De Opwekkingen ten tijde van het verval.

GIDEON.

(Richt. VII en VIII.)

De overwinning in Gods kracht.

Wij hebben gezien, hoe de dienstknecht door God is toebereid geworden voor het werk, dat de Heer voor hem bestemd had. Hoewel hij zwak was, zoodat hij groote wonderteekenen noodig had, om te zien of God met hem was, zoo openbaarde hij nochtans in zijn optreden tegenover den vijand Gods kracht. Het uitroeien van den afgodendienst in het huis zijns vaders, en de daaruit voortvloeiende aanbidding van den levenden God, moest echter aan de overwinning over de vijanden des Heeren voorafgaan. Alleen in dat geval zouden de IsraŽlieten zegevieren, want de groote overwinning over de menigte der Midianieten zou niet door hunne eigene kracht, maar door Gods machtigen arm worden behaald.

Gideon begreep dit, en in het geloof wentelde hij daarom zijn weg op den Heer.

"Des volks is te veel," zoo zeide de Heer tot Gideon. Toch waren er maar twee en dertig duizend strijdbare mannen bijeen, en de Midianieten waren ontelbaar in menigte als het zand aan den oever der zee. Hoe licht had Gideon derhalve kunnen tegenspreken, toen de Heer hem zeide, dat hij een gedeelte van zijn leger moest wegzenden. Was bij Jozua niet gebleken, in den strijd tegen Ai, dat een deel van het volk niet genoeg was? Was daarna niet het gansche volk opgetrokken? Zoo had Gideon kunnen spreken, maar hij deed het niet, want hij wist, dat het een tijd van verval was. De dagen van Jozua, waarin het gansche volk moest optrekken om uitdrukking te geven aan de eenheid, waren voorbij. Persoonlijke getrouwheid werd nu vereischt en geheele afhankelijkheid; de overwinning moest zichtbaar alleen van den Heer zijn. "Opdat IsraŽl zich niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijne hand heeft mij verlost."

En dat Gideon dit geloofde en derhalve op God alleen vertrouwde, was het bewijs, dat hij dezen eersten karaktertrek bezat van een getuige ten tijde van het verval. De Christenheid onzer dagen beroemt zich over de uitbreiding van het werk, en over de vele aanhangers van het christelijk geloof. Roept God iets goeds te voorschijn, zoo beroemt zij zich er op, en zegt als Laodicťa: "Ik ben rijk en verrijkt, en heb aan geen ding gebrek." Maar in onze dagen werkt Hij door kleine kracht. De mensch valt geheel weg. Hij is het, die de deuren opent en sluit, en wij hebben slechts naar binnen te gaan. Dit begreep Gideon. En daarom deed hij, wat God tot hem zeide.

"Wie bloode en versaagd is, die keere weder, en spoede zich (of keere terug) naar het gebergte van Gilead." Zoo luidde het woord des Heeren. Mozes heeft eens iets dergelijks gezegd. In Deut. XX: 8 lezen wij: "Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat het hart zijner broederen niet smelte, gelijk zijn hart." Dit toont ons een tweeden karaktertrek aan. Een getuige Gods moet alles van Hem, en niets van zichzelven verwachten, maar - moet toch ook niet bloode of versaagd zijn. Gideon was niet bevreesd om de boodschap des Heeren aan zijn leger te brengen. Hij was ook niet bang, toen die twee en twintig duizend weggingen. Want hij wist, dat de Heer met hem was. En dat is, vooral ook in onze dagen, van zooveel gewicht. Een dienaar Gods, die niets te verliezen heeft, omdat hij alles van God verwacht, is vol moed voor zijn werk.

Ach, daar zijn er thans zoo velen, die bloode en versaagd zijn! Maar God moet ongedeelde harten hebben in zijn dienst. Niet dezulken, die van menschen afhankelijk zijn, die allerlei te verliezen hebben, die zich daarom voor velerlei in acht moeten nemen, en die zoodoende een schadelijken invloed op andere getrouwen kunnen uitoefenen. Neen, die twee-en-twintig duizend krijgen wel deel aan den buit, maar God kan ze niet gebruiken voor den strijd. Zij, die bloode en versaagd zijn, kunnen wel den zegen van het getuigenis ondervinden, maar zij bezitten gewoonlijk niet de noodige eigenschappen om dragers van het getuigenis te zijn.

