Eenige gedachten over Ps. CXIX : 9-16.

(IN HET BIJZONDER VOOR JEUGDIGE GELOOVIGEN.)

Deze verzen geven een merkwaardige reeks van leerrijke en kostelijke uitdrukkingen voor het hart van den geloovige. Ook zonder dat wij nog over hare beteekenis spreken, zien wij dat de uitdrukkingen uw woord, uwe geboden, uwe inzettingen, uwe bevelen, uwe getuigenissen, uwe rechten, alle, onder verschillende vormen, de gedachten Gods aan het hart mededeelen. En dat doet ze juist zoo kostelijk en belangrijk zijn. God heeft ons zijne gedachten willen mededeelen; wat kan er heerlijkers voor ons wezen?

In het negende vers vinden wij de verklaring, waardoor de jongeling zijn pad, zijn weg, zijn gedrag, kan zuiver houden in deze wereld, waar de zonde heerscht; wat hem alleen kan beveiligen tegen de strikken van den vijand, tegen de verzoekingen der wereld, en voor de lusten van zijn hart; wat hem alleen met een onverdeeld hart kan doen wandelen in de wegen Gods, zonder van de eene zijde naar de andere te dwalen, rein, in heiligheid, gerechtigheid, matigheid, toewijding en liefde.

"De jongeling" staat aan het begin van het leven; dat begin is zoo gewichtig, daar het zeer dikwijls het overige van de loopbaan bepaalt, altijd een merkbaren invloed op het leven zal hebben, en een zedelijken indruk zal nalaten op geheel het volgend bestaan. Ook in het christelijk leven, op welken leeftijd men ook tot bekeering en geloof moge komen, zijn de eerste stappen en is de wijze waarop men begint uiterst belangrijk. Hoe zal dan de jongeling (jong van jaren of jong in het geloof) zijn pad zuiver houden, zoodat hij gezegend en gelukkig is?

God zelf geeft, door den genspireerden Psalmist, een eenvoudig en duidelijk antwoord op de vraag, die Hij gedaan heeft. "Als hij dat houdt naar uw Woord," zoo zegt de Psalmist. Dus naar het Woord van God. Dat is het zwaard des Geestes, het krachtige wapen om den duivel te wederstaan en zijne aanvallen af te weren. Het is het licht, dat ons zijne bedoelingen doet kennen, dat ons zijne strikken doet zien, ze ons doet vermijden, ja, nog meer, het is de kracht om hem tot zwijgen en tot vlieden te brengen. Een "er staat geschreven" doet hem vlieden en geeft ons rust. De Heer Jezus, de volmaakte Mensch, ons heilig Voorbeeld, laat het ons zien. Driemaal weerde Hij den aanval van den satan af door het Woord; daarna wordt gezegd: "Toen verliet de duivel Hem."

En het kostelijke Woord Gods doet ons ook, door zijn onderwijzingen en de voorbeelden waarop het ons wijst, het pad kennen, waarop God wil dat wij wandelen zullen om Hem aangenaam te zijn. Het doet ons zien wat naar zijn heilige en rechtvaardige natuur is, en bijgevolg wat Hij van ons verlangt en verwacht. Of het zij jegens Hem, jegens anderen, of jegens onszelven, Gods Woord zegt ons, hoe wij hebben te handelen, opdat onze godsvrucht, gerechtigheid en bescheidenheid openbaar worde. Het is geschikt om onze gedachten en onze gevoelens te vormen; om onze woorden en daden te besturen. Het is geen wetboek met artikelen waarnaar ik mij te gedragen heb; het is een licht om mij het pad Gods te wijzen, dat pad, 't welk Jezus bewandeld heeft, en dat de heilige mannen Gods hebben betreden. "Hoe zal dan de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij het houdt naar uw Woord."

En daarop zien de woorden van den discipel, dien Jezus liefhad: "Ik heb u geschreven, jongelingen! omdat gij sterk zijt, en het woord Gods in u blijft, en gij den booze overwonnen hebt." (1 Joh. II : 14.)

Jongelingen! jeugdige Christenen, gij, die een getuigenis voor uwen Zaligmaker hebt af te leggen, let op het Woord Gods, lees het, BESTUDEER het om het te leeren kennen, z dat het in u wone; het zal u voor de zonde bewaren; het zal u de strikken des duivels doen vermijden; het zal u toonen, wat den Heer welbehagelijk is, zoodat gij vervuld wordt met de kennis van zijnen wil.

