Correspondentie.

C. S. te Woudrichem vraagt een verklaring van Lukas XXII :36-38 en 51 in verband met MattheŁs XXVI : 52.

Het geheim der juiste verklaring ligt hier in de verschillende wijzen, waarop men deze woorden van den Heiland moet opvatten. In Lukas XXII spreekt Hij zinnebeeldig; in MattheŁs XXVI heeft hetgeen Hij zegt een letterlijke beteekenis.

In Lukas heeft de Heer Jezus het over hetgeen den discipelen overkomen zou, nu Hij wegging. Vroeger had Hij hen uitgezonden zonder iets. Hij had hun zelfs bevolen om niets mede te nemen. Zij moesten blijven in de huizen, waar men hen ontving, en daar eten en drinken, wat hun voorgezet werd. Thans evenwel zou er een geheel andere tijd aanbreken. De discipelen begrijpen daarvan niets. En de Heer wil hun dit daarom duidelijk maken door de scherpe tegenstelling aan te geven van hetgeen vroeger geschiedde en hetgeen hun thans overkomen zou. De betrekkelijk gemakkelijke tijd, dien zij bij Jezus' leven gehad hadden, was nu geŽindigd. De Joodsche overheden waren op het punt tegen Hem los te barsten, en de discipelen zouden daarvan natuurlijkerwijze den terugslag gevoelen. Van een rustig rondtrekken door de steden en dorpen van IsraŽl zou geen sprake meer zijn. Zij zouden door de menschen niet worden ontvangen; integendeel, men zou hen vervolgen en dooden. Zooals het met den Meester gaan zou, zou het ook met de dienstknechten gaan. En waar de Heiland zijnen discipelen deze dingen wil duidelijk maken, en hen door zijne woorden er op wil voorbereiden, gebruikt Hij een treffende beeldspraak. "Maar nu," zoo zegt Hij, "wie een beurs heeft, die neme ze, desgelijks ook een zak; en die er geen heeft, verkoope zijn kleed, en koope een zwaard." Met andere woorden: de tijd van gebrek, van lijden en van strijd breekt nu aan, denkt daaraan, want de dagen der rust zijn voorbij. Maar de discipelen begrepen zijne woorden niet. Zij waren nog te veel bezig met de heerlijkheid des Koninkrijks, (Vs. 24.) en vertrouwden nog te zeer op zichzelven. In 't bijzonder was dit het geval met Petrus. Arme, zwakke Simon! Meer dan allen stond hij bloot aan het gevaar, waarin een valsch vertrouwen in het vleesch hem voeren, maar geenszins staande houden kon. De Satan had allen begeerd te ziften als de tarwe. Maar de Heer had voor hen gebeden, in 't bijzonder opdat het geloof van dien ťťnen zijner discipelen, die zoo buitengewoon gevaar liep in dit opzicht, niet zou ophouden. En de Heer waarschuwt hem bovendien nog met enkele woorden, als hij zoo stout het uitspreekt, dat hij alles vermocht. Welnu, deze zelfde Petrus is ťťn van de eersten, die de woorden van den Heiland misverstaat. "Heer, zie hier twee zwaarden," zeggen de discipelen. En als de Heer dan, zeker met eenige droefheid, zegt: "Het is genoeg!" dan is het Petrus, die dadelijk een zwaard neemt, het aangordt, en zich voorneemt in zijn hart, om zijn Meester met het zwaard te verdedigen. Maar ach! dat had de Heiland niet bedoeld. Hij wilde niet zeggen: "Zij - twee zwaarden - zijn genoeg!" maar hij wilde het met andere woorden uitdrukken: "Genoeg hiervan; gij begrijpt mij, helaas! weer verkeerd; laat ons dus hierover maar niet verder spreken." Het was Hem onmogelijk om hun de ongerijmdheid van hun dwaas antwoord op dat oogenblik aan te toonen, en daarom breekt Hij het gesprek af, wetende, dat Hij toch niet begrepen zou worden.

Dat het werkelijk een verkeerde opvatting was, vinden wij dan in MattheŁs bevestigd. Als Petrus daar door daden toont, hoe geheel verkeerd hij de woorden des Heeren heeft uitgelegd voor zichzelven, zegt de Heiland: "Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen." Hoe eenvoudig is dit antwoord! Bijna was door Petrus' voorbarigheid het woord krachteloos geworden, wat Jezus straks tot Pilatus zou spreken: "Indien mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden mijne dienaren gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd." Het ging hier om de vervolging om des geloofs wille, om de uitroeiÔng van Hem, die de Waarheid was, en daarom mocht geen aardsch zwaard in dezen strijd worden gebruikt. Alleen moest men er op voorbereid wezen en zich sterken. En dat had de Heiland gedaan. Vandaar die volkomen rust. Vandaar dat woord tot Petrus: "Laat het tot hiertoe; ge zijt reeds te ver gegaan; ga niet verder!" Vandaar dat genezen van zijn vijand, opdat niemand leed of schade zou hebben om zijnentwil!