"Hij deed het volk afgaan tot het water." Zoo lezen wij verder. Een derde karaktertrek toch is: met het gansche hart bij de zaak zijn, zoodat men alles geheel als verlies beschouwt. Die op hunne knieŽn bukten om het water tot hunnen mond te brengen, waren negen duizend zeven honderd man. Zij waren voorzichtig en maakten het zich zoo gemakkelijk mogelijk. Maar geheel anders was het met die driehonderd man gesteld. Zij hadden energie. Er was geen tijd te verliezen; geen gemak mocht er worden gezocht; zij verloochenden zich. Zij hadden kunnen denken aan het gevaar van in de beek te vallen, als zij zich languit nederwierpen; zij hadden kunnen zeggen: het lekken met de tong en het haastige brengen van het water met de hand tot onzen mond kan ons allerlei doen inslikken, waarvoor we geen gevaar loopen, als we op onze knieŽn liggen en kunnen zien wat we doen. Maar zij redeneerden zoo niet; zij waren aan de beproeving gewend. En bovendien, zij begrepen, dat het er thans niet om ging, om van de zegeningen te genieten. De beek stelt namelijk Gods zegeningen voor. De groote menigte zette zich kalm neder om daarvan rijkelijk profijt te trekken. Maar de driehonderd man begrepen, dat het om den strijd en de overwinning ging, en daarom gebruikten zij van het goede in der haast, alleen als een verfrissching voor hun dienst. Vele Christenen zijn aan de groote menigte dezer tien duizend mannen gelijk. Zij zetten zich rustig neder bij de aardsche zegeningen, in plaats, dat zij er slechts als in het voorbijgaan van genieten. In Ps. CX lezen wij: "Hij zal op den weg uit de beek drinken." Dat heeft de Heer Jezus gedaan. Genietend als in het voorbijgaan van het goede, dat God Hem gaf, richtte Hij zijn aangezicht om te reizen naar Jeruzalem, waar Hem strijd en lijden, maar ook de overwinning wachtten. (Luk. IX: 51.)

Deze driehonderd man nu, die gelekt hadden, zouden het volk verlossen. Zij namen den teerkost in hunne hand, en hunne bazuinen. En Gideon liet allen heengaan, maar die driehonderd man behield hij. Met hen zou hij moedig den vijand, die daar beneden in het dal lag, tegemoet gaan.

Toch was Gideon niet geheel rustig, en daarom moest hij nog twee persoonlijke ervaringen opdoen, om hem in den strijd te sterken. De eerste ervaring leerde hem, dat hij, op zichzelven, niet beter was dan de anderen, die waren weggegaan. "Vreest gij nog af te gaan," zoo zegt de Heer, "ga dan af, gij en uw jongen, naar het leger." Gideon had kunnen antwoorden: "Ik ben moedig; ik heb immers naar de vier winden het bazuingeluid doen hooren, om gansch IsraŽl te verzamelen ten strijde." Maar hij zeide dit niet. Hij nam deze waarheid, die hem zeker tot ootmoed moest stemmen, aan, en ging af naar het leger.

En daar bracht God hem in de tegenwoordigheid der vijanden, die talrijk waren als de sprinkhanen. En wat moest hij daar hooren? De strijdbare held werd vergeleken met een eenvoudig gerstebrood, een grove spijs van bijna geen waarde. Hoe schoon is dit! God inspireerde een droom en zijne verklaring om aan te toonen, hoe zwak Gideon was; zoo zwak als gerstebrood, dat licht breekt. Maar het gerstebrood was in het vuur geweest en men werd er door verzadigd, al was het gewoon brood. En zoo was het ook met Gideon. Door God beproefd, zou hij, hoewel zwak en nietig, eenvoudig maar krachtig werken. "Dit is niet anders," zoo lezen wij, "dan het zwaard van Gideon!" Een fraai zwaard, voorwaar, om er zulk een menigte vijanden mee te verslaan! Maar - het zwaard van Gideon is het zwaard des Heeren. Daarin ligt de kracht. Gideon leert dus op dezen tocht zichzelven kennen. Ook hij is niets. God zal hem de overwinning geven, maar de vijand is eigenlijk reeds overwonnen. "God," zoo zegt de Midianiet tot zijn kameraad, "heeft de Midianieten en dit gansche leger in zijne hand gegeven." En wat werkt dit bij Gideon uit? Hij werpt zich neder en aanbidt. O, mocht ook bij ons gevonden worden, tegenover het vleesch, de wereld en den satan, het bewustzijn, dat deze vijanden reeds door den Heer overwonnen zijn. Dat zal ons moed in hunne tegenwoordigheid geven.