"Ik zoek U met mijn geheele hart; laat mij van uwe geboden niet afdwalen." (Vs. 10.) Om op het Woord Gods te kunnen letten, om het te kunnen bewaren, heeft het hart behoefte aan de hulp van boven. Het is ook noodzakelijk, dat het hart rechtstreeks met God verbonden zij, en dat het zulks geheel zij. "Ik zoek U met mijn geheele hart," omdat ik acht, dat de kennis van U het kostelijkste voor mij is. In het gevoel mijner zwakheid, mijner onwetendheid, mijner onmacht, zoek ik een licht, een gids, een steun. Waar? Niet bij menschen, zwak en onwetend als ik, en die zoo dikwijls dwalen in hun redeneeringen; U zoek ik, o hoogste Macht, o zuiver Licht zonder eenige duisternis, o eeuwige Wijsheid, o onuitputtelijke Bron van genade en liefde; Gij alleen kunt volkomen de diepste behoeften mijns harten vervullen! Mijn geheele hart heeft naar U verlangd, ik heb U gezocht, totdat ik U gevonden heb. (Hoogl. III: 1-4.) En nu ik U gevonden heb, of liever, nu Gij mij U deedt vinden, nu bid ik U: bewaar mij, want alln zou ik ng afdwalen. Wanneer ik aan mijzelven ware overgelaten, zou ik, ofschoon U kennende, uwe geboden vergeten, te midden van het verward gedruisch der wereld. "Verlaat mij niet;" houd mij bij de hand en bewaar mij op den weg van gehoorzaamheid, den eenigen weg, waarop vrede en geluk voor mijn hart gevonden worden. Dien te verlaten is het licht en de vreugde van uwe tegenwoordigheid te verliezen. "Laat mij dan van uwe geboden niet afdwalen;" zij zijn niet zwaar voor het hart, dat uwe liefde kent; "verlaat mij niet!"

Welk een aanhouden bij God in het gevoel zijner zwakheid en bevreesd om af te dwalen! Ja, het hart dat het leven bezit, begrijpt, dat het niet gelukkig kan zijn dan in den weg der gehoorzaamheid: vandaar zijn vurig gebed.

In vers 11 heeft het hart gevonden; God heeft geantwoord op zijn gebed. Hij blijft niet verborgen voor wie Hem zoekt; Hij openbaart zich gaarne in al zijne wonderbare genade, alsook in al zijne heerlijkheid aan het hart, dat naar Hem zucht, en Hij doet dit in zijn Woord. Het is een zeer kostbare schat; het hart waardeert grootelijks het bezit er van; maar wat zal het met dezen schat, die zijne verlustiging uitmaakt, doen? Het kan er zich niet mede tevreden stellen dien te bezitten zooals een ander boek, dat op zijn tafel ligt; ook niet door het van tijd tot tijd te openen en te lezen. Het verbergt dien schat niet om hem eenvoudig te beschutten voor onheilige blikken. Integendeel, het verbergt hem in de plaats waar zijn levendmakende werking zich zal doen gevoelen om zich vervolgens naar buiten te verspreiden. Het verbergt dien schat, duizendmaal kostbaarder dan de rijkdommen der aarde, in de plaats waar het hem onophoudelijk kan genieten en smaken, waar het zich er aan verfrisschen kan als aan "een fontein in de hoven, of een bron van levend water." Ja, in het hart wordt het Woord Gods verborgen, in den zetel der genegenheden, want het hart heeft het lief als de uitdrukking van de gedachten van dien God, dien het gezocht heeft en wiens genade het kent. Het verstand heeft zijne eigene plaats. Wij moeten niet alleen hooren, maar ook het Woord verstaan. (Matth. XIII: 23.) Maar het verstand alln zou geen veilige plaats voor het Woord zijn. Blootgesteld aan redeneeringen, waarmede de menschelijke geest zich gaarne bezighoudt, zou het gemakkelijk vervalscht worden. In het hart moet het zijn plaats hebben. Onder de hoede van de door den Heiligen Geest in het hart voortgebrachte heilige genegenheden moet het worden geplaatst, en het zal die genegenheden versterken.

