Het godsdienstig bederf van IsraŽl.

DE LEVIET VAN JUDA.

(Richt. XVII en XVIII.)

 

Nadat wij in den vorigen jaargang eenige beschouwingen hebben gegeven over het eigenlijke boek der Richteren, namelijk over de eerste zestien hoofdstukken, waarin ons de geschiedenissen der Richteren worden medegedeeld, wenschen wij thans in enkele artikelen nog een woord te zeggen over de vijf slot-kapittels, het zoogenaamde aanhangsel van dit boek. Wij willen met dit laatste niet zeggen, dat deze hoofdstukken van minder gewicht zijn; dat zij "maar" een aanhangsel vormen. Integendeel. Wij gelooven, dat zij tot de voltooiing der schilderij, die ons IsraŽls verval voorstelt, van groot belang zijn. Maar geschiedkundig hebben de gebeurtenissen, die ons in deze hoofdstukken worden medegedeeld, plaats gevonden vůůr het eigenlijke begin van het boek der Richteren; zij voeren ons zelfs ten deele terug tot den tijd van Jozua en van de oudsten, die hem opvolgden. Op drie verschillende plaatsen wordt ons dit, in deze hoofdstukken zelve, medegedeeld.

Ten eerste in hoofdstuk XVIII : 1. Wij lezen daar, dat de stam der Danieten voor zich een erfenis zocht om te wonen, omdat het hun toegedachte deel voor hen te klein was. En uit Jozua XIX : 47 blijkt, dat de stam van Dan ten tijde van het uittrekken der twaalf stammen, om hun erfdeel te veroveren, Lesem innam. Lesem nu is dezelfde stad als LaÔs in Richteren XVIII.

Ten tweede in hoofdstuk XVIII: 12. Machanť-Dan krijgt daar zijn naam door het optrekken en het er zich legeren van den stam van Dan, terwijl deze plaats reeds in den aanvang der geschiedenis van Simson onder denzelfden naam bekend was. (Richt. XIII : 25; Machanť-Dan = optrekking of legering van Dan.)

En ten derde in hoofdstuk XX : 28. Uit hetgeen wij daar lezen: "Pinehas, de zoon van Elťazar, den zoon van Ašron, stond voor zijn aangezicht in die dagen," mogen wij besluiten, dat deze dagen onmiddellijk op de in Jozua XXIV vermelde gebeurtenissen volgden. (Zie Jozua XXIV : 33.)

Geschiedkundig vond dit alles, wat in deze hoofdstukken vermeld wordt, plaats vůůr Richt. I. En dit is merkwaardig. Want daaruit blijkt, dat de inwendige toestand des volks reeds geheel bedorven was eer God het in de handen der vijanden overgaf. Met de gemeente des Heeren is dit evenzoo gegaan. Nauwelijks was de laatste apostel van het tooneel verdwenen, of reeds vertoonde zich het inwendig bederf. Welk een breede afgrond tusschen de oorspronkelijke grondbeginselen der gemeente en die, welke in de tijden, op de apostelen volgende, werden op den voorgrond gesteld en gehuldigd!

Wij hebben bij de beschouwing der eerste zestien hoofdstukken van ons boek opgemerkt, hoe belangrijk het is om te zien, dat het verval zich trapsgewijze ontwikkelt, maar tevens, dat het bederf in IsraŽl begon op het oogenblik, dat God het bewaren der eerste zegeningen aan de handen zijns volks toevertrouwde. Verder hebben wij mogen opmerken, dat steeds het einde Gods niet het volkomen verval, maar veelmeer de herstelling van zijn volk is. En ten slotte was het niet minder van belang om duidelijk aan het licht te doen treden de plaats, die het priesterdom tegenover het verval innam, en aan te toonen, hoe dit zich met het verval ťťn maakte, ja, het bevorderde. Welnu, al deze hoofdtrekken der waarheid Gods, en nog vele andere, vinden we hier in dit zoogegenaamde aanhangsel, hetwelk wij thans overdenken zullen, in het kort samengevat.

