Het openbaar verval van IsraŽl.

DE VRUCHTEN DER HERSTELLING.

(Richt. XXI.)

 

De herstelling van het volk IsraŽls had ten gevolge de onvoorwaardelijke weigering van de verbinding met het booze. "De mannen van IsraŽl nu," zoo lezen wij in het eerste vers van het laatste hoofdstuk van het boek der Richteren, "hadden te Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijne dochter aan de Benjaminieten ter vrouw geven." Wanneer de zielen, in een tijd van verval, door de machtige werking van Gods genade weer tot de eerste liefde terugkeeren, en die heerlijke gevoelens der toegenegenheid jegens den Heer bij hen werkzaam zijn, zoo worden zij daardoor niet verdraagzamer tegenover het booze. Vergeten wij niet, dat, hoe inniger en vertrouwelijker de gemeenschap met God is, des te meer ook de volkomen scheiding van het verkeerde zal gevonden worden. De afzondering verstompt echter anderzijds geenszins de hartelijke liefde der geloovigen, die alzoo wandelen, tot hunne broederen. Wij zien dat hier. Ten derden male trekt het volk naar Bethel op. Deze plaats is thans voor hen onontbeerlijk. De nederlaag had het volk er heen gedreven; de overwinning doet het den weg er heen opnieuw inslaan. "Zoo kwam het volk tot het huis Gods, en zij bleven daar tot op den avond voor Gods aangezicht." Bij hun laatste bezoek te Bethel hadden zij geweend, en waren daarna voor Gods aangezicht gebleven. Hier is het andersom; het volk blijft eerst. Dit is heerlijk! Er was behoefte om blijvend Gods aangezicht te zoeken. Men gevoelde, dat het noodig was, om in zijne tegenwoordigheid te verwijlen. David zegt: "Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek mijn aangezicht; - ik zoek uw aangezicht, o Heer!" (Ps. XXVII: 8.) En wanneer wij een gevoel hebben van den treurigen toestand, waarin de Gemeente zich op deze aarde bevindt, zullen wij ons geluk er in vinden om, te midden van het kwaad, dat er is, en de droevige omstandigheden des tegenwoordigen tijds, het aangezicht des Heeren te zoeken en als het ware tot den avond bij Hem te blijven. Weet ge wat het gevolg zal zijn? De tranen komen! En - wŤlke tranen! Wij lezen van IsraŽl: "En zij hieven hunne stem op en weenden met groot geween." Voor het eerst gevoelen zij thans de gansche smart, die de geslagen wonde heeft veroorzaakt. Zij zeggen: "O Heer! God van IsraŽl! waarom is dit geschied in IsraŽl, dat er heden een stam van IsraŽl gemist wordt?" Zij zeggen niet: Het booze is weggedaan, en nu hebben wij eindelijk rust en vrede. Neen, het weder ontwaken der hartelijke gevoelens voor den Heer en de broeders brengt een bittere smart met zich. De scheuring is er. Eťn stam ontbreekt. Het gansche lichaam gevoelt de smart der afscheiding van het ťťne lid. De God van IsraŽl is onteerd, Hij, die in den tabernakel de gouden tafel met de twaalf toonbrooden steeds voor oogen had! IsraŽl denkt thans niet meer aan zijn eigen smart, zooals vůůr de verootmoediging. Neen, heete tranen worden gestort in de tegenwoordigheid des Heeren, en juist daar, waar de eenheid voor altijd verloren schijnt te zijn, vindt zij hare verwezenlijking in het hart des volks. In de oogen des Heeren is dit nog eer de ware eenheid, dan die schijnbare eenheid van het afgevallen volk in het begin van het twintigste hoofdstuk.

