Christus als Middelpunt en Heer,

Indien wij de ware beteekenis hebben leeren kennen, van wat een middelpunt is op elk gebied, dan zullen wij hetgeen van Christus gezegd kan worden, des te beter verstaan.

In de Openbaring (Hoofdst. V: 6.) lezen wij: "En ik zag in het midden van den troon en van de vier dieren, en in het midden van de oudsten, een LAM, staande als geslacht." Op klaarder en duidelijker wijze kon het niet gezegd worden, dat Christus het middelpunt aller dingen is, dan het in deze weinige woorden is uitgedrukt. Op aarde was Hij dit reeds voor allen, die in Hem geloofden, en Hem als den beloofden Messias hadden erkend. Gelijk de stralen van een cirkel met het middelpunt vereenigd zijn, zoo waren ook de zijnen met Hem verbonden, en zooals van uit het middelpunt de geheele cirkelboog gevormd wordt, zoo was het ook de Heer, van Wien alle kracht en heerlijkheid uitging. Zonder Hem konden zij niets doen. Hij nam in alles de eerste plaats in, en bij alles wat voorkwam, van welken aard het zijn mocht, was het oog der discipelen dadelijk op Hem gericht, zooals ook de straal van den omtrek rechtstreeks naar het middelpunt gaat.

Het is waarlijk schoon en indrukwekkend, dit bij het lezen der Evangelin op te merken. Het doet het harte goed, de discipelen om den Heer als hun middelpunt geschaard te zien, van Wien alles verwacht werd, op Wien zij in alles rekenden; en al maakte de uitkomst ook menigmaal hun gebrek aan geloof openbaar, toch bleef Hij onverzwakt het middelpunt voor hen. Welke beschaamdheid het zien van dit alles bij ons te weeg brengt, zal het best gevoeld worden door hem, die, wandelende in het licht, zichzelven heeft leeren kennen, en daardoor des te beter in staat is te leeren, wie de Heer is, en wie Hij voor de zijnen is.

Maar in het 5de Hoofdstuk der Openbaring zijn wij niet op aarde, maar in den hemel. Wat daar plaats heeft, is geen gebeurtenis op aarde. Een deur was geopend in den hemel, en Johannes, de gebannen profeet op het eiland Patmos, zag toen reeds, wat na zoo vele eeuwen ng niet gebeurd is. Ook ontving hij het bevel om te schrijven hetgeen hij zag, opdat ook wij van dat alles kennis zouden dragen, en bekend gemaakt zouden worden met de raadsbesluiten Gods. God heeft voor ons, zijne huisgenooten, niets willen verbergen, maar ons deelgenooten gemaakt van hetgeen zijn hart vervulde. Het was zijn wil, dat wij nu reeds zouden weten, wat Hij doen zal "aangaande de bedeeling van de volheid der tijden, om namelijk alles onder n hoofd te zamen te brengen in Christus, wat in den hemel en mat op de aarde is." En Hij heeft ook gewild, dat wij zouden weten, op welke wijze Hij datgene doen zou, wat ons in de Openbaring aangetoond wordt. Welk een genade van God, dat wij van dat alles kennis mogen nemen, en door Hem in zijne geheimen worden ingewijd. Moge bij ons ook die belangstelling gevonden worden, die deze genade geen oneer aandoet!

Gelijk gezegd is, was de Heer, op aarde zijnde, alleen het middelpunt der zijnen, zooals Hij dat nu ook voor ons is, hetgeen vooral tot uitdrukking komt in onze samenkomsten, waar wij elkander in Hem als ons middelpunt ontmoeten. Isral als volk had Hem verworpen, en de wereld had Hem veroordeeld, als iemand met wien zij niet te doen wilde hebben, zooals zij dit nu ook nog doet.

In de Openbaring worden wij echter op de toekomst gewezen. Dn zal het geheel anders zijn. Wij zien Hem daar "in het midden van den troon", dat wil zeggen als het middelpunt der regeerende macht, hetgeen de troon voorstelt; maar ook "in het midden der vier dieren", alwaar Hij gezien wordt als het middelpunt van hen, die geroepen zijn om, in den weg der voorzienigheid Gods, de bevelen uit te voeren, die van den troon uitgaan; terwijl zij tevens de zinnebeelden zijn der geheele schepping, uitgenomen van de zee. (Hoofdst. IV. 7.)