Indien het verstand alln zich met de goddelijke waarheden bezighoudt, loopt het gevaar zich in bespiegelingen te verliezen en ten slotte te verdwalen. Maar wanneer het Woord in het hart bewaard wordt, wordt dit vervuld met alles wat het bevat omtrent God in zijne oneindige liefde en omtrent Christus in zijne genade. Het plaatst voor het hart deze goddelijke voorwerpen, die het verlichten en verwarmen als een inwendige zon. Het wordt gekend in de innigheid van ons bestaan. De apostel bad, dat "de oogen uws harten verlicht mochten worden." "Uit het hart zijn de uitgangen des levens." In het hart wordt het Woord verborgen. En deze schat, dr verborgen, zal niet nalaten zich te openbaren, want "uit den overvloed des harten spreekt de mond." Het vat bevat een voortreffelijk reukwerk, en de geur er van verspreidt zich; het is de goede reuk van Christus, die het hart vervult, wanneer het Woord Gods in het hart verborgen is. Het vat is broos, waarin de schat verborgen is, en, hoe wonderbaar! de schat bewaart en onderhoudt het vat, zooals in dit vers gezegd wordt: "Opdat ik niet tegen u zondige."

Dat is inderdaad het geheim van een heiligen wandel. Het Woord Gods in het hart verborgen te hebben, scheidt van de zonde en verbindt het hart aan alles wat goddelijk is. Het wordt daardoor bereid tot een blijde gehoorzaamheid. Z was het ook met Christus. "Het is mijn lust, o God, om uw welgevallen te doen," zeide Hij, "en uwe wet is in het binnenste mijns ingewands." In het diepst van zijn wezen bewaarde Hij, ons volmaakt Voorbeeld, deze wet, dit Woord Gods, dat kostelijk voor zijn hart was en zijn leven regelde. Te doen, wat dat Woord zeide, was zijn lust, want het kwam van zijn God, van den God dien Hij liefhad. De plaats, waar het Woord verborgen is, wijst het karakter aan van hetgeen ons voor de zonde bewaart. Het is het hart, dat het gemakkelijk begrijpt, het hart waarin het leven Gods is, zoodat het gemakkelijk is, eraan te gehoorzamen. "Zijne geboden zijn niet zwaar." Uit liefde gegeven om ons te bewaren voor hetgeen ons van God verwijdert, worden deze geboden met liefde, die het kenmerk des nieuwen levens is, ontvangen, en ook met liefde gedaan. "Dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren, en zijne geboden zijn niet zwaar, omdat al wat uit God geboren is, de wereld overwint." (1 Joh. V : 3.)

Welk een macht is deze liefde! Het Woord in zijn hart te hebben, is het lief te hebben; Hem lief te hebben, die er Zich in openbaart; en dat bewaart voor de zonde. Het is een werkzame kracht in ons. "Indien iemand Mij liefheeft, die zal mijn Woord bewaren," zeide de Heer. Het in het hart verborgen Woord weert den satan af, zooals wij het in de verzoeking des Heeren zien. Mochten wij verwezenlijken wat de Psalmist zeide: "Ik heb uw Woord in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondige." De zonde is tegen God. Zij scheidt ons van Hem, berooft ons van zijne gemeenschap, en bij gevolg stoort zij onzen vrede en onze blijdschap. Het door het hart genoten Woord onderhoudt de heilige gedachten, die met de tegenwoordigheid Gods overeenkomen.

