Correspondentie.

 

J. S. te den Haag vraagt een verklaring van 2 Petr. I : 19.

Uit de beschouwing over Petrus' brieven door J. N. Darby vertalen wij het volgende: "Het is duidelijk, dat door Petrus in dezen brief de heerlijkheid van het koninkrijk beschreven wordt. De profeten hadden allen over die heerlijkheid geprofeteerd. En deze profetieŽn hadden een heerlijke bevestiging gevonden door hetgeen Petrus en de beide andere discipelen op den berg der verheerlijking hadden gezien. Er wordt niet gezegd: het profetische woord is vervuld. Neen, Petrus zegt: wij hebben het profetische woord, dat bevestigd is geworden. De woorden der profeten, bekrachtigd door hetgeen God op Thabor had laten zien, spraken over de heerlijkheid van het koninkrijk, en over het oordeel dezer wereld. Welnu, de aankondiging hiervan was als een lamp, schijnende in een duistere plaats. De wereld is inderdaad een duistere plaats, die alleen verlicht kan worden door het getuigenis Gods, hetwelk zijne profeten hebben gesproken. Daarom is het onderzoek der profetieŽn zoo gewichtig, omdat de duistere dingen dan voor ons verlicht worden. Het is dus goed voor de geloovigen om daarop acht te geven. Maar - toch is er voor hunne harten een nog veel grooter schat. Voor hen, die waken, is er nog een ander licht, dan het licht van de lamp. Bij de openbaring van Christus als de Zon der gerechtigheid zou de heerlijkheid van het koninkrijk worden gezien en zouden de boozen als asch worden vertreden onder de voeten der rechtvaardigen. Doch de geloovigen in Christus, hoewel zij gelooven in die ernstige waarheden, kennen den Heer nog op een andere wijze. Zij zien reeds, door het geloof, in hun hart de dag aanbreken en de morgenster opgaan. De profetie verlicht de geloovigen en doet hen gescheiden zijn van deze wereld door het getuigenis aangaande het oordeel, dat over haar komen zal, en aangaande het koninkrijk, dat in heerlijkheid zal verschijnen. Maar de getuigenis des Heiligen Geestes tot de Gemeente heeft tot doel, het hart te verheffen tot Christus-zelf, de blinkende Morgenster, die reeds als zoodanig het deel der geloovigen is, terwijl de wereld slaapt. Hierover werd in de profetieŽn niet gesproken; het was dan ook voor de geloovigen meer dan licht van de lamp; voor hen, de kinderen des daags, was het daglicht, het licht van de blinkende morgenster in het hart. Hoe heerlijk was die hoop voor hen! Beter dan het koninkrijk. Christus-zelf zou komen om de Gemeente tot Zich op te nemen!"