Overdenking over de roeping en het werk van sommige Profeten des Ouden Verbonds.

 

Op den klank van het woord Profeet afgaande, stellen wij ons gewoonlijk menschen voor, die geroepen waren, alleen toekomende dingen of gebeurtenissen mede te deelen. In dat karakter staan ons ook de profeten des Ouden Verbonds voor den geest. Maar al is de voorspelling van toekomende dingen niet van hunne roeping te scheiden, zoo was dit toch niet het eenige doel, waartoe de Heere God profeten verwekte en tot zijn volk zond. Bij het lezen der profetieŽn zullen wij zien, dat zij in de allereerste plaats geroepen waren om het volk zijne zonden onder het oog te brengen, opdat zij daardoor tot het inzicht zouden komen van hun treurigen toestand voor God. Hiermede werd, wel is waar, het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen verbonden, en was zelfs in de meeste gevallen er de aanleiding toe, maar het was toch steeds in verbinding met den toestand van het volk of met dien van een persoon, zooals wij dit ook in de Psalmen vinden. Zulk een voorspelling betrof zoowel het oordeel over de zonden des volks, hun door de profeten aangekondigd, als ook hetgeen God in zijne genade doen zou tot hun herstel. Dit is in het bijzonder het geval met de profetieŽn van hen, die op last van God tot het volk gesproken hebben, toen het nog als volk van God erkend werd; de wet oefende nog haar gezag uit, en daarom konden die profeten zich regelrecht tot het geweten des volks wenden, gelijk wij zien in de profetieŽn van Jesaja, Jeremia en EzechiŽl.

Door de wegvoering van het volk van Juda naar Babel, die de Heer bij vele gelegenheden het volk had laten aankondigen, kwam hierin verandering en kregen ook de profetieŽn een ander karakter. Het woord des Heeren geschiedde niet meer rechtstreeks tot het volk, maar tot een enkelen persoon, zooals wij dit zien in de profetie van DaniŽl. DaniŽl had het groote voorrecht persoonlijk bekend gemaakt te worden met al hetgeen God naar zijne groote genade in de toekomst doen zou met het volk, dat Hij om zijne zonden in een heidensch land en onder een heidensche regeering had laten brengen. Hoe schrikkelijk deze toestand was voor hen, die in de vreeze des Heeren wandelden en bleven bij hetgeen hun bevolen was in de wet, wordt ons in dit belangrijke boek ten duidelijkste bewezen, zoowel ten opzichte van den persoon van DaniŽl, als ten aanzien van de getrouwheid zijner drie vrienden.

De eigenlijke profetie in het boek DaniŽl, die betrekking heeft op IsraŽl, begint eerst met het 7e hoofdstuk en is niet onmiddellijk aan het volk, maar aan DaniŽl gegeven. Hetzelfde vinden wij ook in het boek der Openbaring, waarin aan den apostel Johannes op Patmos aangaande de gemeente mededeelingen werden gedaan, die echter niet aan haar zelve gegeven werden. Hierdoor merken wij het onderscheid op tusschen de Openbaring en de brieven van den Apostel, die direct aan de gemeente gericht waren.

Toen God IsraŽl had ter zijde gesteld, is vervuld geworden, hetgeen wij lezen in de profetie van Hosůa: "En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt mijn volk niet, zoo zal Ik ook de uwe niet zijn." (Hos. I : 9.) Lo-Ammi beteekent derhalve: "Gij zijt mijn volk niet", zooals wij zien kunnen in het 10de vers. Doch merk hierbij de groote en wonderbare genade van God op; want als de bovengenoemde woorden: "Gij zijt mijn volk niet", zijn uitgesproken, dan wordt als in ťťn adem door God daaraan een belofte verbonden, die van deze genade getuigt: "En het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: GIJLIEDEN ZIJT MIJN VOLK NIET, tot hen gezegd zal worden: GIJ ZIJT KINDEREN DES LEVENDEN GODS." Het eigenaardige in den stijl van deze profetie is, dat alles samengedrongen, snel op elkander volgend, is uitgesproken. Het is alsof God daardoor aan het volk IsraŽl, en ook aan ons, kenbaar wil maken, dat Hij, die, naar zijne gerechtigheid en heiligheid niet anders kan dan het oordeel uitspreken, toch niet opgehouden heeft, een God van ontferming en genade te zijn. Er mag, als het ware, geen tijd overblijven om zich een andere gedachte van God te vormen, al is het ook geschiedkundig waar, dat er tusschen het uitspreken van het oordeel en de wederaanneming van zijn volk, eeuwen liggen.

Hetgeen hier ook bijzondere opmerking verdient, is "dat TER PLAATSE, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods." Die plaats is het dal Achor, waarvan wij het eerst melding gemaakt vinden in Jozua VII : 24, de plaats alwaar het oordeel over Achan, die IsraŽl door zijne zonde had beroerd, werd uitgeoefend. Dit dal zou een gedenkteeken blijven voor geheel IsraŽl, want aldaar had God zijnen toorn geopenbaard. En diezelfde plaats wordt tot "een deur der hoop", een plaats van vreugde en zegening: "en aldaar zal zij zingen als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optogen uit Egypteland." (Hosůa II : 14.) En in Jes. LXV : 10 lezen wij: "En het dal van Achor zal zijn tot een runderleger voor mijn volk, dat Mij gezocht heeft." Is het niet merkwaardig, om, ter plaatse waar de zon onderging, het licht te zien dagen, en de plaats van vloek en oordeel in een plaats van zegening te zien herschapen? Is het wonder, dat bij zulke mededeelingen bij den geloovige gedachten het hart vervullen, die het oog richten naar Golgotha, alwaar de zonde geoordeeld, en de toorn Gods geopenbaard word, en waar tegelijkertijd voor hem de deur der hoop geopend wordt? En wanneer God ons wil bekend maken met den rijkdom zijner heerlijkheid, bereid voor de vaten zijner barmhartigheid, die Hij ook geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken, dan zijn het juist deze woorden uit de profetie van Hosťa, die zoowel op IsraŽl als op ons, de geloovigen uit de volken, worden toegepast. (Rom. IX: 23, 24.) En evenzoo zijn het deze woorden, waaraan de apostel Petrus de geloovigen in Christus, die uit de Joden waren, herinnert, om hen op het groote voorrecht te wijzen, dat zij reeds deel hadden aan een genade, waarop het overblijfsel van IsraŽl nog wachten moest.