"Heere! Gij zijt gezegend; leer mij uwe inzettingen." (Vs. 12.) Wij hebben hier het gebed als de uitdrukking van de zwakheid en de behoefte van hem, die bidt, van de afhankelijkheid van en het vertrouwen op Hem, tot wien hij bidt. Het is de "Heere, Jehova", met welken naam God Zich aan Isral geopenbaard en in betrekking tot Zich gebracht had. Het is voor ieder geloovige van dit uitverkoren volk de dierbare naam: "Heere (Jehova) mijn God." Voor hem is het een God, die waardig is geprezen te worden van wege zijne goedheid en getrouwheid. (Ps. LXXXIX : 2.) Hij heeft het Woord gegeven, dat de inzettingen, die het bevat, voorschrijft. Maar wie zal deze inzettingen aan het hart leeren ? Wie zal den waren zin doen kennen, de geheele uitgestrektheid en toepassing van het Woord? Wie zal er ons de hoogte en diepte van doen zien? Wie zal den schat der oude en nieuwe dingen openen, die het bevat? Er is slechts n Meester, tot wien men zich moet wenden; het is Hij, die de inzettingen gegeven heeft - de vastgestelde woorden om tot regel voor de gedachten des harten en des levens te zijn. Voor ons is deze goddelijke en gezegende Meester Jezus. Door zijn Geest opent Hij ons verstand, opdat wij de Schriften verstaan. (Luk XXIV: 45.) O! hoe aangenaam is het ter school te gaan bij Hem, die zachtmoedig en nederig van hart is, en van Hem te leeren; aan zijne voeten neder te zitten als Maria om te hooren naar de woorden vol van genade, die uit zijnen mond komen, en tot Hem te zeggen: "O, gezegende Meester! leer mij." Het is aan zijne voeten, in het ootmoedig gevoel onzer onwetendheid, dat wij leeren. Een door liefde aan zijn Persoon verbonden hart, begeerig Hem altoos meer te leeren kennen, leert de verborgene schoonheden van zijne onderwijzingen verstaan, want de geloovige heeft zijn Woord in zijn hart verborgen. Daar leert hij de lessen van die genade, van die ootmoedigheid, van die zachtmoedigheid, van die volmaakte toewijding, die het leven van den goddelijken Meester kenmerkten, en Hij doet ze in het hart en in het leven van zijn discipel ingaan. Het hart is dus vervuld met de dingen van boven, en de mond geeft er getuigenis van.

Dat vinden wij in het volgende vers uitgedrukt: "Ik heb met mijne lippen verteld al de rechten uws monds." De goddelijke onderwijzing heeft het hart met heilige gedachten vervuld; het heeft de bedoelingen begrepen en gesmaakt van hetgeen Hij bevolen en ingesteld heeft, opdat zijne gerechtigheid worde gehandhaafd en in overeenstemming met zijne genadige raadsbesluiten worde verheerlijkt. En "uit den overvloed des harten spreekt de mond." "Kom," zegt de geloovige, "hoor toe; ik zal vertellen wat hij aan mijne ziel gedaan heeft," en niet alleen datgene, waarvan hij persoonlijk het voorwerp geweest is, maar ook alles wat hij heeft leeren kennen van de uitgestrektheid der gedachten Gods, die het onderwerp zijner overdenkingen uitmaken, die zijn hart verblijden, waarbij hij leeft, die hij wil vertellen aan anderen, opdat zij er ook mede bezig zouden zijn, er van genieten zouden, en God er voor zouden prijzen. Toen de Samaritaansche vrouw Jezus gehoord had, was zij doordrongen van de wonderbare dingen, die Hij haar gezegd had, omdat zij eenigermate reeds iets gevoeld en gesmaakt had van de reine stroomen der verfrisschende fontein des levens, die in haar hart opwelden. Gerust en verblijd verliet zij haar waterkruik en ging verkondigen, dat zij den Christus gevonden had. Zij verhaalde de goddelijke ontmoeting, en de woorden, die uit den gezegenden mond des Heeren gekomen waren. Mogen onze harten z gelaafd worden aan deze Bron van leven en geluk, dat wij ook met onze lippen de groote dingen weten te vertellen, die Jezus betreffen, zooals de herders in Bethlehems velden alom bekend maakten wat zij gezien en gehoord hadden.