Vol vreugde en vertrouwen keerde Gideon nu tot het leger van IsraŽl terug en zeide: "Maakt u op, want de Heer heeft het leger der Midianieten in ulieder hand gegeven." En daarop verdeelde hij de driehonderd man in drie hoopen, en gaf hun in de hand: bazuinen, ledige kruiken en fakkels in de kruiken. En met deze wapenen moesten zij den vijand tegemoet gaan. Door deze kruiken en fakkelen kwam het gansche leger in verwarring en schreeuwden de vijanden van angst. "Het zwaard van den Heer en van Gideon!" riepen zij. En toch - zij hadden geen zwaard. Maar deze wapenen, die eigenlijk geen wapenen waren, waren de Gode welgevallige middelen om de macht des vijands te verdoen. Zij bliezen reeds op de bazuinen vůůr de overwinning was behaald!

Wij hebben met elkander overdacht, welke de karaktertrekken van een getuige Gods ten tijde van het verval zijn. Hier zien wij, waarin het getuigenis Gods in zulk een tijd bestaat.

In Numeri X vinden wij de beteekenis der bazuinen in bijzonderheden aangegeven. Zij waren de stem Gods, door welke bij vier gewichtige gelegenheden Gods gedachten aan het volk werden medegedeeld. Zij gaven ten eerste het sein tot vergaderen, ten tweede het teeken tot optrekken, zij riepen ten derde tot den strijd op, en noodigden ten vierde uit tot het vieren der gezette hoogtijden. Welnu, wat eens deze bazuinen voor het volk van IsraŽl waren, dat is nu het Woord Gods in nog veel heerlijker mate voor ons. Gods Woord noodigt ons uit, ons tot den Heer en rondom zijn getuigenis te vergaderen. Gods Woord wijst ons den weg, sterkt ons in den strijd, en leidt onze aanbidding. Een groot gedeelte van de kinderen Gods meent, dat het Christendom alleen dŗŗrin bestaat, dat het Evangelie aan onbekeerden moet gebracht worden. Maar Gideon leert ons anders. Hij begon daar, waar God begint.

Hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen. (Richt. VI:34.) Hij is het middel in Gods hand om de door het verval verstrooide kinderen IsraŽls te vergaderen. O, geliefde broeders! liggen de kinderen Gods ons ook zoo aan het hart? Laat ons Gods Woord nemen en zijne stem anderen doen hooren. Er zijn er zoo velen, die niet meer gewoon zijn, het klare bazuingeschal te vernemen. En toch - Gods Woord is er. En overal in ons land en in andere landen bestaan er tijdschriften en boeken, die als bazuinen de waarheid Gods bekend maken. Door het verbreiden van deze geschriften, en door het spreken van een woord over Gods wil op den rechten tijd, kunnen wij de vreugde genieten, voor een Gode welgevallige zaak gewerkt te hebben, een zaak, die door Gods Woord "goed en liefelijk" wordt genoemd. (Ps. CXXXIII: 1.) Maar de bazuin is niet alleen een teeken tot vergaderen, zij is het ook voor den wandel; geen ander richtsnoer hebben wij voor ons leven dan Gods Woord. De verschillende openbaringen in den wandel der geloovigen vinden alleen hun ontstaan in de afwijking van dit richtsnoer. Hoe heerlijk zou het zijn, als allen kloekmoedig met elkander wandelden in het rechte spoor! Maar niet alleen tot vergaderen en tot optrekken weerklonk de bazuin. Zij riep ook ten strijde. Het getuigenis Gods is onmiddellijk met strijd verbonden. Dat zien wij in deze geschiedenis. Er moest niet alleen verzameld en opgetrokken worden; neen, er moest ook een stelling worden ingenomen tegenover de vijanden. Zoo moeten ook wij niet alleen ons vergaderen en gezamenlijk wandelen in Gods weg, maar tevens luide verkondigen, dat wij niets met de wereld te doen hebben. En ten slotte riep de bazuin het volk op tot het onderhouden der feesten. De Heer wil, dat wij zijn dienst betrachten, en ons daarin door Gods Woord laten leiden. Wij zouden over al deze dingen uitvoeriger kunnen spreken, maar dit zou ons te ver afvoeren; daarom geven wij alleen de gedachten aan, onzen lezers verzoekende, ze verder in de tegenwoordigheid des Heeren te overpeinzen.

