De Opwekkingen ten tijde van het verval

OTHNIňL, EHUD, SAMGAR, DEBORA EN BARAK.

(Richt. III:5 - IV.)

Zooals wij gezien hebben bij de behandeling der vorige hoofdstukken van het boek der Richteren, is het van veel belang goed te verstaan, dat de mogelijkheid van de herstelling der christelijke kerk in haren oorspronkelijken toestand geheel buitengesloten is. Door de opwekkingen, die God in den tijd van verval heeft gegeven en in zijne genade nÚg geeft, worden vele geloovigen op een dwaalspoor geleid, en dit vooral, wanneer zij zelf deel uitmaken van zulk een opwekking. Hun beperkte gezichtskring, en een zekere enghartigheid, doen hen alleen datgene opmerken, wat hen onmiddellijk omgeeft, en zoodoende zien zij het systeem, waarbij zij zich hebben aangesloten, voor de kerk aan. En dit staat hun dan in den weg, om den waren toestand der gansche kerk van Christus te leeren kennen. Al is er hier of daar een machtige opwekking, gewerkt door Gods Geest, zoo wordt daarmede de toestand der algemeene christelijke kerk geenszins veranderd. Voor den geloovige, die gewoon is van Gods Woord afhankelijk te zijn, staat het dan ook onwankelbaar vast, dat onze dagen boos zijn, dat de verborgenheid der goddeloosheid reeds werkzaam is, dat er reeds verscheidene antichristen zijn, en dat de eindelijke afval wordt voorbereid. Maar evenzeer is het voor hem ontwijfelbaar zeker, dat God getrouw is, dat Hij te allen tijde een getuigenis voor zijnen Naam geeft, en dat Hij zelfs het kwade gebruikt, zooals wij in Richteren II hebben gezien, om aan de zijnen nieuwe zegeningen te schenken. Immers, is Hij niet nog steeds dezelfde God, die eenmaal den Satan als werktuig gebruikte, om Job in het licht van zijne tegenwoordigheid te brengen?

Zoo is het ook in het boek der Richteren. De onderdrukking van de zijde des vijands, die IsraŽl zich door zijn eigen schuld op den hals had gehaald, gebruikte God om in het midden van zijn volk heerlijke opwekkingen te doen ontstaan. En elke opwekking wordt dan ook met de woorden ingeleid: "Zij riepen of schreeuwden tot den Heere." Er wordt in onze dagen vaak door de geloovigen gevraagd, welke middelen men toch moet aanwenden, om opwekkingen te voorschijn te roepen. Welnu, er is maar ťťn enkel middel, en dat is: het gevoel van den ellendigen toestand, waarin zich de wereld, de zondaar en de kerk bevindt, en wel zůů dat onze gansche ziel er door wordt aangegrepen, en wij, als de kinderen IsraŽls, roepen tot God om ontferming. Dan hoort de Heer en Hij zendt bevrijders. Van het derde tot het twaalfde hoofdstuk der Richteren vinden wij de geschiedenis van deze verlossers en van de opwekkingen, door hen bewerkt. En het is belangrijk die verschillende geschiedenissen met aandacht na te gaan, opdat wij met de zoo zeer verschillende karaktertrekken der richters zouden bekend worden.

Alvorens evenwel hiertoe over te gaan, zou ik nog gaarne een algemeene opmerking willen maken. In tijden van zedelijke verslapping, van algeheel verval, handelt God door werktuigen, die alle iets onvolkomens hebben, en alle het stempel van zwakheid dragen. OthniŽl stamde af van den jongste van zijn geslacht, want hij was de zoon van Kenaz, den jongeren broeder van Kaleb. Ehud was linksch. Samgar gebruikte een ossenstok in den strijd tegen de Filistijnen. Debora was een vrouw. Barak had een zwak karakter, Gideon was zonder hulp in zijne familie, want zijn duizend was het kleinste, het armste in Manasse. En Jeftha was een hoerekind. Er zijn wel enkele uitzonderingen, richters, die welvarend en invloedrijk waren, en door het geluk begunstigd werden, (Hoofdst. X:1-4; XII:8-15.) maar God gebruikte deze minder tot verlossing van zijn volk, dan wel tot bewaring van de verkregene uitkomsten. Het is waar, we leven dus in het boek der Richteren niet meer in den tijd van Jozua, waar de door den mensch ontwikkelde kracht de zwakheid des vleesches verhinderde zich te openbaren; maar toch verheerlijkt de zwakheid der oogenblikkelijke verlossers de macht van Hem, die ze zoo wonderbaar tot zijn doel wist te gebruiken.