De eerste stralen der opgaande zon vinden IsraŽl bezig om een altaar te bouwen. Het volk kan nu met den Psalmist zeggen: "O God, Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad." (Ps. LXIII : 2.) De verootmoediging en het verval verhinderen niet om God te dienen en te eeren. Zij kunnen hun altaar bouwen om Hem offeranden te brengen. Welk een genade is het, dat te midden van den treurigen toestand een altaar des Heeren blijft! Drie dingen zijn dezen eeredienst voorafgegaan en hebben er toe geleid hem in te voeren, namelijk: De algeheele afzondering van al het kwade; het zoeken van Gods tegenwoordigheid; en de algeheele erkentenis van het diepe verval, waarover groote droefheid heerscht. In dezen toestand brengen de IsraŽlieten hun brand- en vredeoffers. Ja, zůů verstaat het hart, wat het offer van Christus voor God is. O, mocht de gezindheid van IsraŽl ook praktisch bij ons werkzaam zijn! Alleen het diepe gevoel van den toestand, waarin de Gemeente zich bevindt, kan ons op Gode welgevallige wijze eeredienst doen plegen. Dan zullen wij weenen over de smaadheid, der Gemeente aangedaan door de scheuringen, en tegelijkertijd zullen wij niet wijken van het aangezicht Gods, maar in zijne tegenwoordigheid offeranden der dankzegging brengen voor het deel, dat Hij ons, met Zichzelven, aan Christus' offerande gaf.

Al deze zegeningen, op den weg der verootmoediging herkregen, vormen het uitgangspunt voor het oordeel over Jabes in Gilead. Uit deze stad was niemand tot den Heer naar Mizpa opgekomen. Eenerzijds lag daarin een zekere onverschilligheid in betrekking tot het oordeelen van het kwaad; anderzijds een geringschatting van de door God gemaakte eenheid des volks, die in de houding der elf stammen zoo schoon tot uitdrukking gekomen was. Waarschijnlijk hebben de menschen van Jabes tot elkander gezegd: "Wat gaat dat ons aan?" O, hoe menigwerf hebben wij in onze dagen dergelijke woorden gehoord! De toestand dier mannen was nog ernstiger dan het kwaad zelf. Voor zulk een weigering kon geen erbarming gelden. Het oordeel moest worden uitgeoefend. Vůůr dit evenwel tot uitvoering kwam, denkt IsraŽl echter toch aan barmhartigheid. Wij lezen in vers 6 en 7: "En het berouwde den kinderen IsraŽls over Benjamin, hunnen broeder; en zij zeiden: Heden is een stam van IsraŽl afgesneden. Wat zullen wij, belangende de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want wij hebben bij den Heer gezworen, dat wij hun van onze dochteren geene tot vrouw zullen geven." Ja, niet alleen denken zij vůůr de uitvoering van het oordeel aan barmhartigheid, maar het oordeel leidt er zelfs toe om deze barmhartigheid in beoefening te brengen. Want de afsnijding van Jabes had de herstelling van Benjamin ten doel. DŠt is het, wat IsraŽl uit dezen langen en smartelijken strijd gewonnen heeft. Gelukkig een iegelijk, die uit zulke dingen leert, en die een volkomen haat tegen het booze weet te vereenigen met een ongehuichelde liefde jegens zijne broeders.

De inwoners van Jabes werden geslagen met de scherpte des zwaards, doch vier honderd jonge dochters, die maagden waren, werden gespaard en aan het armzalig overblijfsel van Benjamin tot vrouwen gegeven. Dit was echter nog niet genoeg. De wonde moest geheel en al verbonden worden. De liefde is vindingrijk in het zoeken van middelen om ze te heelen. En zij geeft IsraŽl een middel in de gedachte, waardoor het zijn broeders kon te hulp komen zonder zijn verplichting tegenover God te verzaken, of den maatstaf der afzondering van het kwade te verlagen. IsraŽl laat zich door Benjamin te Silo berooven, derhalve in zekere mate onder de oogen des Heeren. Terwijl het dus bereid is, de rol van overwinnaar met die van overwonnene te verwisselen, laat het zijn door de tucht zoo zwaar beproefden broeder het laatste woord.