De ledige kruiken vormen een tweede bestanddeel van het getuigenis Gods. Zonder twijfel behoorden zij tot de vaten, waarin het volk de meegenomen levensmiddelen had bewaard. Nu waren zij ledig geworden en hadden dus geen waarde meer. Maar Gideon, door God onderwezen, wist van deze oogenschijnlijk nuttelooze voorwerpen gebruik te maken tot eer van God. 2 Kor. IV : 1-10 slaat ongetwijfeld op deze geschiedenis. De apostel Paulus spreekt daar van de plaats, die hij als getuige tegenover de wereld inneemt. Hij heeft "de waarheid te openbaren," en "den lichtglans van het Evangelie der heerlijkheid van Christus" voor de oogen der menschen te doen uitstralen, en daarbij voegt hij dan de woorden: "Doch wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons." Zoo wordt dan het "sterfelijk vleesch'' van Paulus, den grooten Apostel der heidenen, met een aarden vat vergeleken. Ledige kruiken - ziet daar, waarde lezers, wat Gideon en zijne medestrijders in zichzelven waren. De driehonderd mannen moesten allen voor zich persoonlijk hetzelfde onderwijs ontvangen, dat hun aanvoerder in het leger der Midianieten was gegeven. Gelijk het aarden vat van Paulus, zoo waren ook deze slechts ledige kruiken, geschikt om gebroken te worden. Als God een getuigenis in het aanzijn roept, zoo verheerlijkt Hij zich slechts door gebroken werktuigen. Hij laat zijn Evangelie aan de volkeren door een Saulus brengen, die op den weg naar Damaskus in het stof was geworpen, en Hij verheerlijkt de uitnemendheid zijner kracht in een Paulus, dien Hij ten einde toe als het ware verbrak. " In alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar toch niet zonder uitweg; vervolgd, maar niet verlaten; ter nedergeworpen, maar niet omkomende; altijd de dooding van Jezus in het lichaam omdragende."

Maar waartoe moesten deze ledige kruiken dienen? Om de fakkels in zich op te nemen. Dat is het derde bestanddeel van het getuigenis Gods. De bazuin geeft het zuiver geluid en leidt ons in alle dingen. Wij zijn ledige kruiken, niets waard. Maar God wil zijn licht in ons doen schijnen. "Opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar worde," zegt Paulus. De bazuin is Gods Woord, de kruik is de geloovige, de fakkel is het leven van Jezus, het licht van Christus. De beide eerste dienen er toe, opdat het derde te midden der duisternis zou kunnen schijnen. De mannen van Gideon bliezen met de bazuinen en stieten met de kruiken, en het licht straalde in de rondte. Zoo is het ook met de getuigen in dezen tijd. "Want wij, die leven, worden altijd ten doode overgegeven om Jezus' wil, (God-zelf zorgt er voor, dat de vaten verbroken worden!) opdat ook het leven van Jezus openbaar worde in ons sterfelijk vleesch." Er staat hier niet: het leven van Christus, maar het leven van Jezus, het leven van dezen Mensch, die hier beneden in heiligheid heeft gewandeld. Wij zijn geroepen om den Mensch Jezus, zooals Hij hier geleefd heeft, te openbaren in ons leven. Daarin bestaat ons getuigenis, zoolang wij hier vertoeven.