Ditzelfde is ook zoo geweest en is nu nÚg zoo in den tijd van het verval der gemeente. De geloovigen hebben te strijden tegen de machten, die door hun eigen schuld zich in hun midden bevinden. De vijanden worden niet uitgeroeid door God, Hij laat ze. Maar Hij geeft telkens door zijn trouwe getuigen opwekkingen, opdat de geloovigen, van de onderdrukking bevrijd, tot den Heer teruggebracht zouden worden. Zoo was het in de dagen der Hervorming. Zoo is het ook in onze dagen.

Maar overdenken wij nu met een enkel woord de geschiedenis dezer mannen Gods, die de Heer in IsraŽl verwekte in die dagen van verval.

 

Over OthniŽls persoonlijk leven hebben wij reeds bij onze beschouwing van het eerste hoofdstuk gesproken; God voedde hem op, zooals wij daar gezien hebben, om de eerste verlosser van IsraŽl te zijn. Hij had gestreden om een vrouw te verkrijgen, en hij had er bij gekregen het bezit van een eigen erfdeel met vruchtbare bronnen. En nu gebruikte God hem, om voor anderen te strijden. Zoo gaat het altijd. Om een openlijk werktuig te zijn in de hand des Heeren, moet de Christen allereerst voor zichzelven vooruitgaan in de kennis des Heeren en in de kracht zijner voorrechten. Als onze dienst zwak blijft, en geen uitbreiding verkrijgt, ligt gewoonlijk de oorzaak dŠŠrin, dat onze harten niet genoeg met de hemelsche dingen bezig zijn. De zedelijke rijkdommen, die OthniŽl voor zich persoonlijk verwierf, openbaren zich weldra op zijn ganschen weg. In de verzen 10 en 11 van hoofdstuk drie vinden wij zes dingen van hem opgenoemd: ten eerste: de Geest des Heeren, de macht Gods om IsraŽl te verlossen, was over hem; ten tweede: hij richtte IsraŽl, - en die regeering kon hem worden toevertrouwd; ten derde: hij toog uit ten strijde; ten vierde: de Heer gaf Kuschan RischataÔm, den Koning van SyriŽ, in zijne hand, - hij overwon derhalve in den strijd; ten vijfde: zijne hand werd sterk over Kuschan RischatataÔm, - de vijand werd dus geheel onder het juk gebracht; en ten zesde: het land was veertig jaar stil, - IsraŽl genoot in vrede en rust de vruchten van OthniŽls overwinning.

Gods doel was dus bereikt. Deze man, die slechts in indirecte betrekking stond tot den edelen Kaleb, werd, nadat hij te voren voor dezen dienst door God was voorbereid, tot een volkomen werktuig, dat, op de proef gesteld, bleek in de hand des goddelijken werkmeesters een goed metaal te zijn. O, laat ons in onzen tijd bidden om mannen als OthniŽl. Of, liever nog, mochten wijzelven OthniŽls zijn, doordat wij ons persoonlijk en huiselijk leven oprecht aan den Heer wijden, en een steeds toenemend verlangen betoonen, om de hemelsche dingen deelachtig te worden en ze in ons leven te verwezenlijken. Dan zullen ook wij in de hand des meesters goede, nuttige werktuigen zijn, tot alle goed werk ten volle toegerust.

