Eenige wenken omtrent het "Avondmaal des Heeren" en hen, die er aan deelnemen. [1]

Het is niet mijn doel om in de volgende bladzijden over het karakter van het Avondmaal of over de omstandigheden, onder welke het ingesteld is, te spreken. Ik wensch mij te bepalen tot de behandeling van zekere vragen, die onder ons gedaan zijn, en die ook verder nog kunnen oprijzen, en ik wensch vooral allen, die hunne plaats aan de tafel des Heeren innemen, nog eens het gewicht dezer kostbare instelling op het hart te drukken.

Alleen op grond eener volmaakte verlossing kunnen wij deel hebben aan de tafel des Heeren; en toch stelt ons juist dit gezegende feit, hetwelk ons het recht geeft onze plaats daar in te nemen, onder een groote verantwoordelijkheid, en geeft aan alles, wat aan die tafel plaats heeft, alsook aan het karakter en aan de verhouding van hen, die er aan deelnemen, een onuitsprekelijke waarde.

Wij zouden niet zooveel onverschilligheid, zooveel uiteenloopende gedachten, zooveel verschil van oordeel en zooveel strijd over het wezen, den vorm, het doel en de beteekenis van het Avondmaal onzes Heeren te betreuren hebben, indien er niet zulk een groote onwetendheid omtrent de Schrift onder ons bestond! Elken dag word ik meer overtuigd, hoe dringend noodig het is, zich uitsluitend aan het "geschreven woord" te houden. De "waarheid" moet de gordel zijn, waarmede wij onze lendenen bij elken stap op onze reis hier beneden omgorden. Het komt er niet op aan, hoe andere menschen over dit onderwerp denken of gevoelen; helaas! er wordt maar al te veel op de gedachten van menschen gezien. Het is noodig, dat wij ons onder de autoriteit der Schrift buigen! Wij behoeven een voortdurend: "Zoo zegt de Heer." Als de Schrift zwijgt, hebben ook wij te zwijgen; waar zij echter spreekt, in betrekking tot hetgeen wij weten moeten, gaat haar gezag boven alles; en wij hebben dan geen recht meer iets te doen, waarvan zij geen gewag maakt. Wij mogen sommige dingen zeer mooi en goed vinden, doch wij moeten eerst vragen: "Wat zegt de Schrift?" Voorwaar, een hoogst gewichtige vraag in onze dagen! Wie zijn wij? En wat is een mensch, zelfs de beste? Wat zijn zijne gedachten waard? In het geheel niets, als zij niet gegrond zijn op den eeuwig vasten grond van "het Woord." Wij zien toch elken dag, hoe men van de Schrift afdwaalt, en zich met zijn eigen begrippen bezig houdt. En zien wij niet telkens het gevolg van dit afdwalen van de Schrift? Wat zal het einde zijn? O, hoe gewichtig is het, zich vast te houden aan de onvervalschte woorden van Christus, en z dicht bij Hem te blijven, dat men verstaan kan, wat Hij zegt! Wij zijn soms niet eens met de allereenvoudigste geboden van Christus bekend, of wij zijn er koud voor geworden. Om die reden zijn dan onze denkbeelden verward, zelfs omtrent punten, waarover de Schrift zoo stellig mogelijk spreekt.

Zoo zijn er b.v. vragen als de volgende in ons midden ontstaan: "Op welk uur van den dag moeten wij eigenlijk het brood breken? - En moeten wij (bij het Avondmaal) ook een dankgebed vr den beker uitspreken? - Is het gepast om tusschen "brood" en "beker" een lied op te geven?" Omtrent het eerste punt willen wij in het voorbijgaan een enkel woord zeggen. Het komt mij voor, dat de Heer ons geen aanwijzing gegeven heeft ten aanzien van het uur van den dag, waarop wij het "brood zullen breken." De genspireerde geschiedenis verhaalt ons, dat het Avondmaal voor het eerst in den avond ingesteld was. "Toen het nu avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven." (Matth. XXVI : 20.) Ook kunnen wij uit hetgeen er in Handel. XX : 7-11 verhaald wordt: "En op den eersten dag der week, toen wij vergaderd waren, om brood te breken rekte Paulus zijne rede tot middernacht; en er waren vele lichten in de opperzaal," besluiten, dat de vergadering 's avonds plaats had. Maar het schijnt mij toe een zeer ondergeschikte zaak te zijn, en zoo iemand daaromtrent een vasten regel wilde stellen, zou hij buiten de grenzen der Schrift treden. Het Woord zegt: "Zoo dikwijls gij eet" Hoewel het dus niet zoo belangrijk is, of wij 's morgens of 's avonds het brood breken, zoo vinden wij het toch zeer belangrijk, dat, wanneer wij het doen, wij stipt op tijd te zamen komen. Wij lezen: "Toen de ure gekomen was, zat Hij aan." (Luk. XXII : 14.) Dit was niet 10, 15 of 20 minuten later; neen! onze gezegende Heer was nooit te laat. Door zijnen Geest laat Hij ons zeggen: "Laat alle dingen welvoegelijk en met orde geschieden." En is het ordelijk en welvoegelijk, om 10 of 20 minuten na het begin der vergadering binnen te komen? Is het bescheiden en stichtelijk, om heen en weer te loopen, naar een goede plaats zoekende, terwijl de gemeente reeds bezig is met gebed en zang?

