferming jegens ellendigen, zijn nederbuigende goedheid tot alles wat hulp behoeft, was voor hem oorzaak genoeg om tot zijn ziel te zeggen: "O, mijne ziel! prijs den Heere!"

Hoe weinig wordt dit soms bij ons gevonden. Hoe weinig behoefte hebben wij menigmaal om God te danken! Zou het niet zijn, omdat ons hart minder met den Heer bezig is, dan dat van den psalmist? Spreekt niet uit den overvloed des harten de mond? (Matth. XII: 34.)

Mocht er meer opgewektheid bij ons gevonden worden om in stilheid onze harten voor God uit te storten, en tot Hem te zeggen: "Wat zijt Gij toch goed!"

Wanneer hij, die dezen psalm gemaakt heeft, tot God had kunnen naderen als tot zijn Vader, welke woorden zouden onze ooren dan vernomen hebben! Welnu, moeten wij dan in dankzegging bij hem achterstaan? Geve de Heer ons, in zijn genade, hoe langer zoo meer een dankbaar hart. Gedenken we daartoe aan de korte, maar veel omvattende woorden van den Apostel Paulus in den brief aan de Kolossers: "Weest dankbaar."

"Ik zal den Heere prijzen in mijn leven, en mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben."

In mijn leven, en terwijl ik nog ben. Twee uitdrukkingen voor ne zaak, om te sterker te doen uitkomen, wat bedoeld wordt. Want wij zijn zoo licht geneigd om, ziende op onze tekortkomingen, ons tevreden te stellen met de gedachte: "In den hemel zullen wij altijd volmaakt danken."

Dit is volkomen waar. In den hemel zullen we zeker altijd God prijzen, ja, daar zal het niet mogelijk zijn om het niet te doen. En de dankzegging zal daar niet gebrekkig zijn, zooals ze hier vaak is. Maar dit heeft de psalmist zeker ook geweten. Doch zijn hart was z met den Heer vervuld, dat hij zoolang niet wachten kon, en daarom uitroept: "Ik zal den Heer prijzen in mijn leven, zoolang ik nog ben." Dit is voor den Heer zeker van veel waarde. We zullen allen wel gevoelen, dat er eenig verschil is, straks in den hemel God te prijzen, waar het niet anders kan, of het nu op aarde reeds te doen, waar we op zoo velerlei wijze worden afgetrokken, en er zooveel om en in ons is, wat aanleiding kan geven om het niet te doen. Het dan tch te doen, is zeker Gode welgevallig. Ja, het zal onzen God aangenaam zijn wanneer Hij ziet, dat er in onze harten behoefte en begeerte is om Hem te prijzen in ons leven, en onzen God psalmen te zingen, terwijl we nog zijn; behoefte en begeerte nu, terwijl we nog zijn op deze aarde, en het, om zoo te zeggen, kracht kost, om met de hemelsche dingen bezig te zijn. Toch is de Heer dit waardig. We zingen zoo schoon in n onzer liederen:

Hij is het waard,
Dat ik op aard,
Al mijnen tijd,
Hem dankend wijd!

 

Maar we hebben tevens noodig er biddend bij te voegen:

Heere, van boven
Schenk mij de kracht,
Om U te loven
Bij dag en nacht.

 

En behalve, dat het den Heer welgevallig is, wanneer wij dit doen, is het ook tot verheerlijking van zijn naam tegenover hen, die buiten zijn, en kan het hun tot een zegen wezen.

"Wie zal U loven in het graf?" (Ps. VI : 6.)

Wanneer wij God willen prijzen als een getuigenis tegenover zoovelen, die het niet kunnen doen, moeten wij het doen in ons leven.

Hierdoor kunnen ook zondaren worden aangetrokken tot Hem, die ons alles geworden is. Wanneer ik iemand zie, die gelukkiger is dan ik, kan allicht de vraag bij mij opkomen: "Wat is de oorzaak van dat geluk?" Zoo kan het ook, wanneer wij in ons leven God prijzen, in Hem verblijd zijn, ons in Hem gelukkig gevoelen en daaraan uiting geven, een aanleiding wezen voor hen, die ons omringen, zich naar datzelfde geluk uit te strekken; en wanneer daardoor n zondaar tot God zou gebracht worden, zou dat niet tot verheerlijking van zijn naam zijn?

