Christus de Onveranderlijke.

"Jezus Christus is gisteren en heden
dezelfde, en tot in eeuwigheid."
Hebr. XIII : 8.

Hoe bemoedigend en vol vertroosting het ook zijn moge, voor het hart van ieder, die Christus kent, dat Hij de Onveranderlijke is en blijft, tot in eeuwigheid, zoo is dit toch in de eerste plaats gewichtig in betrekking tot zijn Persoon. Zijne heerlijkheid en hoogwaardigheid moet voor den geloovige steeds het onaantastbare goed blijven. Zoodra dit, op welke wijze ook, vergeten of uit het oog verloren wordt, houdt Hij op het voorwerp van aanbidding te zijn. In onzen tijd van Christus-verguizing is de geloovige geroepen, daaraan te denken. Hij heeft te waken, dat door beschouwingen of uitdrukkingen de eerbied voor zijn Persoon niet gekrenkt worde, waarvoor zoo licht aanleiding bestaat. Daarvoor is te grooter gevaar, naarmate men zich bezig houdt met de menschwording, de vrijwillige vernedering des Heeren. Door mensch te worden betrad Hij ook het gebied der menschen, en wordt dr aangetroffen als n, die den mensch in alles gelijk geworden, en die in alle dingen verzocht is, gelijk wij, uitgenomen de zonde. Voor hoevelen is deze zelfvernedering des Heeren niet de aanleiding geweest om te trachten den sluier op te lichten, die over de verborgenheid der godzaligheid is uitgespreid. Een verkeerde, onware toepassing van de woorden: "Hij moest den broederen in alles gelijk worden" heeft er toe gediend om Hem met ons gelijk te stellen. Door deze zondige gelijkmaking met ons wordt Hij, de Heer der heerlijkheid, neergetrokken tot het lage peil der zondige natuur des menschen, om zich daardoor achter Hem te kunnen verbergen, en zoodoende een verontschuldiging en valsche vertroosting te vinden voor de booze lusten en begeerten van het vleesch. Gebrek aan inzicht doet velen zeggen, dat, als de Heer niet zondigen kon, de verzoeking voor Hem geen verzoeking geweest zou zijn. Een onware beschouwing over het niet kunnen zondigen is daarvan de oorzaak. Men denkt daarbij aan iemand, die, gebonden aan handen en voeten, machteloos is. Van een zedelijk niet kunnen door hoogheid van geboorte en afkomst is bij zulke beschouwingen geen sprake.

Dit laatste nu is het, waarin het geheim gezocht moet worden, waarom de Heer niet kon zondigen. Zij, die toch deze verkeerde meening blijven vasthouden, hebben niet den Christus der H. Schrift, niet dat "Heilige" dat uit Maria geboren, maar door den H. Geest ontvangen is. Voor den Heer, den Heilige, waren de verzoekingen veel grooter dan voor den mensch, die zondigen kan; hetgeen trouwens alleen verstaan kan worden door hen, die der goddelijke natuur deelachtig zijn, van wie geschreven staat: "Een iegelijk, die uit God geboren is, doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen." (1 Joh. III : 9.)

Dit nu is in de eerste plaats waar van Christus, in Wien deze tekst ook zijne volledige vervulling heeft gevonden tijdens zijne omwandeling op aarde. Dat dit thans ook van den geloovige in Christus kan gezegd worden, is het gevolg van zijn sterven en zijne opstanding, waardoor de geloovige met Hem is vereenigd, en hetzelfde leven en dezelfde goddelijke natuur is deelachtig geworden. De veronderstelling alleen, dat Christus zondigen kon, is reeds lastering tegen zijn Persoon. De verzoeking van den Satan en van het kwaad was drom zoo schrikkelijk voor den Heer, omdat Hij er door in aanraking gebracht werd met iets, wat Hij niet kende, wat Hij haatte, en waarvan Hij een afschuw had. "Gij hebt gerechtigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenooten." (Hebr. I : 9.)

De duivel had niets, waarmede hij den Heer verzoeken kon, hij had geen enkel voorwerp, dat aantrekkelijkheid had voor den Heer. De goddelijke en hemelsche dingen en het doen van den wil Gods hielden Hem geheel en al bezig. Dit nu zullen wij des te beter inzien, als wij de beteekenis van het Schriftwoord, dat Christus de eeuwig Onveranderlijke is, hebben leeren verstaan. Van wien of van wat, dat geschapen is, kan gezegd worden, dat het in eeuwigheid hetzelfde blijft? Dit kan alleen van God gezegd worden, van den Jehova des Ouden Verbonds: "Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen; die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven, en zij allen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd worden. Maar Gij zijt Dezelfde, en uwe jaren zullen niet geindigd worden." (Ps. CII : 26-28.) Ziedaar de woordelijke gelijkstelling van God met Hem, van wien de apostel schreef: "Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd en onze handen getast hebben aangaande het Woord des levens verkondigen wij u." (1 Joh. I : 1.) Dien zij derhalve als mensch gekend hadden, "deze was de waarachtige God en het eeuwige leven." (1 Joh. V : 20.) Voor de geloovige Hebrers was het een zaak van het grootste gewicht, dat zij dit verstonden, evenals voor ons, opdat zij niet geschokt zouden worden in het geloof aan Hem, die de beloofde Messias was.