Zonder twijfel kan het den besten en stiptsten wel eens onmogelijk zijn op tijd te komen, en zulke gevallen moeten wij in geduld dragen; doch, geliefde broeders! moest het niet onze wensch zijn, om uit liefde tot den Heer en tot zijn volk prompt op onzen tijd te zijn? Sommigen van ons zijn altijd op de minuut af op hun dagelijkschen post, en meest altijd te laat aan 's Heeren disch; moeten wij ons dan meer inspannen voor onze tijdelijke zaken, dan voor de tafel des Heeren? Laat ons toch ernstig hierover nadenken en trachten onze lichamen te bedwingen, zoodat wij op den dag des Heeren niet 's morgens in bed blijven liggen, maar op den behoorlijken tijd opstaan, om te bestemder ure aan de tafel des Heeren te verschijnen. [2]

Wat nu de tweede vraag betreft: "Of het afzonderlijk dankzeggen vr den beker naar de Schrift is?" zoo leze men Matth. XXVI : 26, 27: En terwijl zij zaten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak hij het, gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet! dit is mijn lichaam; en hij nam den drinkbeker, en, gedankt hebbende, gaf hun dien;" en Mark. XIV: 23: "En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien;" en Luk. XXII : 19 en 20: "En Hij nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun; desgelijks ook den drinkbeker" Het woordje desgelijks toont, dat de Heer met den beker deed, gelijk Hij met het brood gedaan had; ten slotte lezen wij nog in den brief aan de Kor. X : 16: "De drinkbeker der dankzegging, dien wij zegenen, is die niet de gemeenschap des bloeds van Christus?" En in hoofdst. XI : 23-26: "Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, n het avondmaal, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit, zoo dikwijls gij dien drinkt, tot mijne gedachtenis."

Omtrent de vraag: "Of wij naar het Nieuwe Testament aanleiding hebben om een lied tusschen brood en beker in op te geven," antwoord ik, dat wij daarvoor geen aanleiding in de Schrift vinden. Wij lezen in Matth. XXVI, dat zij een lied zongen na het avondmaal; maar nergens lezen wij, dat zij een lied zongen onder het avondmaal. Wij hebben dit wel bijgewoond, maar wij gevoelden telkens, dat dit niet op zijne plaats was; wij houden het voor een afbreken van den geestelijken stroom, die aanwezig is; en dit komt alleen daarvandaan, dat het niet op het Woord is gegrond, en aan haar hebben wij ons vast te houden ook bij het vieren van het Avondmaal. Iemand kan meenen iets in de vergadering door de leiding des Geestes te verrichten, en het kan slechts de aandrift van zijn eigen gemoed zijn. Het is noodig, hieraan te denken, opdat wij werkelijk zijne gemeenschap zoeken aangaande ons handelen in de vergadering der geloovigen.

Is de Schrift niet voor alles voldoende en gezaghebbend? Heeft zij eenigen grond gelaten voor een verschil van meening omtrent deze dingen? Laat zij ook ergens een ledige plaats, om die met onze eigen gevoelens in te vullen? In geenen deele. Zij toont ons de orde, zij wijst ons den vorm, zij geeft ons de bestanddeelen des Avondmaals, zij verklaart ons hunne diepe en wonderbare beteekenis, en stelt ons het gezag van Christus voor oogen, alsook den machtigen invloed van zijn voorbeeld. Wat ontbreekt er dan nog? Helaas! wij missen die nauwkeurige bekendheid met de Schrift, welke uit de praktische vervulling zijner woorden voorvloeit, en de onderworpenheid aan zijn gezag. En toch ligt alles daarin opgesloten, dat wij zijnen wil hebben te vervullen: "Als iemand zijnen wil doet, zal hij zijne geboden verstaan." Maar hoe staan wij daartoe? Hebben wij er onszelven niet dikwijls op betrapt, dat wij een reeks van eigen gedachten volgden, voor welke geen schaduw van grond in de Schrift te vinden was? Hoe zou het ook anders mogelijk zijn, dat er soms bij het Avondmaal allerlei dingen ingevoerd worden boven hetgeen ons voorgesteld is goddelijk te zijn? De leering der Schrift is beslist en uitdrukkelijk: "Gij verkondigt den dood des Heeren!" En toch vinden wij dikwijls die eenvoudige, schoone waarheid zoo weinig aan den disch des Heeren begrepen. Men kan zeggen: Vloeien dan niet alle dingen uit den dood des Heeren voort? En zijn dan niet het leven, de rechtvaardiging en de eeuwige heerlijkheid een gevolg van dien dood? Zonder twijfel! maar, waar staat in de Schrift, dat wij het leven, de rechtvaardiging en vele andere kostbare vruchten van zijnen dood, in zijn Avondmaal verkondigen moeten? Nergens! "Gij verkondigt des Heeren dood." Het is waar: totdat Hij komt; doch wij verkondigen niet zijne komst, maar zijnen dood totdat Hij komt. [3]