Deze laatste vijf hoofdstukken staan door een karakteristieke zinsnede, die er viermaal in voorkomt, met elkander in verbinding. Deze zinsnede luidt: "In diezelve dagen was er geen koning in IsraŽl; een iegelijk deed, wat recht was in zijne oogen." (Richt. XVII : 6; XXI : 25.) "In die dagen was er geen koning in IsraŽl." (Richt. XVIII : 1; XIX : 1.)

Zoo wordt dus de toestand des volks in die booze dagen door twee feiten gekenmerkt.

Ten eerste: "Er was geen koning in IsraŽl." Dat wil niet zeggen, dat dit het begeerlijke en gewenschte was. Maar de bedoeling is, dat het nog niet de tijd was, dat vanwege IsraŽl de wensch zou geuit worden: "Zet nu een koning over ons om ons te richten, gelijk al de volken hebben.'' (1 Sam. VIII : 5.) Tot nu toe was de Heer de koning des volks geweest. Maar thans was God vergeten, ter zijde gesteld, hoewel het koningschap, naar de wijze der volkeren, nog niet was ingevoerd geworden. Maar dit verlaten des volks van de goddelijke regeering, zou ongetwijfeld leiden tot den regeeringsvorm dezer wereld. En is het niet ook zoo met de Christenheid in onze dagen gegaan?

Ten tweede: "Een iegelijk deed, wat goed was in zijne oogen." Men had de heerschappij der gewetensvrijheid. Ieder gaf voor, het licht van zijn geweten tot richtsnoer te hebben. Men vroeg niet meer naar het licht van Gods Woord. Men sprak er niet meer van. Het Woord Gods en de gedachten des Heeren hadden geen invloed meer. Een iegelijk deed, wat hij meende, dat goed was. Hoe geheel onderscheiden waren deze dagen van de dagen van Jozua, toen het Woord Gods het eenige richtsnoer was, en alleen gezag voor IsraŽl had. (Jozua I : 7-9; III : 4 en 6; VIII : 30-35, enz. enz.) En in werkelijkheid kan ook het geweten, hoewel het een buitengewone waarde voor den mensch heeft, geen leidsman voor ons wezen. Wel een oordeelaar. Dat is echter een groot onderscheid! Dezen oordeelaar, naar wien de mensch niet hoort, meent hij te eeren door hem tot zijn leidsman te benoemen. Maar hoe zal een geweten, dat ingeslapen, afgestompt, misschien met een brandijzer toegeschroeid is, nog kunnen leiden? Wij zien in deze hoofdstukken, waarheen de IsraŽlieten gebracht werden, toen zij zich door het geweten den weg lieten wijzen. De afgodendienst verkreeg diepe wortelen naast andere nog overgebleven godsdienstvormen. Men gaf zich over aan de neigingen van het hart en stortte zich in afschuwelijke zonden. Men meende toch goed te doen! O ja, een iegelijk deed wat goed was, maarÖ niet wat goed was in Gods oogen. En hoe is het hiermede thans in de Christenheid gesteld? Is het niet waar, dat men ook nu, over het geheel genomen, niet naar Gods Woord wil hooren? Men wil zijn vormen, zijn godsdienst houden, omdat men meent, dat het goed is; het is zoo heerlijk; veel schooner, dan het eenvoudige, wat God geeft. En als dan Gods Woord wordt aangehaald, om te bewijzen, hoe lijnrecht men handelt tegen Gods gedachten in, dan maakt men zich met de een of andere nuttigheidsredeneering er van af. Immers: "Men doet wat goed is in zijn oogen."

Werpen wij nu een blik op het tafereel, dat zich voor onzen blik ontvouwt in de hoofdstukken XVII en XVIII. In deze gansche schildering van het godsdienstig bederf van het volk, dat nog in het bezit was van de eerste rijke zegeningen Gods, is niet ťťn enkel rustplekje voor het hart te vinden. Als wij dit bij het licht van Gods Woord overdenken, dan zullen wij leeren verstaan, dat te midden van het verval, van de schrikwekkende toeneming van het kwade, alleen God onze toevlucht is.