 

Na den dood van OthniŽl keerde IsraŽl weder op den ouden, boozen weg terug en vergat Jehovah. En dezelfde hand, die OthniŽl gesterkt had tegen den Koning van SyriŽ, sterkte nu de hand van Eglon den Koning der Moabieten, tegen IsraŽl. Eglon en zijne bondgenooten nemen de Palmstad in bezit. Met dezen naam "Palmstad" wordt de stad Jericho altijd aangeduid, als zij niet als de vervloekte stad, maar in haar karakter van zegen voor IsraŽl wordt beschouwd. (Richt. I:16; Deut. XXXIV:3.) Zij hadden gedaan, wat kwaad was in de oogen des Heeren, en nu werden hun de zegeningen ontnomen. Zij moesten Eglon dienen achttien jaren. Toen de kinderen IsraŽls evenwel riepen tot den Heer, verwekte Hij hun een verlosser. En wat doen zij? Zij dragen dezen man, dien God hun tot een bevrijder gegeven had, op, om Eglon een geschenk te brengen, om hem tot zich te neigen en derhalve daardoor hunne onderwerping aan hem opnieuw te bevestigen. Dit was treurig, en wordt ook nu vaak gevonden. Helaas! hoe vele gaven laten zich in onze dagen als werktuigen gebruiken om de kinderen Gods te houden onder de heerschappij dezer wereld! Gelukkig, Ehud deed zoo niet. Hij was getrouw en maakte zich een tweesnijdend zwaard. Dat is zijn eerste daad. Het zwaard is zijn eenige toevlucht. Juist zoo is het met de Christenen ten tijde van het verval. Het tweesnijdend zwaard, hun eerste en eenige wapen, is Gods Woord. (Hebr. IV:12; Openb. I:16; XIX:15; Ef. VI:17.) Het wapen van Ehud was kort, maar een el lang. Het zwaard van Goliath, hetwelk David heeft gebruikt om den reus het hoofd af te slaan, was veel langer. De grootte der wapenen is verschillend naar het werk, dat er mede verricht moet worden. Zoo was het zwaard van Ehud, juist doordat het klein was, goed geschikt om in de ingewanden van den vijand Gods in te dringen en hem te dooden. De slagen van het zwaard waren dus in de beide genoemde gevallen verschillend, en troffen ook verschillende lichaamsdeelen, maar de wapenen waren in beide gevallen goddelijk en volbrachten het werk der verlossing. Dit is ook tot leering voor ons!

Vůůr Ehud zijn zwaard gebruikte, gordde hij het onder zijne kleederen aan zijne rechterheup. Hij droeg het dus bij zich, tot op het oogenblik, dat hij zijn dienst behoefde; hij voelde het te voren wel aan zijne zijde, maar hij toonde het niet. Hoe belangrijk! Velen laten dikwijls het Woord dadelijk aan allen zien, door er allerlei teksten uit te gebruiken, zonder zich evenwel van ťťn enkel geschikt woord op het juiste oogenblik te bedienen. Dan doet het Woord geen dienst. Ehud droeg het zwaard, zooals het met zijne zwakheid in overeenstemming was. Hij was linksch en gordde het derhalve aan zijn rechterheup. Had hij het gedragen, zooals de gansche wereld het droeg, dan zou het hem niets gebaat hebben. Zijn wapen moest door hem gebruikt worden in overeenstemming met zijn lichamelijken toestand. Men kan zich van het Woord Gods niet met zegen bedienen, door wat anderen deden na te doen, evenzoo min als David het zwaard van Saul gebruiken kon. David had een kiezelsteen noodig, en een slinger was het werktuig, waarmee hij, als herder, vertrouwd was.

Na overhandiging van het geschenk, keerde Ehud alleen terug van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: "Ik heb een heimelijke zaak aan u, o Koning." En als deze in de opperzaal is gezeten, en allen, die om hem heen stonden, van hem waren uitgegaan, zeide Ehud: "Ik heb een woord Gods aan u." Daarna, onder den schijn van een verzoekschrift te willen overhandigen, tastte hij in zijn kleed, nam het zwaard van zijne rechterheup, en stak het in Ehuds buik, zoodat ook het hecht achter het lemmer inging. Hij droeg dus niet de eer weg van een openlijke ůverwinning, zooals zoo vele anderen; het ging hier om een geheimen strijd tusschen den verlosser en den vijand, om een strijd echter, welks gezegende uitwerking zich spoedig genoeg zou toonen. Alles werd in diep stilzwijgen voltrokken, zonder krijg, zonder geschreeuw; Eglons knechten, die eindelijk de afgesloten deur waagden te openen, vonden slechts een lijk. De macht, die IsraŽl onderdrukte, werd door een geruischlooze en niet roemrijke overwinning gebroken, en wel door het korte zwaard van een man, die linksch was. Het was voor Eglon een "geheime zaak,"maar het was ook een woord Gods. Eglon stond op van den stoel, uit eerbied. Maar het woord Gods was geen blijde boodschap voor hem, het was Gods gericht, het was doodslag. Naar den mensch geoordeeld was Ehud een sluipmoordenaar. Maar naar Gods gedachten verrichtte hij een geloofsdaad. Als Jacobus de goede werken vermeldt, noemt hij twee daden op, van Abraham en Rachab, die, naar de gedachten van den mensch, moord en verraad, maar in Gods oogen werken des geloofs waren. Zoo zien wij, dat niet alleen de werktuigen, die wij in den tijd der Richteren vinden, zwak en onaanzienlijk waren, maar dat ook de wijze der bevrijding inging tegen alle menschelijke gedachten van kracht.