Er is geen enkel Christen in deze wereld, die deze drie bestanddeelen van het getuigenis Gods niet openbaren kan. Waarom vindt men ze dan zoo weinig? Omdat men niet naar den wil Gods er mee handelt. Men moet met de bazuinen blazen, de kruiken breken, en de fakkels mag men niet onder een korenmaat zetten. Leven wij naar de gemakzucht dezer wereld? Hebben wij nooit iets ervaren van wat de Apostel moest doorstaan? Ach, dan zijn wij ongelukkig. God heeft ons dan nog niet waardig geacht, den lichtglans van het Evangelie voor de oogen der wereld te brengen. "Welgelukzalig zijn de gebrokenen," zegt de Heer; en Hij voegt er bij : "Verheugt u en weest blijde, want uw loon is groot in de hemelen!"

De driehonderd mannen stonden een ieder op zijne plaats, rondom het leger, en riepen: "Het zwaard des Heeren en van Gideon!" Legt dan ook gij getuigenis van Christus af, stelt Hem door woord en wandel aan anderen voor, zonder u om uzelven te bekommeren; laat alleen Gods Woord uw wapen zijn, en gij zult zien, dat de gansche macht des satans en der wereld u niet kan weerstaan. En tevens zal dit anderen wakker schudden. Het is bemoedigend te zien, hoe het ťťne getuigenis steeds het andere te voorschijn roept. Deze driehonderd werden door God gebruikt, om het gansche volk weer te vereenigen. De mannen van IsraŽl vergaderden zich en vervolgden Midian, en alle mannen van EfraÔm verzamelden zich en namen trouw deel aan de vervolging en aan den buit van den vijand. Zoo zal het ook met ons gaan, als wij getrouw zijn. Zijn wij getuigen van Christus, dan zullen wij ook den ijver opwekken van anderen, die Hem toebehooren.

 

Moeilijkheden en valstrikken in de uitoefening van den dienst.

Van het oogenblik af, dat wij met God wandelen als de dragers van zijn getuigenis, kunnen wij verzekerd zijn, dat wij moeilijkheden van allerlei aard op onzen weg zullen aantreffen. Het achtste hoofdstuk van het boek der Richteren toont ons dit duidelijk aan. Reeds in het vorige hoofdstuk ondervonden Gideon en zijne driehonderd mannen eenige bezwaren. De strijd ging met verloochening gepaard. Zij moesten gemak- en genotzucht verzaken. In dit hoofdstuk worden de bezwaren echter grooter. De mannen van EfraÔm begonnen met Gideon te twisten. In de dagen van Debora hadden zij een eereplaats ingenomen; (Richt. V : 14.) maar sinds dien waren zij afgeweken, en onder het bestuur van God had Gideon hen niet ten strijde geroepen. Zoo waren zij dus achteruitgezet. Dit maakte hen jaloersch op datgene, wat God aan hunne medebroeders had toevertrouwd. (Jes. XI: 13.) IJverzucht is steeds iets schrikkelijks, zoowel in het huisgezin als in de vergadering des Heeren. Meestal is scheiding er het gevolg van. Vele scheuringen zijn het gevolg van jaloezie geweest tegen degenen, die waarlijk om des Heeren wil dienden.