Dat Christus als het Lam gezien wordt, staat in verband met zijn sterven, waardoor Hij het werk der verlossing volbracht, en het recht over alles verkregen heeft. In het karakter van het Lam, dat geslacht is, komt de Heer in de Openbaring mr voor dan in eenig ander gedeelte der Heilige Schrift, opdat er een voortdurende herinnering zou wezen aan zijn dood, als den grondslag van zijne heerlijkheid en van onze zegeningen. Hoezeer geeft dit alles de majesteit en de verhevenheid van zijnen persoon te kennen, hetgeen ook erkend en luide uitgesproken wordt door allen, in wier midden hij zich bevindt, wanneer Hem, als den eenig waardige, "de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging" wordt toegebracht.

Dat de Heer ook het middelpunt van de oudsten of hemelsche heiligen is, wordt afzonderlijk vermeld. Wij lezen daarom niet: "En ik zag in het midden van den troon en van de vier dieren en van de oudsten", maar "en in het midden van de oudsten." Deze afzonderlijke vermelding duidt de bijzondere betrekking aan, waarin Hij tot deze hemelsche heiligen staat. Het Lam is ook hun middelpunt, maar wat zij kunnen zeggen, kunnen de engelen niet zeggen: "Gij hebt Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie, en hebt hen gemaakt koningen en priesters voor onzen God; en zij zullen over de aarde heerschen". Hij heeft menschen en geen engelen verlost. De engelen zijn wel door Hem bewaard, maar niet verlost. God heeft een welbehagen in den mensch, gelijk de engelen getuigd hebben in de velden van Bethlehem. Menschen heeft Hij, Christus, verlost door zijn werk, en heeft hen gemaakt tot koningen en priesters. Welk een wonderbare, rijke genade! Mocht zij toch door allen, die haar deelachtig zijn, nog meer verstaan en genoten worden! Die hemelsche heiligen staan in de nauwste betrekking tot Hem, gelijk dat ook in het verdere gedeelte der Openbaring gezien wordt. Niets is voor het hart gezegender om op te merken. Tevens is het merkwaardig, dat deze hemelsche heiligen niet alleen uitspreken, wat Christus voor hen gedaan heeft, en waartoe Hij hen heeft gemaakt, maar dat zij ook zijne waardigheid erkennen, die, gelijk wij in vers 13 en 14 zien, de aanleiding is tot hunne aanbidding van het Lam. God heeft Hem, die Zich zoo diep vernederd heeft, uitermate verhoogd, en Hem waardig geacht alle eer, en heerlijkheid, en dankzegging te ontvangen. Daarvan zijn ook de oudsten diep doordrongen. Maar wat is er van deze waardigheidserkenning in de gemeente geworden? Hoe vele beschouwingen over zijn Persoon worden er niet bij menigten in geschriften gegeven, waarin zijne waardigheid niet slechts uit het oog verloren, maar zelfs aangerand wordt, en waardoor het hart van hen, die de eer huns Heeren boven hunne eigene verlossing stellen, wordt gewond. Voor de eer van zijn Persoon op te komen en voor die eer te waken, is in dezen tijd een bijzondere roeping voor de geloovigen; en daarom mag men met vrijmoedigheid wenschen, dat geschriften, gelijk de zoo even genoemde, geen beter lot beschoren wordt, dan hetgeen den boeken ten deel viel in Hand. XIX: 19, daar zij de eer der beantwoording niet waardig zijn!

Het is niet tegen te spreken, dat er over het algemeen ijver gevonden wordt om het Evangelie te prediken, opdat zondaars behouden worden. Zelfs veel overdreven ijver, waarbij niet altijd gelet wordt op de wijze, waarop die prediking geschiedt, of de middelen, die aangewend worden om velen onder het gehoor te krijgen. En zonder iets te willen afdoen van dezen gewichtigen en gezegenden arbeid, dien de Heer den zijnen te doen gegeven heeft in de wereld, zoo moeten wij toch bedenken, dat dit niet het eenige werk is, dat de Heer aan de zijnen heeft toevertrouwd. Vast te houden aan zijn Woord en te waken voor de eer zijns Naams, is minstens even gewichtig als deze arbeid.