Nog op een ander punt in betrekking tot de menschwording des Heeren moet gewezen worden, dat wel is waar meer schijn van liefelijkheid heeft. En dit is, dat er geloovigen zijn, die er een soort van zelfvoldoening in vinden, om van den Heer als van hun broeder, ja zelfs als van hun oudsten broeder te spreken. Zoo oogenschijnlijk is daarin niets oneerbiedigs te zien, want de Heer heeft dit immers zelf gedaan, daarbij wijzende op zijne discipelen. Doch, hoe waar dit ook is, en welk een eer en genade daarin voor ons ligt opgesloten, zoo moet dit wederom in verband gebracht worden met zijnen dood en zijne opstanding. Vr dien tijd was Hij als het tarwegraan alln, en kon er van zulk een gelijkstelling met Hem niet gesproken worden. Eerst na zijne opstanding vinden wij in de boodschap aan Maria gegeven, de wezenlijke vervulling hiervan. "Ga heen tot Mijne broeders, en zeg hun." (Joh. XX: 17.)

Doch dit geeft aan niemand het recht, om van den verheerlijkten Heer aan de rechterhand des Vaders te spreken als van zijn broeder. Onwetendheid alleen aangaande hetgeen betamelijk en passend is kan iemand in de meening brengen, dat hij daartoe vrijheid heeft. Het volgende diene tot opheldering. Indien een vorst of hooggeplaatste aan een zijner onderdanen of ondergeschikten de hand zou toereiken, en hem zelfs, als bewijs van vertrouwelijkheid en toegenegenheid, bij zijn naam zou noemen, zal hem dit dan vrijheid geven, om, bij de eerste ontmoeting de beste dit wederkeerig te doen? Als nog eenig gevoel van hetgeen passend is, in den zoodanige gevonden wordt, zal hij zich immers wel in acht nemen zoo iets te doen?

Voor Maria bleef Hij: "Rabbouni, Meester," en voor Petrus "de Heer", al heeft Hij ze beiden bij hun naam genoemd, ofschoon daardoor voor beiden de beteekenis niet verloren is gegaan van hetgeen geschreven staat: "Daarom schaamt Hij zich niet hen broeders te noemen." (Hebr. II : 11.)