"Wat voor een stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt?" Ingenomen met hun eigen gewichtigheid, dachten de mannen van EfraÔm aan zichzelven in plaats van aan God. Dat is menigmaal de oorzaak van veel oneenigheid en twist tusschen broeders. Meestal is het eigen-ik geprikkeld, zoodat men meent, dat men is voorbijgezien, dat anderen niet genoeg notitie van ons hebben genomen. En het gevolg is boosheid. Gelukkig als men dan nog maar zich rondweg tegen den persoon in quaestie uitspreekt, zooals EfraÔm hier doet. Dan worden ten minste anderen er niet mee bezoedeld, en kan alles goedgemaakt worden. Het is schoon te zien, hoe Gideon, deze man Gods, hier in de kracht Gods de moeilijkheid overwint! - In het boek der Richteren vinden wij drie voorbeelden van twist onder broeders: hier bij Gideon, later bij Jephta, en eindelijk bij den strijd der elf stammen met Benjamin. In de beide laatste gevallen werd de twist niet bijgelegd, waardoor veel ellende ontstond. Hier in dit geval werd de breuk hersteld. Als onder broeders twisten ontstaan, waar is dan hulp te vinden? Wat moeten wij doen? In volkomen ootmoed wachten! Gideon had dit in de school Gods geleerd, en daarom viel het hem niet moeilijk, dit te verwezenlijken. God had er voor gezorgd, dat Gideon het leerde verstaan, dat zijne dapperheid en kracht niet van hemzelven waren, en dat het zwaard van Gideon op zichzelf niet meer waard was dan een gerstebrood. En daarom past Gideon, door wien God zulk een wonderbaar verlossingswerk tot stand bracht, wel op, om in de tegenwoordigheid van EfraÔm over zijn eigen persoon te spreken. Hij houdt zich bezig met datgene, wat God door de hand zijner broeders had gedaan. "Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden?" zoo zegt hij - "zijn niet de nalezingen van EfraÔm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?" Hij neemt de laagste plaats in en erkent zonder eenige terughouding den ijver voor God, met welken EfraÔm ondanks alles bezield was. Door dezen ootmoed werd een groote moeilijkheid uit den weg geruimd. O, laat ons evenzoo handelen! Laat ons, als wij van onze broeders spreken, niet hunne fouten optellen, maar veelmeer de dingen, die God door hen heeft gewerkt. Kan ik niet Christus in mijnen broeder zien, als ik opmerk, hoe God zich met hem bezig houdt om hem klein te maken? Door niets worden twisten beter bijgelegd, dan daardoor, dat wij in anderen Christus aanschouwen.

Gideon en zijne mannen stieten spoedig op een nieuwe moeielijkheid, die nog grooter was dan de vorige. "Moede en nochtans vervolgend," zetten zij hun weg voort. Zij gevoelden alzoo aan hun lichaam de dagelijksche inspanning, die het deel van allen is, die in het getuigenis volharden. Maar zij gaven het toch niet op. Zij bereikten Sukkoth, een stad in IsraŽl, die tot den stam van Gad behoorde. Sukkoth wijst hen af, en weigert zelfs, hun brood te geven. Er was dus in het midden van het volk een gansche stad, die, hoewel zij den naam van IsraŽl droeg, elke gemeenschap met de getuigen des Heeren ontkende. "Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alreede in uwe hand," zeiden zij, "dat wij aan uw heir brood zouden geven?" Zij hadden een groote gedachte van de macht des vijands, en waagden het daarom niet, zich bloot te stellen door partij te kiezen voor IsraŽl. Zoo is heden ten dage het aantal Christenen groot, dat wel den naam van Christus wil dragen, maar nochtans met het bondgenootschap der wereld en met de vriendschap tegenover haar niet breken wil. Uit vrees van zich bloot te stellen maken zij liever gemeene zaak met onze vijanden, en leggen zij den geloovigen, die de overwinning willen behalen, moeilijkheden in den weg. Wij moeten ons daarover niet verbazen; en de rechtmatige toorn, die zich van ons meester maakt, als we dit ondervinden, moet ons niet op den weg doen stilhouden. Zooals bij Gideon moeten onze harten geheel bij den krijg zijn. De man Gods vervolgde zijn weg. De schandelijke handelwijze van de mannen van PnuŽl houdt hem evenmin op als die van de lieden van Sukkoth. Voor den getuige Gods heeft elk ding zijn bestemden tijd. De duivel zoekt de dingen met elkander te verwarren, om ons daardoor moeielijkheden te bereiden. Maar Zebah en Tsalmuna mogen ons niet ontsnappen. Voor de bestraffing van de oproerige steden is later nog tijd. Zoo moeten ook wij ons in onzen strijd in deze wereld niet laten ophouden door boozen en verkeerden, die in hun oproerigen geest het er op aanleggen, om ons op den weg ten strijde en ter overwinning hindernissen in den weg te leggen. Bij zijn terugkeer oefent Gideon tucht uit in de gemeente van IsraŽl, en doet "den booze uit het midden weg," want het zou tot oneer van God zijn, als het booze in de vergadering Gods werd geduld.