Het zwaard van Ehud was, zooals later dat van Gideon, het zwaard des Heeren. Zoo is ook ons wapen goddelijk, en dat alleen maakt de kracht er van uit. De Koning is dood, maar het zwaard blijft in zijn buik steken, zoodat de knechten het werktuig der overwinning kunnen bezien, en tot hunne verwondering gewaar moeten worden, dat, naar Gods wil, een kort zwaard den sterken, overmoedigen man den dood had aangedaan.

Maar het ging Ehud niet alleen om de overwinning; hij moest de nog levende vijanden ontvluchten. Hij sluit derhalve de deur van de opperzaal en verwijdert zich door de zuilengang der gesneden beelden. En dan denkt hij er dadelijk aan, om de vruchten der overwinning te plukken. Hij blies op het gebergte van EfraÔm met de bazuin en verzamelde het volk Gods rondom zich. Aan hun spits nam hij de veren van de Jordaan, en liet niemand overtrekken. Hij sloeg daarna de Moabieten met een geweldigen slag, en IsraŽl onderwierp te dien dage Moab onder zijne hand. De onrechtmatige bezitter van het land is dus vernietigd; de Moabieten kunnen zich niet meer aan de beide oevers van de Jordaan vereenigen, en elke verbinding tusschen Ehud en den vijand is dus afgesneden.

Welnu, dat moet ook het verloop zijn van den strijd in onze dagen. Als de werking van een openlijk, beslist breken met de wereld uitblijft, zoo is de strijd zonder vrucht en voldoet niet aan Gods oogmerk. Hoe grooter de scheiding, des te duurzamer de vrede. Het land was in die dagen stil tachtig jaren!

 

Na Ehud droeg Samgar, de zoon van Anath, een beslissende overwinning weg. Ook hij verloste IsraŽl. Het zwaard van Ehud was sterk, maar kort. Samgar voerde den bevrijdingskrijg met een wapen, dat geenszins geschikt scheen voor het doel. Het is een verachtelijk werktuig, oogenschijnlijk alleen bestemd om redelooze wezens aan te drijven. Zonder mij nu te willen aanmatigen overal voor- of zinnebeelden te ontdekken, een neiging, die bij de uitlegging van Gods Woord vele gevaren met zich brengt, zou ik toch tusschen den ossenstok van Samgar en het zwaard van Ehud een vergelijking willen maken.

Wij bezitten een wapen, het Woord. Het is het eenige wapen, waarvan zich de man des geloofs op verschillende wijzen in den strijd bedient. Maar de beschaafde en ongeloovige wereld beschouwt het Woord Gods soms als een ossenstok. Het is volgens hen een goed boek voor oude vrouwen en kinderen, voor lieden zonder opvoeding, want het is immers vol van sprookjes en tegenspraak. Welnu, in dezen verachten vorm gebruikt God zijn Woord, om de overwinning te behalen. Wat de wereld voor dwaasheid aanziet, is voor het geloof een nuttig wapen, want het zwakke Gods is sterker dan de menschen. Ja, voorzeker, het is voor de eenvoudigen, voor hen, die geen inzicht hebben; en het voorziet in al hunne behoeften. Maar tegelijk vermag deze "verachtelijke stok" zeshonderd Filistijnen te dooden.