"De erfenis dergenen, die ontkomen zijn," zoo lezen wij in vers 17-21, "is van Benjamin, en er moet geen stam uitgedelgd worden uit IsraŽl. Maar wij zullen hun geene vrouwen van onze dochteren kunnen geven: want de kinderen IsraŽls hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die den Benjaminieten een vrouw geeft. Toen zeiden zij: ziet, er is een feest des Heeren te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis Gods, tegen den opgang der zon, aan den hoogen weg, die opgaat van het huis Gods naar Sichem, en tegen het Zuiden van Lebůna. En zij geboden den kinderen van Benjamin, zeggende: Loert in de wijngaarden. En let er op, en ziet, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zoo komt gij voort uit de wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochteren van Silo; en gaat heen in het land van Benjamin."

Voorts is het merkwaardig, welk een teeder gevoel voor Benjamin er is bij het volk IsraŽls. In vers 22 wordt gezegd: "En het zal geschieden, wanneer hare vaders of hare broeders zullen komen, om voor ons te rechten, dat wij tot hen zullen zeggen: Zijt hun om onzentwil genadig, omdat wij geen huisvrouw voor een ieder van hen in dezen krijg genomen hebben." IsraŽl zegt niet: "Zij hebben geen vrouw ontvangen," maar "wij hebben niet voor een ieder van hen genomen." Dit is een geheel andere gezindheid dan in den beginne. Toen zei IsraŽl: "Wat voor een kwaad is dit, dat onder ulieden geschied is?" (Richt. XX : 12.) Maar nu scheidt IsraŽl zijne zaak niet meer van die zijner broederen. Het beschouwt zich ťťn. En deze door God zelf gemaakte eenheid des volks heeft in de oogen van de getrouwen, die in deze booze dagen des vervals leven, hare volle beteekenis herkregen.

Moest het ook bij ons niet alzoo zijn, geliefde lezers? Wanneer ook de menschen, ja, wanneer zelfs Christenen, de goddelijke eenheid der Kerk van Christus geringschatten; wanneer zij deze uitwendig door allerlei armzalige inzettingen zoeken te vervangen, om zich dan met een schijn van eenheid te vergenoegen; wanneer zij zelfs een bondgenootschap sluiten tusschen de verschillende genootschappen en secten en daardoor het verval rechtvaardigen, omdat zij het blijven handhaven, - ik zeg, wanneer dergelijke droevige ervaringen door ons worden opgedaan in de Christenheid, laat ons dan zulke dingen den rug toekeeren; laten wij ons verootmoedigen betreffende het verval der Gemeente, en laat het ons luide verkondigen, dat er maar "ťťn lichaam en ťťn Geest" is, terwijl wij er tegelijkertijd naar streven om de "eenheid des Geestes te bewaren in den band des vredes!" Laat ons elke gemeenschap met het zedelijk en godsdienstig kwaad onzer dagen van de hand wijzen, en boven dit alles aandoen "de liefde, die de band der volmaaktheid is." (Kol. III : 14.)

Dat is de leering, die niet alleen het nu behandelde gedeelte van Gods Woord, maar die het geheele boek der Richteren aangeeft. Het sluit dan ook met een plechtige herhaling van de woorden, die de booze dagen kenmerken: "In die dagen was er geen koning in IsraŽl; een iegelijk deed, wat goed was in zijne oogen." (Richt, XXI: 25.)

God verandert dezen beklagenswaardigen toestand niet. Hij stelt hem alleen vast en wendt den blik der zijnen af van het dwaallicht des gewetens, dat wel is waar hen geoordeeld, maar nimmer hen geleid heeft, om dien te richten op het helderschijnende licht van zijn onfeilbaar Woord, hetwelk ons vermag te leiden, op te bouwen, en een erfdeel te geven onder al de geheiligden. (Hand. XX : 32.)

"Tot de wet en tot de getuigenis!" Zoo zegt Jesaja tegen het volk van IsraŽl, dat in verval is. En ditzelfde woord is van gewicht ook voor ons. Het geeft ons een machtig wapen ten tijde des vervals.

 

En hiermede zijn wij aan het einde gekomen van onze beschouwingen over het boek der Richteren. Wij hebben door Gods goedheid in dit belangrijke boek des vervals veel leerrijks mogen opmerken; ook telkens de trouw van den Heer tegenover de zijnen mogen waarnemen. God geve, dat de overdenkingen voor ons allen gezegend mogen geweest zijn!