Het openbaar verval van IsraŽl.

DE LEVIET VAN EFRAŌM.

(Richt. XIX.)

 

Onze vorige beschouwing heeft ons den godsdienstigen toestand, waarin het volk van IsraŽl was gekomen, op treffende wijze voor oogen gesteld. Wij hebben tevens gezien welk een invloed door een valsche priesterlijke klasse op het volk werd uitgeoefend. Dit zoogenaamde priesterschap, dat, van een godsdienstig oogpunt bezien, geheel verdorven was, kweekte bij het volk het godsdienstig verderf aan. En hoewel de in hoofdstuk XVII vermelde gebeurtenissen in hoofdzaak hebben plaats gevonden vůůr de tijden der Richteren, zoo was het toch noodzakelijk, ze eerst aan het einde mede te deelen om aldus de trapsgewijze ontwikkeling van het booze in IsraŽl duidelijk voor oogen te kunnen stellen. Een dergelijke verplaatsing der gebeurtenissen, met het doel om een gezamenlijken indruk te geven betreffende sommige zedelijke waarheden, treffen wij ook in het Nieuwe Testament aan, en wel in het Evangelie van Lukas.

Het kwaad in zijn laatste en ergste openbaring vinden wij dan ook hier in dit negentiende hoofdstuk. Simson, de laatste der Richteren, riep nog tot zijn God. In alle gewichtige en moeilijke oogenblikken wendde hij zich tot den Heer. De Leviet uit Juda deed het alleen nog in betrekking tot zijn beelden en terafim. Maar bij den Leviet uit EfraÔm, over wien wij thans met elkander spreken, is in het geheel geen godsdienst te vinden. De Heer schijnt voor hem niet meer te bestaan. En, let wel! deze man is een Leviet, en behoort tot een geslacht, dat zich heeft gewijd aan den dienst van Jehovah, van het priesterschap en van het huis Gods.

In het hoofdstuk, dat vůůr ons ligt, [1] vinden wij de verhouding van den Leviet van EfraÔm tot den zedelijken toestand van IsraŽl opgeteekend. Bij den vorigen Leviet kon er nog sprake zijn van den godsdienstigen toestand; hier niet. Helaas! waar deze laatste treurig was, zooals wij de vorige maal zagen, de eerste was nog veel droeviger. Het bijwijf van den Leviet loopt van hem weg, nadat zij hem van te voren ontrouw was geworden. Nu raadpleegt de Leviet niet met den Heer, wat hij in zulk een diep-verootmoedigend geval had moeten doen. Wel neen, zijn hart drijft hem naar haar uit; hij snelt haar achterna, en hij vereenigt zich weer, handelende naar het goeddunken van zijn eigen hart, met deze ontrouwe vrouw. Dat bevalt den vader uitnemend, want in de handelwijze van den Leviet ziet hij een eerherstel voor zijn dochter. Ach, het doen van dezen Leviet was zonder twijfel een rechtvaardiging van het kwaad, een goedkeuren van de onreinheid, en dit was te schrikkelijker naarmate hij een plaats behoorde in te nemen van afzondering. De schoonvader is vroolijk over zijn schoonzoon, en hij houdt hem een paar dagen, want hoe langer hij bleef, des te duidelijker en ruchtbaarder werd de wederaanneming en het herstel in eere van zijn dochter.

De wereld bewijst ons hare liefde en vriendschap, naarmate wij hare belangen dienen. De verbintenis met de familie Gods is haar volstrekt niet onaangenaam. Als men natuurlijk maar met haar medegaat!

De Leviet laat zich dus ophouden. Daar hij niet God of zijn Woord, maar slechts zijn geweten tot richtsnoer nam, liet hij zich door anderen overhalen, bleef den ťťnen dag na den anderen, liet het rechte oogenblik van vertrekken voorbijgaan, en stortte zich zoodoende in het ongeluk.

En wat nu? Deze man, die er niets in zag, om zich met een hoer te verbinden, wilde niet bij de Jebusieten en in hunne stad overnachten! "Wij zullen herwaarts niet wijken," zegt hij, "tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen IsraŽls."

Iets dergelijks vinden wij vaak bij den Christen. Hij wil zich uiterlijk niet met de wereld verbinden, terwijl de bodem zijns harten met dezelfde dingen verontreinigd is. Men kan in het openlijk optreden zeer nauwgezet, maar tegelijkertijd, wat de persoonlijke heiligmaking betreft, zeer zwak zijn. Het gaat dan als bij den Leviet; niet om den Heer, maar om het volk. De Leviet gevoelde zich nauwer aan het volk, dan aan God verbonden. Beter gezegd, met God hield hij geen rekening meer. Maar tegenover het volk nam hij toch nog een goeden schijn aan. Met een zekeren nationalen trots, want van vroomheid was geen sprake, wendt hij zich van de Jebusieten af. Hij schijnt de meening toegedaan, dat alleen dat, wat uit IsraŽl komt, goed kon zijn, terwijl hij toch weten moest, dat IsraŽl den Heer reeds smadelijk verlaten had. Deze beginselen worden nog gevonden, en kenteekenen ons verval evenzeer als dat van het oude volk Gods. Men prijst en roemt het Christendom in tegenstelling met de heidensche, afgodische volkeren, hoewel men weet, dat het Christendom zelf de kweekplaats geworden is van alle zedelijk en godsdienstig bederf.