"Ik ben vroolijker in den weg uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom." (Vs. 14.) Met welke woorden zal men vertellen wat men vernomen had van de dingen Gods, indien dat gedaan wordt zonder de ondervinding en het genot der dingen waarvan men spreekt, en wanneer men tevens daarin niet met een verblijd hart wandelt? Hoe kan men er waardiglijk over spreken en het hart der hoorders bereiken, indien de woorden en het leven niet de uitdrukking zijn van wat men inwendig geniet, opwellende uit deze bron van zuiver genot, hetwelk men vindt in het getuigenis van God? "Indien ik in de talen der menschen en der engelen spreek, maar ik heb geen liefde, zoo ben ik een klinkend metaal of luidende schel geworden." Het hart van den Psalmist waardeerde en genoot "het getuigenis" van God. Hij zegt ons, wat hij ondervond in het wandelen op den weg, die naar het Woord is. Hij vond er vermaak in. Op dit gezegend pad van het "getuigenis" Gode, van de dingen waarvan zijn Woord getuigt, in de grootheid van zijn wezen en van zijne raadsbesluiten, in de uitgestrektheid zijner wegen van barmhartigheid, vindt het hart zijn geluk. Het is geen moeielijke weg, want men is omringd van alles wat God is, van wat Hij voor ons gedaan heeft, en van de onveranderlijkheid zijner liefde. Voor deze "getuigenissen" laat het hart de ijdele, bedriegelijke en vermoeiende vermaken der wereld varen. Niet in de rijkdommen, de eer, de wetenschap, de kunsten, in al wat de zinnen voldoet, de verbeelding, de natuurlijke talenten bevredigt, vindt het zijn geluk - dat zijn gebroken bakken, waarin geen verfrisschend en dorstlesschend water is. Het geluk van het hart bestaat in hetgeen God het voorstelt, of liever in God zelf, zooals Hij zich aan het hart openbaart in den weg van "zijn getuigenis." Wanneer men aan het hart, dat vervuld is met de eeuwige rijkdommen Gods en van Christus, en met den schat dezer liefde des Vaders en des Zoons, al de rijkdommen der wereld, en al de verleidingen der aarde voorstelt, dan zal het zich met weerzin afwenden van wat vergankelijk is. "Ik acht ze drek te zijn," zeide Paulus, sprekende van wat het aanbevelenswaardigste naar den mensch, maar wat niet Christus was. Welke kracht hebben deze dingen om hem te verzoeken, die God tot zijn deel heeft, en in Hem al zijn geluk vindt? Wat zijn zij voor hem, die de volmaakte, geestelijke en eeuwige schoonheid geniet, die z veel rijker genot geeft boven al het zinnelijke en al wat vergaat, als de hemel heerlijker is dan de aarde? O, niet alleen wandelt men in den weg van dit getuigenis, maar men vindt er zijn vermaak in: het hart wordt onder den dauw der zegeningen van boven verkwikt en verlevendigd onder de goddelijke zonnewarmte der liefde.

"Ik zal uwe bevelen overdenken, en op uwe paden letten." (Vs. 15.) Dat bevestigt het hart in zijn wandel en in het genot van God. De overdenking doet, hetgeen God geopenbaard heeft, voor den geest komen, onderzoeken en verstaan; de beschouwing van de wonderbare wegen en paden waardoor Hij den geloovige leidt, vervult hem met heilig vertrouwen. De overdenking doet dieper in de kennis indringen, de beschouwing der wegen Gods bevestigt het hart. Het genot, dat men gevonden heeft, en dat men vindt in "den weg van het getuigenis," is oorzaak, dat men altoos meer verlangt, de goddelijke inzettingen, die den wandel besturen, te leeren kennen; men ziet de paden Gods vr zich en men beschouwt ze zorgvuldig om ze te volgen. Men ziet de wijsheid van al zijne inzettingen, hare gepastheid voor alles, en hoe zij voor ons geschikt zijn. Zijne paden zijn alle gerechtigheid, barmhartigheid en heiligheid. Men beschouwt ze en men zegt: "Trek mij, en ik zal u naloopen" in uwe paden. "Ik zal mijzelven vermaken in uwe inzettingen; uw Woord zal ik niet vergeten." (Vs. 16.)

Dat is het kostelijk resultaat. Men vindt zijn vermaak in hetgeen God heeft ingesteld, omdat men zijne volmaaktheden leert kennen; en het voornemen des harten is om het Woord, de goddelijke mededeelingen der gedachten Gods, niet te vergeten.

Waar is onder ons deze groote liefde voor ieder woord van God? Indien zij er meer was, zou er dan aan de wereld geen krachtiger getuigenis gegeven worden? Ontbreekt het in de boeken van het Nieuwe Testament aan teksten, die van de waarde dezer van God ingegeven Schriften spreken? Zien wij niet, hoe de apostelen er van doordrongen waren? En was onze goddelijke Zaligmaker niet vervuld met dit Woord Gods, hetwelk zijn wandel regelde en waarop Hij Zich zonder ophouden beriep? "Uwe wet is in mijne ingewanden." En eindelijk: hebben wij niet de bepaalde vermaningen : "Onderzoekt de Schriften;" en "Het woord van Christus wone rijkelijk in u"? Moge dit Woord levend en werkzaam in ons zijn; mogen onze harten zich er aan verbonden gevoelen!