Is op Christus als den Onveranderlijke gewezen met het oog op zijne persoonlijke heerlijkheid, zoo mogen wij dit ook nog in anderen zin op Hem toepassen, hetgeen voor het praktische leven zoo belangrijk is. De geloovigen, aan wie deze beschouwing over den persoon en het werk des Heeren gegeven is, waren uit Isral, en daardoor ook in gevaar het een of ander met Christus in verbinding te brengen, wat met hun vroeger leven in het Jodendom in betrekking stond, en waardoor Hij zou ophouden voor het praktische leven de Onveranderlijke te zijn. De vermaning in Hebr. XIII : 9 moet hiermede in verband gebracht worden. "Laat u niet vervoeren door verscheidene en vreemde leeringen, want het is goed, dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, waarvan zij geen nut hadden, die daarin wandelden." Een onrustig zoeken om vreemde en nieuwe dingen met Christus zelf of zijn werk in verbinding te brengen, kan iemand van het groote voorrecht berooven, in Hem alleen zijne rust te hebben. Het vleesch, in vromen zin en godsdienstigen vorm, is daartoe zeer geneigd, omdat het daarin een zekere zelfvoldoening vindt, zonder evenwel te bemerken, dat daardoor het bewijs gegeven wordt, dat Christus, zooals Hij is, ons niet meer voldoet. Dit is geen opwassen en toenemen in de kennis van den Heere Jezus, al wordt het daarvoor ook somtijds aangezien. Neen, integendeel, het stelt Christus en zijn werk op den achtergrond en plaatst den mensch op den voorgrond. Het treffendste beeld, dat ons dienaangaande gegeven is in de H. Schrift, is het Manna. Zooals het Manna uit den hemel kwam, werd het door het volk verzameld. Op welke wijze het ook toebereid werd, (Num. XI : 7.) het bleef hetzelfde Manna, zijn smaak en kracht ging er niet door verloren. Zooals de Heer het gaf, moest het gegeten worden; het was dan een smakelijke spijze, gelijk het volk zelf moest getuigen. Het diende niet slechts tot onderhoud van het leven, maar gaf het volk ook kracht om hunne reizen door de woestijn voort te zetten en den strijd te voeren tegen den vijand, die hun den weg moeilijk maakte. Het voorzag in elke behoefte, en dat ondervond het volk ook. Zoodra echter het volk met lust bevangen werd, dat is aan het vleesch toegaf, was het Manna niet meer voldoende en werd er iets anders begeerd, en toen de Heer hun dat begeerde gaf, was het tot een oordeel. (Num. XI.) Wat toch kan aan Christus toegevoegd worden, dat Hem heerlijker maakt dan Hij is? Het hart heeft behoefte gesterkt te worden door genade, en die genade vindt men alleen in Hem. Het vleesch is altijd belust op verscheidenheid, het eenvoudige voldoet niet meer, men moet wat nieuws, wat anders hebben. Daarom is de vermaning zoo noodig, dat wij ons niet zullen laten vervoeren door eenige neiging tot het vreemde in betrekking tot den persoon des Heeren. Zij, die zich daarmede inlaten, bewijzen, dat zij Hem niet kennen, zooals Hij ons door den Vader gegeven en in zijn woord geopenbaard is. Men doet in zekeren zin hetzelfde, als de krijgsknechten gedaan hebben - al was het voor het oog der menschen ook een purperen kleed, dat zij Jezus omwierpen, voor God en voor den eenvoudigen geloovige was het een vreemd, ja een spotkleed. Dat eenvoudige gewaad, waarin de zijnen Hem gekend hebben en waarin Hij zich in het midden des volks als Heiland had geopenbaard, was Hem ontnomen. In dat eenvoudige gewaad heeft hij teekenen en wonderen gedaan, heeft Hij hongerigen gevoed, kranken genezen, bedroefden getroost, zondaren gered en God volkomen verheerlijkt. In dat eenvoudige gewaad heeft Hij zelfs de ongeloovige Joden met verbazing vervuld door alles, wat zagen en hoorden, terwijl het purperen kleed, dat de krijgsknechten hem hadden omgeworpen en waarin de lafhartige Pilatus Hem aan het volk durfde voorstellen, niet eens het medelijden kon opwekken. Elke ziel vond in Hem wat zij noodig had. Z was, z is en z blijft Hij gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde, de Onveranderlijke. Laat u niet vervoeren door verscheidene en vreemde leeringen wordt ook ons, even zoo goed als aan die geloovigen uit Isral, bij wijze van vermaanwoord, toegeroepen. In dezen tijd, waarin men er vooral op uit is, Christus met allerlei vreemde kleeding te omhangen, is het noodig om niet slechts bij de eenvoudigheid, maar ook bij de zuiverheid des geloofs te blijven. Niets is er, wat duidelijker in het licht stelt, dat het hart niet rust in Hem, dan het jagen en trachten, om nieuwe en vreemde dingen, van waar ook afkomstig, of zij uit het joden- of uit het heidendom zijn, met Christus in verbinding te brengen. Op deze wijze is het onmogelijk Christus te genieten en te gevoelen, dat Hij alleen alles zijn kan. Veel kan ons ontvallen en diepe smart veroorzaken, zoowel op tijdelijk als geestelijk gebied. De onzen, met wie wij op de aarde verbonden waren, te moeten missen, doet pijn en doet ledige plaatsen ontstaan, die ons telkens de smart der scheiding opnieuw laten gevoelen; doch Jezus Christus is de Onveranderlijke gebleven, dat ondervindt een ieder, die bij Hem in het leed troost en sterkte zoekt. En evenzoo is het op geestelijk gebied smartelijk, om broeders en vrienden in den Heer ons te zien ontvallen, wier dienst en gaven, hun door den Heer verleend, onontbeerlijk schenen; doch in dezen is het hulp zoeken bij Hem, den Onveranderlijke tot in eeuwigheid, de eenige toevlucht voor de zijnen. Maar wat vooral het diepste wondt op dit gebied, is dat door het verval der gemeente zooveel wordt los- en uit elkander gerukt, dat God te zamen gebracht heeft, en dat bij elkander behoort, waardoor tevens het getuigenis des Heeren op aarde wordt verzwakt en onteerd. Doch hoe droevig dit alles moge stemmen, toch wordt het hart gesterkt door het gezegende woord des Heeren, dat daardoor innerlijk voor de ziel nog niets verloren is, omdat Jezus Christus de Onveranderlijke blijft gisteren, heden en tot in eeuwigheid!