Ik meen genoegzaam aangetoond te hebben, hoe in deze gansche geschiedenis Gideons ootmoed en energie des geloofs aan het licht treedt; de energie, die noodig was om het volk bijeen te roepen en te louteren, zoodat zij ten strijde konden trekken en den vijand vervolgen; de ootmoed, die van zichzelven en van zelfvertrouwen leert afzien, om alle kracht in den Heer te zoeken. En toch werkte Satan juist op deze beide punten, waarin Gideon zoo sterk scheen te zijn, en voor welke het scheen, dat hij het minst waakzaam behoefde te zijn, om dezen machtigen verlosser van IsraŽl een strik te spannen.

De overwonnen koningen begonnen Gideon te vleien, en die vleitaal was des te gevaarlijker, waar zij niet van zelfzuchtige bedoelingen scheen uit te gaan. Hij vraagt hen: "Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt?" En zij antwoordden: "Gelijk gij, alzoo waren zij, eenerlei van gedaante, als koningszonen."

Mijn lezer, laat ons nooit de vleierijen der wereld vertrouwen. Het eenvoudig christelijk verstand zegt ons, dat de wereld ons alleen vleit om ons te verzwakken, en om de wapenen, waarmede wij strijden, ons uit de hand te nemen. Gideon wordt gelukkig door deze vleitaal niet van den weg Gods afgebracht, maar het schijnt mij toe, dat zij toch invloed op hem uitoefende. Hij verliest het ware begrip van de macht van den tegenstander en begint hem te verachten in plaats van hem te vreezen. Jozua had dit niet gedaan, toen hij de vijf koningen tot zijne gevangenen maakte. In Jozua X : 22-27 vinden wij, dat hij er ver van af is, om de macht van den vijand te verkleinen tegenover de mannen van IsraŽl. "Treedt toe," zeide hij tot de oversten van het krijgsvolk, "zet uwe voeten op de halzen dezer koningen." En daarna vervolgde hij: "Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed." Hij bewees daardoor, dat hij zich zoowel van de macht des vijands als van die des Heeren goed bewust was. Twee dingen betamen ons in den strijd: een zekere vrees, wat onszelven betreft, daar wij een diep bewustzijn hebben van de macht des vijands, en tevens een volkomen vertrouwen op God, hetwelk alle vreeze verbant! Gideon heeft dit niet geheel verwezenlijkt, Hij gaf aan zijn zoon Jether de opdracht, de beide koningen te dooden. "Maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, daar hij nog een jongeling was." In het vorige hoofdstuk had Gideon degenen, die vreesden, afgezonderd en mochten zij niet aan den strijd deelnemen. En hier neemt Gideon een kind om een eerste plaats in te nemen.

Dan zeggen de Koningen tot hem: "Sta gij op en val op ons aan, want naardat de man is, zoo is zijne macht." Opnieuw een vleierij, tegen welke Gideon niet genoeg op zijn hoede was. Zijne kracht was inderdaad het tegenovergestelde van die des mans. Had de Engel des Heeren niet tegen hem gezegd: "Ga heen in deze uwe kracht?" En was dat niet duidelijk gebleken in dien gedenkwaardigen nacht, toen de Heer hem openbaarde, dat een gerstebrood alle tenten van Midian zou omverwerpen? Als Gideon op zijn hoede geweest was, zou hij niet toegelaten hebben, dat deze kiem van zelfvertrouwen in zijn hart werd geplant.

En ziedaar, weldra komt hij voor een nieuwen valstrik. Nu is het niet de vleierij der wereld, maar de vleierij van het volk des Heeren. "De mannen van IsraŽl zeiden tot Gideon: Heersch over ons, zoo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt." Zoo wilden de IsraŽlieten hun aanvoerder in de plaats des Heeren stellen en boden hem den schepter aan. Niets ligt zoo zeer het volk Gods na, als een zoogenaamde "geestelijkheid" in te voeren. De gelukkige uitvoering van den dienst, de overwinning, die de Heer geeft, brengt zoo licht het gevaar met zich om den dienaar tot iets te maken en God uit het oog te verliezen. Het geloof van Gideon ontgaat, Gode zij dank! dit gevaar geheel. Met beslistheid zegt hij: "Ik zal over u niet heerschen, ook zal mijn zoon over u niet heerschen, de Heer zal over u heerschen." Het doel van elken dienst is, dat God de eerste plaats inneemt en behoudt.

