Heeft u ook iets ontbroken?

Kort voordat de Heer Jezus de eetzaal verliet, waar Hij met zijne discipelen aan den paaschmaaltijd had aangezeten, herinnerde Hij de zijnen aan het oogenblik, waarop Hij hen had uitgezonden om het koninkrijk Gods te prediken en de kranken gezond te maken, en stelde aan hen de vraag, of hun ook iets ontbroken had. Hij had hun toen niet toegelaten, iets mede te nemen voor den weg; noch staf, noch zak, noch brood, noch geld, zelfs niet twee rokken mochten zij medenemen. "Toen ik u z uitzond," vroeg de Heer, zonder beurs, zonder zak, zonder voetzolen, heeft u ook iets ontbroken?" (Luk. XXII: 35.) Neen, antwoordden de discipelen, ons heeft niets ontbroken.

Deze vraag van den Heere Jezus, en dit treffende antwoord, door zijne discipelen gegeven, zijn onze overdenking ten volle waard, zoo menigmaal wij onzen blik terugslaan op den door ons hier beneden afgelegden weg. Hoe veel stormen ook over ons hoofd mogen heengegaan zijn, hoe veel lijden er ook geleden werd, hoe veel ontbering en tegenspoed er door menigeen van ons ook moge zijn ondervonden, hoe menigmaal wij zelfs door het heengaan van vele geliefde betrekkingen of vrienden in onze ziel ten diepste geschokt werden, toch kunnen wij op de vraag des Heeren: "Heeft u ook iets ontbroken?" met de discipelen ten antwoord geven, terugziende op den ganschen tijd, dien wij hier beneden als pelgrims naar het hemelsch Vaderland hebben doorgemaakt: "Neen, Heer, ons heeft niets, niets ontbroken!"

Heeft ons ooit iets ontbroken, lieve lezers?

Gij, die menigmaal in ziekte en lijden waart, moet gij niet volmondig erkennen, dat de Heer met u was in het lijden; dat Hij u te midden van de grootste smarten zijn goddelijk medegevoel deed ondervinden; dat Hij zoo genadig en goed was, om steeds met de verzoeking de uitkomst te geven drin dat Hij u de kracht verleende om de verzoeking te verdragen?

Gij, die wellicht met ontbering of tegenspoed te kampen hadt, heeft de Heer u niet vertroost met zijne goddelijke vertroostingen; heeft de Heer u niet gewezen op de raven, die niet zaaien, noch maaien, die geen spijskamer noch schuur hebben, en toch door Hem gevoed worden; heeft Hij uw oog niet gericht op de lelin des velds, die niet arbeiden en niet spinnen, of op het gras, dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt? God voedt de raven, God bekleedt de lelin met een heerlijkheid grooter dan die van Salomo. Heeft Hij u niet gevoed en gekleed?

Gij, die in droefheid ter neder gezeten waart door het verlies van een geliefden man of vader, van een geliefde vrouw of moeder, van een u dierbaren vriend of broeder, vriendin of zuster, heeft de Heer niet met u geweend, evenals Hij deed aan het graf van Lazarus, en heeft Hij uw oog niet naar Boven gericht, waar thans uwe geliefde betrekkingen met Christus zijn en op het heerlijke oogenblik wachten, dat Hij hn zal opwekken uit de dooden, en ns te zamen met hen in wolken zal opnemen, den Heer te gemoet in de lucht, om voor altijd met Hem te zijn?

En gij, die arbeidt in den wijngaard des Heeren, heeft het u ooit aan iets ontbroken? Gij werdt - al is het niet in letterlijken zin - eveneens door den Heer uitgezonden zonder beurs, zonder zak, zonder voetzolen; gij hadt op dien weg met vele moeilijkheden te strijden; vaak traden u allerlei hinderpalen tegemoet; menigmaal schenen uwe vermaningen nutteloos, uwe bemoedigingen zonder invloed te zijn; wellicht zaagt gij weinig vrucht op uwen arbeid, wellicht schenen er slechts weinige zielen door uwe prediking tot het besef van hun verloren toestand en tot het geloof in den Heer Jezus gebracht te zijn. Maar heeft het u aan iets ontbroken? Heeft de Heer niet voor u gezorgd? Heeft Hij u niet menige verkwikking, menige bemoediging geschonken, om met moed en met vertrouwen op 's Heeren hulp verder te gaan?

Neen, geliefde lezers, in welke positie wij ons tot nu toe ook bevonden hebben, welke moeilijkheden wij ook te doorworstelen hadden, aan welke gevaren wij ook blootgesteld waren, wij mogen allen met de discipelen des Heeren Jezus getuigen: Ons heeft niets ontbroken!

Dit heerlijke getuigenis kon ook Kaleb afleggen, toen hij aan het einde van zijn leven voor Jozua trad en hem vroeg, het gebergte van Hebron hem ten erfdeel te geven. (Joz. XIV.) "Zie," zegt Kaleb tot Jozua, "Jehovah heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft. Het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert Jehovah aan Mozes bevolen heeft, mij ten erfdeel te geven het land, waarop mijn voet getreden heeft, omdat ik volhardde, Jehovah, mijnen God, te volgen; en nu zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud. Ik ben nog heden zoo sterk, gelijk ik was ten dage toen Mozes mij uitzond; gelijk mijne kracht toen was, alzoo is nu mijne kracht tot den oorlog, om uit te gaan en om in te gaan." Aan Kaleb had al die vijf en veertig jaren niets ontbroken. Jehovah had zijn woord gestand gedaan en had hem in het leven behouden; Jehovah had hem ondersteund en bekrachtigd, zoodat hij als vijf en tachtigjarige man nog even sterk was als toen hij op veertig jarigen leeftijd door Mozes uitgezonden werd, om het land Kanan te verspieden. De Heere, Jehovah, was hem steeds nabij geweest, had over hem gewaakt, had hem alle moeilijkheden der woestijnreis zegevierend doen overwinnen, en hem uit den strijd even sterk doen te voorschijn treden als hij vroeger geweest was. Waarlijk, geen heerlijker bewijs, dat hem niets ontbroken had, geen treffender getuigenis van de trouw en goedheid Gods dan in die enkele woorden: "Ik ben nog heden zoo sterk, gelijk als ik was ten dage toen Mozes mij uitzond; gelijk mijne kracht toen was, alzoo is nu mijne kracht."

En ditzelfde heerlijke bewijs van Gods trouw en teedere zorg vinden wij niet alleen in de geschiedenis van den vromen Kaleb, maar wordt ons in de Schrift overal en te allen tijde voor oogen gehouden. Paulus - de man, die aan zoo talloos vele gevaren was blootgesteld, die geleerd had honger te hebben en dorst, in koude te zijn en in naaktheid - kon zeggen: "Ik heb alles, en ik heb overvloed; ik ben vervuld!"

Zouden dan wij, die zoo veel minder moeilijkheden hebben doorgemaakt, niet met mannen als Kaleb en Paulus kunnen instemmen in den heerlijken danktoon: Ons heeft niets ontbroken? O, indien wij slechts oogen hebben om Gods goedertierenheid te zien, en harten om zijne genadige leidingen op te merken in zijne wegen met ons, dan zullen wij niet alleen volmondig moeten beamen, dat ons niets ontbroken HEEFT, maar dan zullen wij zelfs ons genoopt gevoelen om met David uit te roepen: "De Heere is mijn Herder, Mij ZAL niets ontbreken!"