Het geheel vergeten van Gods Woord en van de ordeningen, door Hem daarin gegeven, kenmerkt Micha, den man van het gebergte van EfraÔm, en zijn moeder. De zoon steelt, hoewel God in de wet had gezegd: "Gij zult niet stelen, en hij verkondigt zijn daad, zonder dat het zijn geweten eenigermate schijnt te bezwaren. En de moeder zegt: "Ik heb dat geld den Heere ganschelijk geheiligd van mijne hand, voor mijnen zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken," (vs. 3.) niettegenstaande de Heer gezegd had: "Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken." (Ex. XX : 3 en 4.) Zij bracht dus, wat veel erger is dan alleen afgodendienst, den Heer met haar afgoden in verbinding, en haar geweten klaagde haar hierover niet aan. Zij had zich een godsdienst gemaakt naar haar gedachten, waaraan haar schuldige zoon ook geheel en al deelnam. Nu, de godsdienst der hedendaagsche godsdienstige wereld onderscheidt zich niet zoo zeer van hetgeen deze vrouw deed. Men zal dit misschien niet denken, maar toch is het zoo. Wordt niet de naam des Heeren in verbinding gebracht met allerlei voorwerpen van menschelijke begeerlijkheid? Met die dingen, waarvan Johannes gezegd heeft: "Kinderen! bewaart uzelven van de afgoden?" Kunst, muziek, goud en zilver, allerlei kostbare voorwerpen, dienen tot het aantrekkelijk maken van den zůogenaamden godsdienst, en de menschen laten daarin alles, wat de wereld op prijs stelt en waarnaar zij streeft, haar rijkdommen, haar invloed en de menschelijke wijsheid, den vrijen teugel.

"En de man Micha had een Godshuis; en hij maakte een efod en terafim." (vs. 5.) Hij verbond derhalve de valsche goden, de terafim, met den efod. Maar de vormgodsdienst, dien hij in het aanzijn riep, was waardeloos, want hij was gescheiden van den hoogepriester, die den efod dragen moest!

Daarna "vulde hij de hand van ťťn uit zijne zonen, dat hij hem tot een priester ware. "O, hoe was het Woord Gods in vergetelheid geraakt! Zijn zoon had geen recht op het priesterdom, en Micha had geen recht, dien zoon tot priester te wijden.

Maar hierbij blijft het niet. Een geheel nieuwe zaak doet zich voor. Een Leviet uit Juda, die als zoodanig met het huis des Heeren in betrekking stond, kwam toevallig dien weg langs, om naar een plaats te zoeken, waar hij gelegenheid zou vinden, zich eenigen tijd op te houden, daar hij als vreemdeling geen onderdak had. En dadelijk wendt Micha zich tot dezen man, daar hij hem ten minste een schijn van waren godsdienst zou verleenen.

"Blijf bij mij," zegt hij, "en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleederen, en uwen leeftocht." (vs. 10.) Micha gaat dus op den ingeslagen weg voort. In de eerste plaats mocht deze Leviet niet offeren. Hij had wel recht op het huis des Heeren, maar niet op het priesterdom. In de tweede plaats is Micha de man, die alles doet. Hij stelt een Leviet, die voor hem meer gold dan zijn zoon, in den dienst, hij onderhoudt en hij bezoldigt hem. Zoo werd dan deze Leviet een geestelijke, door menschen aangesteld. En hoewel niet op dezelfde wijze, zoo is toch het beginsel, dat hieraan ten grondslag ligt, hetzelfde, wat de hedendaagsche "geestelijken" aangaat.