Laat ons dan het wapen des Woords zůů gebruiken, als God het ons heeft toevertrouwd, maar laat ons ook niet vergeten, dat het slechts nuttig werkzaam kan wezen in de hand des geloofs, en slechts dan, als de ziel voor zichzelve in dat Woord gemeenschap met God heeft verkregen, en door de kennis van Christus zegen, vreugde en kracht heeft gevonden!

 

En nu ten slotte nog de treffende geschiedenis van Debora en Barak.

Tot hiertoe bestond het oordeel Gods over het ontrouwe IsraŽl dŠŠrin, dat het aan de macht der vijanden van buiten werd prijsgegeven; - door een nieuwe ontrouw bracht het volk nu veel zwaardere gevolgen over zich. God verkocht de IsraŽlieten nu ook in de hand van hen, die in hun midden woonden. Na tachtig jaren van rust, deden de kinderen IsraŽls weer wat kwaad was in de oogen des Heeren, en daarom kregen zij eerst last van de Filistijnen aan de kust, en daarna ook van de Kanašnieten in hun midden. Een machtige tegenstander, Jabin, de koning der Kanašnieten, die te Hazor regeerde, bedwong IsraŽl, en onderwierp het met zijn negenhonderd ijzeren wagens. In Jozua XI lezen wij iets over ťťn der voorvaderen van dezen Jabin, die ook over ijzeren wagens beschikte, en eveneens in Hazor woonde. Te dier tijd verstond IsraŽl het, door de machtige werking van Gods Geest, dat er tusschen hen en den Koning der Kanašnieten geenerlei betrekking mocht bestaan. En daarom sloegen zij hem met het zwaard, nadat zij zijn ijzeren wagens en zijn hoofdstad Hazor met vuur hadden verbrand. Welke gemeenschap had het volk Gods ook kunnen hebben met de politieke en militaire macht van een volk, welks naam en gebied van de kaart van Kanašn moest worden uitgewischt? Maar nu was, helaas! alles veranderd. Het ontrouwe IsraŽl was onder de heerschappij van den vijand geraakt. Hazor was weer opgebouwd binnen de grenzen van Kanašn en het erfdeel des volks was Jabin tot een koninkrijk geworden!

De geschiedenis der christelijke kerk vertoont ons iets dergelijks. Eerst was zij geheel afgezonderd van de wereld, en niemand dacht er aan, om de wereld ook maar het minste of geringste deel te doen nemen aan de dingen, die haar betroffen. Maar reeds in Korinthe werd de weg voor de wereld geopend. Een broeder uit die gemeente, die in strijd met een anderen broeder geraakt was, nam, om zich recht te verschaffen, zijn toevlucht tot het gerecht der ongeloovigen. "Weet gij niet," zegt de Apostel, "dat de heiligen de wereld oordeelen zullen?" en hij voegt er dan bestraffend aan toe: "Ik zeg het u tot beschaming." En welken weg is de gemeente daarna ingeslagen? De wereld heeft daadwerkelijk heerschappij over haar gekregen. En dit doordat de Christenen tot haar de toevlucht hebben genomen, zelfs in de heerlijke opwekkingstijden der hervorming.

Het oordeel, dat Jozua eens over Hazor had voltrokken, leefde alleen nog in de herinnering van het volk. De kinderen IsraŽls hadden de goden der Kanašnieten gediend, nadat zij hunne dochters tot vrouwen hadden genomen, en hunne eigene dochters den Kanašnieten tot vrouwen hadden gegeven. (Richt. III : 5 en 6.) En deze goddelooze verbinding met den vijand had vruchten gedragen. Jabin onderdrukte het volk en dwong het, willens of onwillens, zijne heerschappij te dulden. Welk een ernstige leering! De vijand had tijd gehad om de stad, die verbrand was, weer op te bouwen. En de tachtig jaren van rust hadden de IsraŽlieten niet beter, maar slechter gemaakt. Hoe is het in dit opzicht met de geloovigen thans? Vroeger werden ze door de overheid gevangen gezet. Nu staat de rechterlijke macht te hunner beschikking! Er is een tijd van rust, en daarvoor kunnen wij God danken. Maar juist in zulk een tijd van rust is het noodzakelijk dubbel waakzaam te zijn, en met getrouwheid den Heer te dienen.