We zien, hoeveel er van ons getuigenis hier beneden afhangt. Laat ons dan trachten den Heer meer te prijzen in ons leven, en onzen God meer psalmen te zingen, terwijl we nog zijn.

Zien we nu, wat den dichter tot lof en dank bewoog.

"De Heere heeft den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is."

Het eerste wat van God op deze aarde geopenbaard werd, was zijn almachtige, scheppende hand, die uit niet alles maken kon. Dit stemt hem tot aanbidding, en dit zal in den hemel ook zoo zijn. Ook dr zal God als Schepper verheerlijkt en geprezen worden. (Openb. IX). Maar ook dit doen wij misschien veel te weinig in ons leven. Hij, die alles uit niet gemaakt heeft, die alle dingen onderhoudt, die groote God, die den hemel heeft tot zijn troon en de aarde tot een voetbank zijner voeten, die een ontelbare schaar van engelen heeft tot zijn dienaren, die in het groot heelal alles leidt en bestuurt, die het getal der sterren weet, die ze bij namen roept en door wiens grootheid er niet n wordt gemist, die niet ophoudt door zijn almachtige hand regen en vruchtbare tijden te geven en onze harten vervult met spijs en vroolijkheid, zou Hij het niet alleen reeds drom waard zijn, door ons, zijn schepselen, geprezen te worden? Ja, hoeveel te meer, nu wij zijne kinderen door genade geworden zijn! Het is toch te onzen behoeve, dat Hij zijn machtige hand opent, en ons ook stoffelijk door de voortbrengselen der natuur van alles voorziet. Gewis, Hij is onzen dank waard in ons leven.

"Die trouwe houdt tot in eeuwigheid."

Dit is het tweede, waarmede de psalmist zich bezighoudt. Ware God niet getrouw, wat zou er van hem geworden zijn? Hoe gezegend is dit ook voor ons! Hield Gods trouwe niet stand tot in eeuwigheid, wat zou er van ons terecht komen, die vaak zoo ontrouw zijn? Hij, die z groot is, maar zich eenmaal tot ons, kleine en nietige schepsels, heeft neergebogen, Hij zal het met ons voleinden, en waar Hij ons eenmaal zijn woord geschonken heeft, in elk opzicht trouwe houden tot in eeuwigheid. Hoe gelukkig! Zijn wij in moeite en zorgen, en mocht het voor een oogenblik zijn, of de Heer niet aan ons denkt, het is slechts schijn, want Hij houdt trouwe tot in eeuwigheid.

Hoezeer echter de grootheid en majesteit, en de trouw van God voor de geloovigen een oorzaak van lof en dank is, toch wijdt de psalmist daaraan slechts n vers.

Er is iets anders, wat hem nog meer bezighoudt. Dat is de liefde en genade, de nederbuigende goedheid Gods; als zijn ziel daaraan denkt, is het, alsof al het andere wegvalt, en hij niet kan ophouden om op te sommen, hoe groot die genade is.

De schepper, die zoo groot is, buigt zich neer. En tot wie? Niet tot aanzienlijken, niet tot de grooten, niet tot de heerlijken, maar tot al wat hulpbehoevend is.

"Die den verdrukte recht doet. Die den hongerige brood geeft. De Heere maakt de gevangenen los. De Heere opent de oogen der blinden; de Heere richt de gebogenen op; de Heere heeft de rechtvaardigen lief. De Heere bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddeloozen weg keert Hij om."

Hoe wonderlijk! Het zijn verdrukten, hongerigen, gevangenen, blinden, gebogenen, rechtvaardigen, die op deze aarde overal geminacht worden, tot wie de Heer zich wendt. Het zijn de vreemdelingen, de weduwen en weezen, de verlatenen derhalve, die zijn aandacht trekken. Zij zijn het, over wie Hij in de eerste plaats met zorg vervuld is. Wanneer Hij zijn hand uitstrekt, dan is het het eerst tot deze hulpbehoevenden. Het is zijn lust hulp te verleenen aan hen, die zichzelf niet helpen kunnen, en Hij buigt zich neer tot verdrukten en gebogenen; tot weduwen en weezen, die zich alleen gevoelen. Daarin verheerlijkt Hij zijne genade. Welk een God is onze God! Welk een onuitsprekelijk voorrecht, zulk een God Vader te mogen noemen. O, hoe moet dit ons tot aanbidding brengen!

