Deelname aan het Evangelie

 

De FilippiŽrs waren in menig opzicht den Apostel Paulus tot groote vreugde geweest. Het is waar, er was oneenigheid ontstaan onder hen, gedurende de afwezigheid van den Apostel, maar overigens hadden zij veel liefde jegens hem bewezen en door menig goed werk hem reden tot groote blijdschap gegeven. En dit niet alleen, toen hij in hun midden vertoefde, maar ook, toen hij lang van hen weg en ver van hen verwijderd was.

"Ik dank God," zoo zegt hij in hoofdstuk I:3-5, "telkens als ik mij uwer herinner, altijd in elk mijner gebeden voor u allen met blijdschap het gebed doende, over uwe gemeenschap aan het Evangelie van den eersten dag af tot nu toe."

Dat was derhalve een groote vreugde voor den Apostel: de blijvende belangstelling van de FilippiŽrs in het werk des Evangelies. Die belangstelling had zich in daden geuit, toen hij in Filippi was. De geloovigen hadden hem geholpen, hem ondersteund en aangemoedigd, ja, zij hadden hem van het hunne medegedeeld tot rekening van uitgaaf en ontvangst. En die belangstelling was "van den eersten dag tot nu toe" gebleven, en werd nog steeds rijkelijk door hen betoond. Zij hadden den Apostel waarlijk lief; zij namen deel in zijne banden, zoowel als in de verdediging en de bevestiging van het Evangelie, zoodat de Apostel dan ook mededeelingen doet aangaande den zegen, door God op de prediking des Evangelies gegeven, niettegenstaande hij gevangen was; en zij gedachten hem ook rijkelijk tot zijne nooddruft, zoodra zij gelegenheid vonden, om iemand tot hun geliefden vader in Christus te zenden. Zie, dat was ware "gemeenschap aan het Evangelie."

In dit opzicht zijn de FilippiŽrs ons zeker tot een beschamend voorbeeld. O, mochten we van hen leeren, om ook veel deel te nemen aan den arbeid van de dienstknechten des Heeren! Hoe we dit doen kunnen? Wel, op velerlei wijzen. Velen meenen, dat ze al genoeg doen, als ze tegenwoordig zijn, wanneer een Evangelist de blijde boodschap van Jezus verkondigt. Maar men kan geregeld de verkondiging des Evangelies bijwonen, zonder er ook in de geringste mate in waarheid gemeenschap mee te oefenen, terwijl anderzijds een geloovige een zeer hartelijke deelname kan bewijzen, zonder nu juist altijd bij de verkondiging zelve tegenwoordig te kunnen zijn. Het gaat er maar om, of ons hart in de zaak leeft, of we, gedreven door de liefde van Christus, ernstig om de redding van zielen bekommerd zijn. Is dit het geval, dan zullen we vele wegen vinden, om onze deelname aan dit werk te bewijzen, zij het door een arbeider gelegenheid te geven het Woord te prediken, of door de verspreiding van Evangelische geschriften; zij het door onbekeerde zielen uit te noodigen, of door stille, maar aanhoudende voorbiddingen; zij het misschien ook door het uiterlijk ondersteunen van den dienstknecht en zijn werk, of door het opnemen van Gods gezanten in hart en huis. De liefde is nooit om middelen en wegen verlegen. De FilippiŽrs hadden den Apostel Paulus "in hun hart.'' (Fil. I:7.) En daarom vonden zij veel, waardoor zij hem helpen konden, en hem tot blijdschap konden zijn. O, mocht iets dergelijks ook van ons allen getuigd kunnen worden !