Maar er is nog iets anders, dat den armzaligen toestand van IsraŽl in die treurige dagen kenmerkte. Waar de regeering des volks door de macht des vijands verhinderd was naar buiten zich te openbaren, daar was ook haar toestand inwendig zwak. Zij was aan de handen van een vrouw toevertrouwd. Dit is altijd een bewijs van zwakheid. In den eersten tijd der gemeente had God ouderlingen gegeven, die voor de kudde moesten waken. Tot dit doel waren ze door de apostelen, onder de leiding des Heiligen Geestes, aangewezen geworden. De regeling van de dingen der gemeente was aan hunne zorg en aan die der diakenen toevertrouwd. Zou het in onze dagen, - zonder te willen spreken van de betreurenswaardige nabootsing, die de menschen in de plaats gesteld hebben van de goddelijke, maar door de ontrouw der kerk verlorene inrichting - overdreven zijn, als wij beweren, dat overal in de Christenheid de neiging is of ontstaat, om aan vrouwen geheel of gedeeltelijk de regeling der dingen over te dragen? Ja, men beroemt er zich zelfs vaak op, en er zijn Christenen, die hun wijze van doen rechtvaardigen door te zeggen, dat het naar Gods wil is en blijk geeft van een bloeienden toestand der Kerk. Zij trachten dit dan te bewijzen door zich te beroepen op Debora. Welnu, laat ons zien, wie Debora was.

Debora was een buitengewone vrouw. God had haar verwekt om een leidsvrouw te zijn van het gansche volk, en van den man, die de vijanden des Heeren zou verslaan. Zij was een vrouw des geloofs, en als zoodanig had zij een diep gevoel voor den vervallen toestand van Gods volk. Ja, zij zag in het feit, dat God aan een vrouw een plaats van openbare werkzaamheid had toevertrouwd, een smaad voor de aanvoerders van IsraŽl. Zij begreep de oorzaak er van, waarom de Heer aan een vrouw het bestuur van het land gegeven had. Er was geen man van karakter in IsraŽl. Door de afgoderij was het volk ontzenuwd; door de onderdrukking moedeloos en bevreesd geworden. En omdat Debora dit begreep, verhief zij zich niet, maar sprak tot Barak: "Ik zal zekerlijk met u trekken, behalve, dat de eer uwe niet zal zijn op den weg, dien gij wandelt; want de Heer zal Sisera verkoopen in de hand eener vrouw." (Richt. IV : 9.)

Hoewel Debora dus de haar van God verleende autoriteit uitoefende, bewaarde zij toch onder al de omstandigheden, die voor haar zulk een groote verzoeking waren, de aan de vrouw in Gods Woord aangewezen afhankelijke positie. Zoo was het ook met JaŽl. Deze beide vrouwen openbaarden een sterk geloof, maar beiden overschreden niet de grenzen aan een vrouw gesteld. Anders waren zij ook geen vrouwen des geloofs geweest.

En hoe bracht nu Debora haar roeping in beoefening? Reisde zij het land door om overal de IsraŽlieten ten strijde te roepen? Stelde zij zich aan de spits van het leger, zooals de andere richters gedaan hadden? Neen, niets daarvan. "Zij woonde onder den palmboom van Debora .... en de kinderen IsraŽls gingen op tot haar ten gerichte." Hoewel zij profetes en richteres was, verliet zij de door God haar aangewezen plaats niet; zij bleef rustig thuis en de kinderen IsraŽls, die tot haar opgingen ten gerichte, vonden deze moeder in IsraŽl in het midden van haar gezin, de ware plaats eener vrouw innemende, en werden door haar getroost en gesterkt. Daar, waar zij woonde, liet zij ook Barak roepen, in plaats van tot hem te gaan.