Er ligt in het recht verstaan van 's Heeren Avondmaal veel meer opgesloten, dan velen onzer denken! Wij gelooven stellig, dat daar, waar 's Heeren dood voor de ziel op den voorgrond treedt, een diepe ernst, een onderworpen geest en een waakzaam geweten niet zullen ontbreken, welke voorzeker een zichtbaren invloed op het geheele leven, op den handel en wandel der geloovigen zullen uitoefenen! Waar echter aan den anderen kant, in plaats van den dood des Heeren, andere dingen ingevoerd worden, zal men lichtvaardigheid, gebrek aan oefening des gewetens en aan zelfonderzoek ontdekken.

Wij vreezen, dat er groote onwetendheid heerscht aangaande 's Heeren Avondmaal. Velen, die zich van wettischgezindheid en bijgeloof rein willen houden, vallen wellicht in het tegenovergestelde: in lichtvaardigheid en onverschilligheid. Wettischgezindheid heeft, zooals wij weten, getracht de tafel door menschelijke voorwaarden te beschermen, en het bijgeloof zocht haar met de ceremonin en de pracht van menschelijke uitvinding te omringen. Dit is alles waar; maar wat is het geneesmiddel? Kan lichtvaardigheid ons van wettischgezindheid en bijgeloof genezen? Och, hoe dikwijls hebben wij gezien, dat geneesmiddelen meer kwaad deden, dan de kwaal zelve!

Lieve lezer! wij moeten u met smart bekennen, dat wij veel onrustwekkends zien in de vergadering der geloovigen; en wij kunnen de vrees niet van ons afzetten, dat velen onder ons de schuld op zich laden, van "het lichaam des Heeren in het avondmaal niet te onderscheiden." Het kwaad wordt niet z openbaar als te Korinthe, doch dit verandert GEENSZINS het BEGINSEL der zaak: De vraag is: Onderscheiden wij werkelijk in geloof, "het lichaam des Heeren" bij het broodbreken; zoo niet, "dan eten en drinken wij op onwaardige wijze," wij eten en drinken onszelven dan een "oordeel" en zijn schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren. Welk een ernstige gedachte! Wij moeten toch bedenken, dat, hoewel de tafel op grond der volmaakte verlossing voor ons is toebereid, wij ook in persoonlijke heiligheid moeten aanzitten; dat, terwijl wij niet verlost zijn door persoonlijke heiligheid, wij toch verlost zijn om heilig te wandelen, en dat, waar wij als Christenen door genade het recht hebben dr aan te zitten, wij ook geroepen zijn, onze wegen en onszelven te onderzoeken en te oordeelen, en dn zijnen dood te verkondigen.

Wij gelooven, dat deze heilige oefening van het zelfonderzoek een zeer gezegende zaak is. Als ons eigen-ik bij vernieuwing in de tegenwoordigheid van en in de gemeenschap met God geoordeeld wordt, zullen wij ons niet zoo vaak over onze handelingen hebben te schamen. Zelfonderzoek is de uitdrukking van de overwinning door de macht des Heiligen Geestes. Wij hebben dit aanhoudend noodig. Wij oordeelen onszelven in de macht der gemeenschap met Christus. Wij oordeelen onze daden met smart der ziele. Neem eens aan, dat iemand een zeer driftig, knorrig temperament heeft, doch hij leert door de genade in het verborgen zichzelven te oordeelen, en dit te bedwingen, zoo zullen degenen, die in het dagelijksch leven met hem omgaan, hem wellicht voor "zachtmoedig" houden; maar zij kennen niet zijn strijd, en dat hij in het verborgen in de gemeenschap met Christus, kracht heeft gekregen, om zichzelven te bedwingen. Heeft hij zichzelven daarentegen niet voor God aanhoudend over deze zonde geoordeeld, zoo zal hij misschien voortdurend een aanstoot en ergernis voor zijne omgeving zijn, en moet hij ten slotte zijne zonden met berouw en verootmoediging belijden. In plaats van te leeren zijn karakter ten onder te houden, is hij er door overwonnen; en dit onderscheid is groot. Wij beschouwen daarom het zelfonderzoek als een onschatbare, hoogst noodige oefening. Werd dit getrouw gedaan, er zou geheel iets anders openbaar worden in onzen wandel; maar er heerscht juist in dit opzicht een verregaande lichtvaardigheid onder ons, groote slapheid, en gebrek aan zelfbeheersching, die, indien zij niet door de kracht des Heiligen Geestes tegengegaan worden, weldra nog treuriger vruchten zullen voortbrengen.