Vr de opening van het boek, met zeven zegelen verzegeld, was het de vraag wie daartoe waardig geacht werd. En is het dan niet opmerkelijk, dat n uit de oudsten den weenenden profeet wijzen kan op den alleen waardige, op Christus? De gemeente kent Hem niet slechts als Dengene, die haar heeft liefgehad en Zichzelven voor haar gegeven heeft, (Openb. 1 : 5 en 6.) maar kent Hem ook in zijne waardigheid, waardoor Hem toekomt de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. Hoe noodig is het toch voor ons, te zorgen, dat zijne waardigheid door niets overschaduwd wordt.

Nadat de vraag, wie waardig was het boek te openen, voor den profeet was beantwoord geworden, vinden wij een andere gebeurtenis medegedeeld. In het 8ste vers lezen we: "En toen het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig oudsten voor het Lam neder." Op hetzelfde oogenblik, dat dit plaats heeft, wordt de verlossing bezongen. (Vers 9 en 10.) In dit lied wordt niet alleen de waardigheid des Lams uitgedrukt, maar ook het resultaat voorgesteld van alles, wat gebeuren moet, om Christus de heerschappij over alle dingen te geven, in vereeniging met de gemeente. "En zij zullen over de aarde heerschen." Door dit nieuwe lied wordt aan het Lam als overwinnaar de lof toegebracht, en de triomf bezongen, dat niet de Satan, maar Christus Heer en Meester is der gansche aarde, en Hij zijne duurgekochte gemeente tot de overwinning gevoerd heeft, om met Hem te heerschen. En dit alles geschiedt, vrdat nog n der zegelen geopend is, zoodat nog geen enkele dier gebeurtenissen heeft plaats gehad, die allen te zamen tot het resultaat voeren moeten van hetgeen in Hoofdst. XIX: 11-16 ons wordt medegedeeld: "En ik zag den hemel geopend; en zie een wit paard, en die daarop zat, genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid .... En de heirscharen, die in den hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, bekleed met rein, fijn lijnwaad. En uit zijnen mond ging een twee

snijdend scherp zwaard, opdat Hij daarmede de volken slaan zou; .... En Hij heeft op zijn kleed en op zijne heup een naam geschreven: Koning der koningen en Heer der heeren." Zulk een macht wordt aan Hem, die op den troon zit, toegekend, en zij, die dit lied zingen, zijn ten volle verzekerd, dat Hij, hetgeen Hij in zichzelven heeft voorgenomen, ook tot uitvoering brengen kan. Zij wachten niet, totdat een der zegelen geopend is, en alzoo een begin gemaakt is met hetgeen tot de uitvoering leiden moet, vrdat zij zich laten hooren, neen, zij brengen Hem nu reeds den lof, dien Hij waardig is te ontvangen tot in alle eeuwigheid, alsof alles reeds geschied ware. Dit is het beginsel der profetie. God voorspelt de dingen, als waren zij reeds geschiedenis, en dit kan Hij doen, omdat Hij de Almachtige is, en Hem door geene macht, welke ook, belet kan worden om het tot geschiedenis te maken. Bij den mensch is dat geheel anders. Bij ons moeten de dingen reeds gebeurd zijn, voordat zij geschiedenis worden, omdat wij over niets te beschikken hebben, noch over tijd, noch over macht. Dit bewustzijn houdt het gevoel van afhankelijkheid in ons levendig, en doet ons met vertrouwen tot Hem opzien, die over beiden te beschikken heeft. Gelukkig voor ons, die er behoefte aan hebben, zoolang wij hier nog zijn, gesterkt te worden door de belofte, die ons gegeven is in 2 Kor. VI : 18: "Ik zal u tot Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heer, de Almachtige." Doch hoe afhankelijk wij ook zijn, en geen zekerheid hebbende, dat wij volbrengen zullen, hetgeen wij ons voornemen te doen, zoo danken wij toch God voor zijne groote genade, dat Hij ons, wat de eeuwigheid en de dingen der toekomst betreft, volkomen zekerheid gegeven heeft. Ja, wij danken Hem, dat wij nu reeds dat nieuwe lied zingen mogen, dat ons van uit den hemel voorgezongen wordt, en welks liefelijke harptonen ons opwekken, om de waardigheid van het Lam te bezingen, en in aanbidding ons ner te buigen voor Hem, die in de toekomst niet alleen door ons, maar door alles wat leeft, erkend zal worden als de Christus, de Heer en Erfgenaam aller dingen!