Hoe moeilijk kan het ons vallen, om af te dalen tot degenen onzer medemenschen, of zelfs tot diegenen onder onze broeders of zusters, die minder zijn dan wij. Wat kan het ons soms veel kosten, om eens op te zoeken degenen, die in moeite en lijden zijn, en hun een woord van bemoediging toe te spreken. Hoeveel gemakkelijker geven we gehoor, om naar het huis der maaltijden te gaan, waar we voor onszelven iets vinden, dan om te gaan naar het klaaghuis, waar we alleen kunnen heengaan om anderen van dienst te zijn.

Hij, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, wiens schepselen wij zijn, Hij daalt tot ons af, en, tot ons afgedaald, aanschouwt zijn oog het eerst hen, die hulp behoeven, tot wie Hij een woord van troost en bemoediging kan richten. Het is alsof de Heer zeggen wil: "Wanneer het anderen moeilijk valt, zich uw lot aan te trekken, Ik doe dat gaarne; dt is juist mijn lust."

En hoeveel gebogenen heeft de Heer reeds opgericht! Hoeveel weduwen en weezen heeft Hij reeds staande gehouden! Ach, zoo Hij het niet had gedaan, wat ware er van hen geworden! En Hij zal blijven staande houden en blijven oprichten zoolang er gebogenen zijn, want Hij houdt trouwe tot in eeuwigheid. Wel is de Heer waard, dat onze harten Hem prijzen in ons leven!

Waarde lezers, wanneer we zijne genade en goedheid aanschouwen, wat is dan nog een leven van dankzegging in vergelijking daarmede? Wanneer we van zijne liefde niets anders wisten, dan wat ons deze 146ste psalm mededeelt, zou dat geen oorzaak genoeg zijn om ons tot in eeuwigheid daarover in bewondering te doen neerbuigen?

En toch, niet alleen in woorden heeft de Heer ons dit alles gezegd, neen, ook met daden heeft Hij het bewezen. Wie onzer heeft Hij nooit opgericht, of staande gehouden? Van wie onzer heeft Hij niet, geestelijk, de oogen geopend en de banden losgemaakt?

Daarom gaf Hij, - en dat is wel de volle openbaring zijner liefde, - zijn eenig geliefden Zoon, die zelf op aarde is geweest een Verdrukte en Verworpene, en, die door allen verguisd werd. Wel is bij Hem, zooals de Apostel het noemt, een rijkdom van genade.

Vreeselijk echter zal het lot zijn van hen, die zulk een liefde van zich stooten. Goddeloozen worden ze genoemd. De Heer keert hun weg om. Eens moet God ophouden genade te bewijzen, en schrikkelijk zal het zijn als, onder Gods toorn, de weg der goddeloozen wordt omgekeerd. Moge niemand van hen, die dit lezen, zulks ondervinden!

Zoo zeker nu als het eene gedeelte van Gods Woord de waarheid is, zoo zeker is ook het andere dit. Het eene gedeelte van dezen psalm zien wij dagelijks bewaarheid: "Vertrouwt niet op prinsen, op des menschen kind, bij hetwelk geen heil is. Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijne aarde; te dienzelfden dage vergaan zijne aanslagen."

Welnu, dat zien wij elken dag vr ons. Hoe oud de menschen van de oude wereld ook werden, het is van Adam af geweest: "En hij stierf!" En dit gaat door. Geen dag gaat voorbij, of we zien de waarheid van dit woord. De dood heerscht; heden ik, morgen gij. De dagen en jaren gaan voorbij, maar de regel voor den mensch blijft: "Het is den menschen gezet, eenmaal te sterven."

Welnu, zoo onomstootelijk waar als dit is, zoo waar is het eveneens, dat God trouwe houdt tot in eeuwigheid, en dat Hij waardig is in ons leven geprezen te worden, dat we Hem psalmzingen, terwijl we nog zijn.

Geve de Heer, dat we veel behoefte mogen hebben om dit te doen, alleen en gemeenschappelijk! Moge onze mond zich gaarne openen om den lof des Heeren te vertellen! Dat zal reeds hier strekken tot prijs van zijn heerlijken naam, en het zal onze harten niet ledig of onvruchtbaar laten.

"Welgelukkig is hij, die den God Jakobs tot zijne hulp heeft, en wiens verwachting op den Heere, zijnen God, is."