Barak was een man Gods. Hij wordt door Gods Woord tot de richters van IsraŽl gerekend. "De tijd zal mij ontbreken," zegt Paulus, "als ik zou willen spreken van Gideon en Barak, en Simson en Jeftha." (Hebr. XI:32.) Maar Barak was een man zonder moed. In plaats van zelfstandig op te treden, liet hij zich liever leiden. In plaats dat, volgens Gen. II:18, de vrouw hem tot een hulpe was, wilde hij een hulp van de vrouw zijn. "Indien gij met mij trekken zult," zegt hij, "zoo zal ik heentrekken; maar indien gij niet met mij zult trekken, zoo zal ik niet trekken." Dit was zeer verkeerd van Barak. En daarom wordt ook de eer van hem weggenomen door God, en aan een vrouw gegeven.

En wat doet Debora tegenover zulk een man? Zegt zij: blijf dan maar thuis, en ik zal wel alleen gaan? Neen, zij wil geen eerste plaats in den krijg innemen. Barak moet trekken, en dan zal zij meegaan. Zij schoof Barak als het ware vooruit. Ja, haar naam wordt verder in de geschiedenis niet meer genoemd!

Dat is zeer schoon, en ook leerrijk voor onzen tijd. De vrouw moet altijd de plaats innemen, die God haar heeft aangewezen, ook als de man blijkt geen moed te hebben om voor de eere Gods op te komen. Dan gebruikt God wel de vrouw, - en het is een bewijs van den zwakken toestand, waarin de gemeente zich bevindt, - maar alleen dŠn wanneer zij niet de grenzen, haar gesteld, overschrijdt.

Eindelijk trekt Barak dan toch op met een leger. Hij schijnt weer vertrouwen gekregen te hebben. En daarom ook wordt hij als geloofsheld genoemd. Niettegenstaande zijn aanvankelijk gebrek aan moed, toont hij nu geloof te hebben door met een kleine, zwakke macht op te trekken tegen dat groote leger met zoo vele ijzeren wagens. En dan blijft er niet ťťn van het gansche leger van den vijand over.

Maar de eer van zelf den krijgsoverste verslagen te hebben, kreeg Barak niet. Zij kwam toe aan de huisvrouw van Heber.

Wie was Heber? Wij lezen van hem, dat hij een Keniet was, en het is belangrijk om eens even de geschiedenis van deze familie, die uit Midian stamde, en waarmee Mozes zoo nauw verbonden was, na te gaan. Nadat Jethro in de woestijn het volk IsraŽl had bezocht, en weer in zijn land was teruggekeerd, (Ex. XVIII:27.) vorderde Mozes Jethro's zoon Hobab op, om het volk IsraŽl "tot oogen te zijn" bij het legeren in de woestijn. Hobab weigerde, maar zijne zonen maakten het als Kaleb en togen op met het volk van God. (Richt.IV: 11; 1 Sam. XV : 6.) Zooals een Rachab, togen thans deze kinderen van den vreemde uit Jericho, de Palmstad, op, om hun lot aan dat der kinderen IsraŽls te verbinden. Zij deden als Ruth, want zij sloten zich bij den stam van Juda aan, om hem niet weer te verlaten. Als OthniŽl verbonden zij zich met de familie van Kaleb, en zij hadden van deze familie in het bijzonder tot leidsman Jabes, den zoon der smarte, die tot den God IsraŽls gebeden vol inzicht richtte, en die van Jehovah datgene ontving, wat hij gevraagd had. (Verg. 1 Kron. II : 50-55; IV: 9-10.) Van deze Kenieten stamden de Rechabieten af, (1 Kron. II:55; 2 Kon. X:15; Jer. XXXV.) wier geschiedenis in de Heilige Schrift sluit met een heerlijke lofrede op hunne trouw. Want te midden van het verval van IsraŽl waren zij ware nazireŽrs geweest.

Hoe jammer nu, dat dit getrouwe overblijfsel zelf ook een rol speelt in het boek des vervals. Wij lezen van Heber, den Keniet, dat er "vrede was tusschen Jabin, den Koning van Hazor, en tusschen het huis van Heber, den Keniet." (Vs. 17.) Dat was dus geen daad des geloofs. Hij had zich gescheiden van het zich verootmoedigende volk, en handelde, alsof hij de verantwoordelijkheid van den treurigen toestand van zijne schouders wilde afwentelen. Nog meer; hij had vrede met den vijand zijns volks gesloten, en hij had dat gedaan, om niet door Jabin lastig gevallen te worden.