Met schroom en met een diep gevoel van eigen zwakheid schrijven wij deze regelen. Niets anders dan het gevoel onzer verantwoordelijkheid tegenover den Heer en de broeders gaf ons deze opmerkingen in de pen. Wij gevoelen ons geroepen de broeders nog eens met allen ernst der liefde op deze dingen te wijzen; en wij hopen, dat het woord der waarschuwing, door de liefde tot Hem, z opgenomen worde, als het bedoeld is!

Broeders! laten wij toch niet met ijdele woorden onszelven misleiden! Niet een ieder, die zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen; maar hij, die den wil des Vaders doet, die in de hemelen is. Moge de Geest van God in ons midden werken, dat wij onze harten onderzoeken voor zijn aangezicht. O, dat toch allen, die hunne plaats aan de tafel des Heeren innemen, er ernstig over nadenken en zichzelven oordeelen. "Maar de mensch beproeve zichzelven en ete alzoo van het brood, en drinke van den drinkbeker."

Het is een hoogst ernstige zaak, schuldig te staan aan het lichaam en bloed des Heeren; en allen, die niet door het geloof het "overgegeven lichaam en het vergoten bloed" van Christus aan zijne tafel onderscheiden, zijn daaraan schuldig!

Eer wij deze opmerkingen eindigen, smeeken wij onze lezers, om dit alles in gemeenschap met God ernstig te overwegen, voor het aangezicht van Hem, bij Wien alleen het ware licht is, en moge de Heer ons een eenstemmig oordeel geven over deze toestanden, en bovenal heiligheid van handel en wandel. De vrucht daarvan zal zijn, dat wij ons voor de autoriteit zijns Woords" zullen buigen.

C.H.M.


[1] Op verzoek van een ouden broeder plaatsen wij dit belangrijke artikel, hetwelk reeds vroeger in den Bode voorkwam, nog eens. Wij doen dit te eer, omdat ons juist door eenige lezers over enkele punten, die in dit artikel besproken worden, vragen zijn gedaan; b.v. over het al of niet geoorloofde van het opgeven van liederen tusschen het rondgaan van brood en beker, enz. Wegens de plaatsruimte hebben wij hier en daar een paar regels, die niets aan den inhoud van het geheel toe- of afdoen, weggelaten. De trouwe Heer geve zijnen rijken zegen op de aandachtige lezing van deze wenken!

[2] Wij willen hier nog eenige (hoewel ons dunkt ondergeschikte) vragen met een kort woord beantwoorden, omdat er sommigen door bezwaard zijn, en wij gaarne die bezwaren uit den weg willen ruimen. Het Woord Gods spreekt er niet van, of wij de bus moeten laten rondgaan, f op de tafel moeten laten staan, f bij de deur moeten ophangen. Alles wat daarmede in verband staat, vinden wij in 1 Kor. XVI, en daar de Apostel hieromtrent geen bepaling maakt, is het n zoo goed als het ander. Ook vinden wij niets in de Schrift omtrent den tijd, waarop de collecte moet plaats vinden, vr of na de broodbreking of aan het eind der vergadering. Daarentegen vinden wij in de Schrift volledige aanwijzing, dat wij de armen gedenken en geven moeten voor het werk des Heeren, niet naar een zekere bepaling, maar naardat ons God welvaart gegeven heeft! Is het daarom niet veel beter, om in plaats van ons hoofd te breken omtrent de wijze hoe te geven, een ruim hart te hebben, door innerlijke ontferming bewogen en met een edelmoedigen geest vervuld, ja, onze vreugde er in te vinden, om anderen te mogen dienen en harten te verblijden. Moge de trouwe Heer ons bewerken, een ruim hart te hebben voor zijn werk en voor de behoeften der heiligen!

[3] De lezer zal zich herinneren, dat de aanhaling van dien tekst betrekking heeft op de viering des Avondmaals zelf. Als wij door de Schrift geleid worden, zullen wij zien, dat het Avondmaal ons alleen den dood des Heeren voorstelt. Wonderbaar geheim! Maar dan na het Avondmaal is er gelegenheid tot leering, stichting en vermaning, zooals de Heer het leidt; wij zien uit Joh. XIII : 16 duidelijk, dat de Heer na het Avondmaal over verschillende onderwerpen sprak, en wij weten, dat vele Christenen nooit de gelegenheid hebben, om leering te ontvangen dan in de vergadering op den eersten dag der week.