Hij komt.

Een zacht en lieflijk suizen
Gaat aan mijn oor voorbij.
Hoor 'k englenwieken ruischen?
Is reeds mijn Heer nabij?

De schoone sterren fonklen
In wonderheldre pracht;
Heel de aard is ingesluimerd,
Voorbij is middernacht.

Mijn hart, geeft wel uw lampe
Haar helder schijnend licht?
Houdt smeekend gij uw blikken
Op Jezus' komst gericht?

Verneemt niet reeds mijn ziele
Bazuingeklank van ver?
Rijst ginder in het Oosten
Niet reeds de morgenster?

En wenk slechts is nog noodig,
Dan breekt het wolkgordijn!
Dan zal ik Hem aanschouwen
En eeuwig met Hem zijn!

 

Vorig gedicht

Volgend gedicht