Maar - in de tent van Heber woonde een vrouw. En deze had meer moed dan haar man. Zij versmaadde een veiligheid, tot zulk een prijs gekocht, en zij erkende het bondgenootschap met den vijand haars volks niet. Haar hart sloeg onverdeeld voor IsraŽl, en zij zag in den Kanašniet, die in hare tent vluchtte, den onderdrukker van Gods volk, den vijand des Heeren, ťťn van de hoofden van het geslacht, dat door God vervloekt was. En gelijk vroeger Rachab door het geloof de verspieders herbergde en deed ontkomen, zoodat zij daardoor medehielp aan de zegepraal van Gods volk, zoo versloeg JaŽl den geweldigen krijgsoverste van den Koning van Hazor en maakte daardoor voorgoed een einde aan IsraŽls onderdrukking. Toen het leger van Sisera geheel verslagen was, en de veldoverste gedwongen was om te voet te ontvluchten, bereikte deze de tent van JaŽl, waar hij meende gastvrijheid te zullen vinden. Maar hij vergiste zich. Wel verborg zij Sisera in haar tent en gaf hem meer dan hij vroeg, - melk in plaats van water, - doch zij deed dit niet om den vijand haars volks te redden, maar om hem te treffen met de straf, die hij verdiende. Zonder erbarmen versloeg zij Sisera.

En het is merkwaardig, met welk werktuig zij IsraŽl bevrijdde van den man, die haar volk had geplaagd. Haar wapen was nog minder dan de ossenstok van Samgar. Zij gebruikte wat zij had. Want zij was gewoon met hamer en lange tentnagels om te gaan, als zij de tent uitspande. En met deze wapenen, waarmee zij vertrouwd was, bracht zij den slag toe in den slaap des hoofds van den vijand. Zij deed het in haar huis; openlijk nam zij geen deel aan den strijd; en in deze stille omgeving behaalde zij een overwinning van beteekenis.

Hoe leerrijk is dit voor alle geloovige vrouwen! Zij mogen den vijand machtigen weerstand bieden, zij mogen hem verslaan, en aldus den Heer dienen en voor de eer des Heeren werkzaam wezen, maar - met haar wapenen en in den kring, haar door den Heer aangewezen. Debora en JaŽl leeren ons beide, wat vrouwen des geloofs kunnen uitrichten, maar eveneens, hoe zulke vrouwen de plaats, haar door den Heer aangewezen, weten in te nemen in nederigheid.

Doch ook voor geloovige mannen ligt er een belangrijke les in opgesloten. Hoe vele zwakke zielen worden er vaak onder hen gevonden! Dikwijls willen zij liever geleid worden, dan zelfstandig in des Heeren kracht tegen het kwaad optreden. JaŽl zocht geen hulp, zooals Barak gedaan had. Zij gevoelde zich alleen van den Heer afhankelijk. Zij bediende zich van haar eigen wapenen beter, dan een man het daarmee had kunnen doen, want ťťn beven van haar hand had alles kunnen verijdelen. Zij was alleen. Haar man, haar natuurlijke beschermer, was afwezig. Maar zij was toch niet alleen. Zij was met den Heer, en zij streed in zijne kracht onder het dak harer tent, terwijl zij in haar hart verbonden was met de slagorde van IsraŽl. Debora zong dan ook van haar in haar lied: "Gezegend zij boven de vrouwen JaŽl, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tente!'' (Richt. V:24.) En Barak? Hij kwam binnen en zag de overwinning van deze vrouw. Welk een gevoel van ootmoed moet dezen veldheer hebben aangegrepen, toen hij zag, dat God de eer aan een vrouw gegeven had, en wel op een weg, dien hij, niet had kunnen betreden! Ja, eere aan deze vrouwen! God gebruikte haar, om in de zonen van zijn volk het gevoel van hunne verantwoordelijkheid wakker te schudden. En eenmaal opgewekt, rustten zij niet, totdat zij "Jabin, den Koning van Kanašn, hadden uitgeroeid." (Vs. 24.) O, mochten wij allen veel van haar leeren! Laat ons waken voor de eer van onzen God; getrouw en ijverig zijn in onze roeping; altijd overvloedig in het werk des Heeren, wetende, dat onze arbeid niet ijdel is in Hem!