De Leviet moet nu de ervaring opdoen, dat hij geen opname vindt bij een volk, tot hetwelk God gezegd had: "Wacht u, dat gij den Leviet niet verlaat, al uwe dagen in uw land." (Deut. XII : 19.) Het bedorven getuigenis biedt den man Gods (ik spreek hier natuurlijk over zijn roeping, niet over den zedelijken toestand, waarin hij zich bevindt) geen bescherming. Men ziet in vers 18, welke gevoelens er daardoor in het hart van den Leviet gewekt worden. Hij zegt: "Ik trek nu naar het huis des Heeren, [2] en er is niemand, die mij in huis neemt." Een alleenstaande vreemdeling, die te midden van het verdorven Gibea woont, en die, evenals Lot, er ook zelf het bewustzijn van omdroeg, (want hij zegt: "alleenlijk vernacht niet op straat!") bewijst den Leviet gastvrijheid en neemt hem met zijn vrouw in huis op. En dan gebeurt die vreeselijke, schandelijke zaak. De onreine, woeste hartstochten van de menschen, die den naam des Heeren droegen, ontketenden zich, en dreven tot handelingen, die aan die der Sodomieten gelijk stonden. Zulke dingen vinden nu niet in de vervloekte stad der Heidenen, maar in IsraŽl plaats, en ze zijn daarom schrikkelijker dan de geschiedenis van Lot. Want zooals doode vliegen de welriekende zalf des apothekers doen stinken, zoo is het verderf van Gods volk het schrikkelijkste van alle verderf.

Hier komen dan ook geen engelen, om in te grijpen in de gebeurtenissen en de rechtvaardigen te bevrijden. De heer des huizes gaat, evenals Lot, naar de deur om met de mannen der stad te onderhandelen. "Niet, mijne broeders! doet toch zoo kwalijk niet; naardien deze man in mijn huis gekomen is, zoo doet zulke dwaasheid niet. Ziet, mijne dochter, die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt, en haar doet, wat goed is in uwe oogen; maar doet aan dezen man zulk een dwaas ding niet." Hij wil zich dus een kleiner onheil laten welgevallen om een veel grooter af te wenden. Dit is altijd noodzakelijkerwijze het beginsel, waarnaar de geloovigen handelen, wanneer zij midden in de wereld leven. God bewaart dezen man, dat zijn huis niet door die schandjongens verontreinigd werd, maar hij zelf zag geen anderen uitweg, dan zijn dochter prijs te geven. Hoe schrikkelijk! Toen kwam de Leviet en leverde zijn bijwijf aan de schande over. Door een ernstig roepen tot God, door een herinnering aan zijne bescherming in vroeger dagen, had dit onheil nog afgewend kunnen worden. Zou de Heer niet ook nu het volk met blindheid hebben kunnen slaan? Maar geen bede om hulp stijgt tot Hem omhoog, want van het hart van den Leviet ging geen weg tot den Heer.

De arme vrouw, die zonder berouw en zonder oefening des gewetens van haar vroegere hoererij had afstand gedaan, stierf nu aan de schrikkelijke gevolgen van datgene, waarnaar vroeger haar hart was uitgegaan. God laat de maat van het kwade vol worden. Maar nochtans weet Hij, zooals wij uit de volgende hoofdstukken zien zullen, uit het kwade altijd, zelfs hier uit deze afschuwelijke daad, iets te voorschijn te doen komen tot verheerlijking van zijnen Naam.

Het Woord van God stelt ons twee groote waarheden voor oogen: wie God is, en wie de mensch is. God zoekt nooit den toestand, waarin de mensch zich bevindt, te bemantelen; wanneer Hij dat deed, zou Hij niet de God zijn, die licht is, en zijn Woord zou in zijn beide elementen vervalscht zijn. God schildert ons den mensch als onverschillig, als natuurlijk beminnenswaardig of godsdienstig, als gewelddadig of verdorven, als steeds zelfzuchtig, huichelachtig, goddeloos en afkeerig; - zoowel zonder wet als onder de wet en onder de genade, en dat wel onder alle omstandigheden, terwijl Hij ons tevens het werken van zijne genade in het hart des menschen onder allerlei vormen aantoont. Op deze wijze hebben wij een goddelijke schilderij van onzen toestand, en worden wij uitgenoodigd, daaruit de gevolgtrekking te maken, dat wij in onszelven volkomen hulpeloos zijn, en dat er geen hulp en geen toevlucht voor ons is, dan alleen in het hart van onzen God.


[1] Mogen wij onzen lezers nog eens herinneren, dat het zoo hoogst noodzakelijk en nuttig is, bij elke beschouwing, die wij geven, steeds het hoofdstuk, dat behandeld wordt, eerst te lezen, en daarna ook te raadplegen?

[2] De Nieuwe Vertaling heeft hier: "Ik trek of wandel met het huis des Heeren;" dat wil dus zeggen: Ik sta in verbinding met den tempel; ik ben een Leviet.