Nemen wij hierbij in aanmerking, hoe God ons deze dingen laat mededeelen. Hij bestraft niet, noch geeft zijn ongenoegen te kennen. Hij vertelt alleen de feiten, en stelt die voor onze aandacht. Zij, die geestelijk zijn, zullen onderscheiden datgene, wat God afkeurt, of wat Hij prijst, en zij zullen dan de heerlijke ervaring opdoen, dat zij aan al de beginselen, waarvan ook dit hoofdstuk weer een zoo treurige schildering geeft, even vreemd zijn, als God zelf er vreemd aan is. Maar de vleeschelijk gezinde mensch blijft in zijne verblinding voortgaan, meenende, dat hij goed doet. Micha meende zich de gunst des Heeren te verwerven doordat hij deed, wat in zijn oogen goed was. "Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de Heere mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb!"

Nadat ons in hoofdstuk XVII is voorgesteld het verval van ťťn enkelen IsraŽliet en van degenen, die met hem in verbinding stonden of kwamen, wordt ons in hoofdstuk XVIII medegedeeld, hoe een geheele stam, ťťn der twaalf stammen IsraŽls, zich in betrekking stelde met het godsdienstig systeem van Micha.

Dan had bewezen de zwakste onder de stammen IsraŽls te zijn. Door de Amorieten was hij in het door Jozua aangewezen gebied uit de laagte verdrongen en tot op eenige plaatsen aan en op het gebergte beperkt. (Richt. I : 34.) Daardoor was hem, zooals hier geschreven staat, tot op dien dag onder de stammen van IsraŽl niet genoegzaam ter erfenis toegevallen. Bovendien was hij te zwak van geloof om later nog van zijn erfdeel bezit te nemen en zond nu vijf dappere, strijdbare mannen, om het land te verspieden en te doorzoeken,opdat er woning zou gevonden worden voor de Danieten.

LaÔs was een vreedzame en welvarende stad, in het uiterste noorden van Kanašn gelegen, ver van de SidoniŽrs, van welke zij waarschijnlijk een kolonie was. Hulp bij mogelijken aanval kon zij dus niet verwachten, maar, daar zij niets met eenig mensch te doen had, was zij stil en zeker en vreesde geen kwaad. Op deze stad nu had Dan het oog gevestigd. Zij bood hem wel is waar niet het uitzicht op een roemrijke verovering, maar zij bevatte alles, wat het natuurlijke hart van Dan maar wenschen kon, en dat was voor hem hoofdzaak. De spionnen berichtten: "Een plaats, alwaar geen gebrek is aan eenig ding, dat op aarde is." (vs. 10.) Afgezien van de verdorvenheid, geleek LaÔs, evenals Sodom vůůr zijn verwoesting, op een tuin des Heeren. De verovering, welke de verzwakte stam van Dan zoo aantrok, was dus een verovering, een Lot waardig. Ach, waar was de geest van een Abraham! Dan had zeer goed binnen zijn grenzen den strijd kunnen strijden en de overwinning kunnen behalen, en dat wel over de Amorieten in het dal. Maar dat was Dan te bedenkelijk. Hij verkoos een minder gevaarlijke verovering aan het einde des lands, ver van de oogen der getuigen des Heeren, en ver van de plaats, waar de werkelijke vijand zich bevond, dien hij, zonder een woord te zeggen, in zijn erfdeel liet.

De vijf spionnen treffen op hun reis den Leviet in het huis van Micha aan, en vragen hem: "Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij alhier en wat hebt gij alhier?" Deze vragen hadden de oogen van den Leviet moeten openen, ten minste wanneer ooit vragen daartoe in staat zijn. Want wat kon hij er op antwoorden? Zijn eigen wil had hem hier gebracht, want hij had een plaats gezocht om te wonen en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Hij deed voorts wat Micha hem had opgedragen, en hij had geld, de bezoldiging, die hij ontving. Dit zijn alle karaktertrekken van de zoogenaamde geestelijkheid, die een plaats heeft gezocht, die doet wat haar door menschen aangewezen is, en die werkzaam is voor een vast loon.

"Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zijn zal." (vs. 5.) Tot zulk een man, die zulk een droevig antwoord geven moest op hun vragen, wenden zij zich nu verder om raad, wat betreft het gaan van hun weg, en zij ontvangen het antwoord: "Gaat in vrede; uw weg, welken gij zult heentrekken, is van den Heer." (vs. 6.) Deze valsche aanmatiging, van het orakel des volks te zijn, moest nog vermengd worden met den naam des Heeren! Verleider en verleiden, mag men wel zeggen. Zij vleien den priester door hem in zijn waardigheid te erkennen, en hij vleit wederkeerig de spionnen door hun een antwoord te geven naar hun wensch. En waarlijk, het woord van den Leviet kwam uit. Hun weg is voorspoedig. Met weinig moeite worden de inwoners verdreven en zij bouwen zich een stad. Zij hebben later zeker den Heer gedankt, door den priester, voor het voorspoedig maken van hun weg. Maar, helaas! hun hart was niet recht voor God. Hier hebben wij een zeer duidelijk bewijs, dat het gelukkig gevolg van een zekere onderneming nooit op zichzelf een bewijs van goddelijk welgevallen is. God laat veel gelukken, wat wij zonder zijn wil, zonder Hem eerst te vragen, tŤgen zijn wil zelfs, voornemen en ten uitvoer brengen. De wettige hoogepriester te Silo zou zeker een geheel ander antwoord gegeven hebben dan deze Leviet van Micha, die zich de waardigheid van priester had laten geven. De hoogepriester zou hun gezegd hebben, dat zij de Amorieten moesten verdrijven en dat zij niet hun erfenis moesten verlaten. (Jozua XVII : 12-18.)

Later, toen de kinderen van Dan gewapend het gebergte van EfraÔm voorbij trokken, droegen de Danieten er allereerst zorg voor, de goden van Micha te bemachtigen en hem zijn priester afhandig te maken. Zij schilderden dezen zijn bevordering in schoone kleuren voor de oogen door te zeggen: "Ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat gij een priester zijt voor het huis van ťťnen man, of dat gij priester zijt voor een stam en een geslacht in IsraŽl?" Zoo werd de Leviet tot een meer invloedrijke en gewichtiger positie geroepen. En wat deed hij? De gedachte aan den wil Gods kwam in het geheel niet bij hem op. "Toen werd zijn hart vroolijk, en hij nam den efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden des volks," (vs. 20.) Hij nam zijn afgoden mee; en met dezen man, die door de arme Danieten "hun priester" werd genoemd, nam de afgodendienst in het midden van Dan een ambtelijk karakter aan.

Toen Micha dit hoorde, verzamelde hij zijn mannen en jaagde de roovers na. "Gijlieden hebt mijne goden, die ik gemaakt heb, weggenomen", zoo roept hij hun toe, "mitsgaders den priester, en zijt weggegaan; wat heb ik nu meer?" (vs. 24.) Welk een taal! Zijn godsdienst en zijn goden waren hem afgenomen en nu had hij niets meer over. Een man des geloofs had het verlies dezer uiterlijke dingen nooit kunnen ondervinden. God zelf, zijn Woord, het priesterdom Gods en het huis des Heeren te Silo, waren immers altijd voor hem gebleven. O, mochten wij de gewichtige les, die uit al deze dingen te leeren valt, ter harte nemen! Laat ons bidden tot God om ons geopende oogen en een opmerkzaam hart te geven, opdat wij niet luisteren naar de stem van ons geweten, waar het betreft het doen van Gods wil, het handelen naar zijn gedachten, maar opdat wij Gods Woord ter hand nemen en door den Heiligen Geest geleid, daaruit leeren verstaan, wat goed is in Gods oogen.

De kinderen van Dan togen huns weegs, sloegen LaÔs met de scherpte des zwaards, verbrandden haar met vuur, herbouwden haar en "noemden den naam der nieuwe stad Dan, naar den naam huns vaders Dan." (vs. 29.) De naam Dan had voor hen meer beteekenis dan de naam des Heeren.

Ziet daar, geliefde lezers! in korte trekken een schets van de zwarte schildering, die ons in de behandelde hoofdstukken gegeven wordt van het godsdienstig bederf van IsraŽl.