 

De efod van Gideon.

 

Tot op dit oogenblik was Gideon te midden van de moeilijkheden en valstrikken wonderbaar bewaard gebleven. Zijn hart was nog vol van de beste bedoelingen; maar - reeds had een zeker gif een geheime schade aangebracht, en, zooals ťťrst voor het verval van het geheele volk, staan wij ný voor het verval van den richter.

"En Gideon zeide tot hen: Eťne begeerte zal ik van u begeeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijnen roof." Het volk bewilligde in dit verzoek volgaarne. Gideon was geenszins, gelijk Achan, op goud en zilver belust. Hij was edel en dacht niet aan zichzelven. Van het goud wilde hij een goed gebruik maken. Hij had de afgodsbeelden omvergeworpen, en hij dacht er geenszins over, ze weer op te bouwen; neen, hij wilde, eenigszins door het gevoel van zijn eigen gewichtigheid geleid, in zijn vaderland Ofra een gouden herinneringsteeken aan de behaalde overwinning oprichten. Dit gedenkteeken zou den vorm van een efod hebben, dus een voorwerp van goddelijken oorsprong zijn. De efod toch was een deel van de kleeding van den hoogepriester, als deze voor God het volk van God vertegenwoordigde. Zoo was de efod dus inderdaad een heerlijk voorwerp, maar het was waardeloos in de oogen des Heeren, als het niet in verbinding stond met den hoogepriester, die het dragen moest. Ach, gansch IsraŽl begreep de bedoeling dan ook verkeerd en hoereerde den efod van Gideon na, dat wil zeggen: zij beschouwden hem als een middel om tot God te naderen, en wierpen zich voor den efod neder. En het werd Gideon-zelf Ťn zijn huis tot een valstrik!

Ook in de Christenheid zijn de efods niet vreemd. Talrijk zijn de door God-zelf ingestelde dingen, die men van Christus losmaakt, en door welke men nu tot God zoekt te naderen. De vorm treedt dan in de plaats van het wezen. Maakt men niet zelfs van den gekruisigden Christus in de Roomsche kerk een afgodsbeeld? Hoe verootmoedigend is het, dat de aanvoerders van het volk den eersten stoot tot den afgodendienst kunnen geven! Gideon was geen hoogmoedig man, maar zijn hart was niet meer louter voor God. Een talrijke familie omgaf hem, maar hij voedde in zijn huis een slang op, die den val van zijn geslacht zou bewerken. Abimťlech, zoo noemde hij dezen zoon. "Mijn vader is koning" beteekent deze naam. Een bewijs te meer, dat Gideon niet nederig was gebleven.

Nauwelijks had Gideon de oogen gesloten, of IsraŽl gaf zich weer geheel over aan den afgodendienst en maakte zich Bašl-Berith tot een God. Is het niet diep treurig? Gelukkig, ťťn troost blijft bij alle afwijking: God laat zich nimmer onbetuigd. Hij behoudt te allen tijde een getuigenis voor zijn Naam. Laat ons dan in getrouwheid getuigen des Heeren zijn, en het woord van Gideon in gedachtenis houden: "De Heer zal over u heerschen!"

En hiermede zijn wij aan het einde gekomen van de schoone geschiedenis van Gideon, Gods strijdbaren held. Moge de overdenking van hetgeen deze man Gods in de kracht Gods deed, ons aansporen om in ootmoed en met energie des geloofs onzen weg te gaan te midden van het verval. Moge ook zijne afwijking van het rechte pad ons een waarschuwend voorbeeld wezen om toch te allen tijde - ook als wij reeds veel in den dienst des Heeren deden - waakzaam en biddende te zijn en in afhankelijkheid van onzen God te leven en te wandelen.