Wel moet hierbij opgemerkt worden, om verwarring van gedachten te voorkomen, dat, ofschoon deze woorden ook toegepast worden op de geloovigen van dezen tijd, er toch geen sprake is van de hemelsche zegeningen der gemeente als vereenigd met haar Hoofd Christus in de hemelsche gewesten. De geloovigen, aan wie dit geschreven is, worden beschouwd als volk van God op aarde, geroepen om de deugden van Hem te verkondigen, die hen geroepen had uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht, en dit te doen omdat IsraŽl als volk van God op aarde verworpen is; terwijl zij als vreemdelingen op aarde, in tegenstelling met IsraŽl, het oog behoorden gericht te houden op de hemelsche erfenis.

De meeste profeten zijn gezonden tot het rijk van Juda; slechts van twee profeten vinden wij bijzondere vermelding, die door God tot de afvallige tien stammen, of het rijk van IsraŽl, gezonden zijn, Elia en Eliza, en het zijn juist deze twee, die wonderen gedaan hebben, ten minste van de andere profeten wordt ons dat niet medegedeeld. Doch hierdoor wordt de treurige toestand, waarin de tien stammen onder leiding van hunne goddelooze koningen, en met name van Achab, zich bevonden, in het licht gesteld. Bij al het kwaad en de vele zonden, die voor kwamen in het rijk van Juda, werd de wet nog in eere gehouden, en bleef het gezag van Jehova nog gehandhaafd, vooral ten opzichte van de door God zelven vastgestelde inzettingen in verband met den tempeldienst. Op de beoefening dezer uitwendige godsdienstige plichten werd het volk door zijne profeten gedurig gewezen. In hoeverre het volk gehoor gaf aan deze dringende roepstemmen des Heeren, willen wij voor het oogenblik in het midden laten. De wegvoering naar Babel is wel het bewijs, dat er geen bekeering tot God onder het volk heeft plaats gehad. Toch mag niet voorbij gezien worden, dat, voordat het zoover gekomen was, dat God ook het rijk van Juda moest overgeven in de handen der volken, er tijden geweest zijn, waarin het volk, onder de regeering van godvreezende koningen, belijdenis deed van zijne zonden, en voor het uitwendige althans tot God terugkeerde. Zoo dikwijls de geschiedenis ons daarbij bepaalt, wordt het hart getroffen en gezegend door de groote genade, en lankmoedigheid des Heeren, die als de verkwikkende stralen der zon na een langen winternacht goeddoen en sterken, en waardoor wij mogen opmerken, dat het oor des Heeren altijd open is om naar het roepen der zijnen te hooren, en dat zijne armen uitgebreid zijn, om hen, die tot Hem wederkeeren, te ontvangen. God zůů te leeren kennen is balsem voor elke wonde, al hebben wij die ook zelf geslagen.

In het rijk der tien stammen was het geheel anders gesteld. Geen enkelen godvreezenden koning hebben zij gehad. Neen, niet ťťn hunner koningen heeft ooit de hand aan den ploeg geslagen, om het dorre veld te bearbeiden, en er goed zaad in te brengen. Het volk zonk al dieper en dieper, zoodat wij het in de dagen van Elia in een toestand vinden, dat het uitgemaakt moest worden, wie de ware God was: Jehova of Bašl. Priesters des Heeren, die den tempeldienst waarnamen, waren er niet meer; zij hadden moeten plaatsmaken voor den overstroomenden vloed van Bašlspriesters. De profeten waren verborgen in een spelonk, om te ontkomen aan den moordlust van de goddelooze koningin Izťbel. Zij, die de knie voor Bašl niet konden buigen, waren zůů onbekend en verborgen, dat zij zelfs door Elia niet gekend werden. Door dit alles was er dan ook geen getuigenis meer voor den naam des Heeren onder het volk.

Maar hoe diep gezonken en hoe ver afgedwaald, de Heer had toch zijn oog nog niet van zijn volk afgetrokken, hetgeen Hij bewees door het verwekken van mannen als Elia en Eliza. De indruk, dien het optreden van Elia teweegbracht, was verpletterend, maar van korten duur; een besliste omkeering van het volk had er evenwel niet door plaats, terwijl de haat van Izťbel er nog des te meer door werd opgewekt.

De opmerking is wel eens gemaakt, dat, als men den tijd, dien IsraŽl onder de macht van den antichrist zijn zal, niet meerekent, dit gedeelte zijner geschiedenis als het donkerste tijdperk kan beschouwd worden. Ten allen tijde is het waar geweest, dat, hoe grooter de duisternis was, des te grooter beteekenis en waarde het kleinste licht gehad heeft. Welnu, de Heer heeft er voor gezorgd, dat wij het zouden weten, dat er ook in die dagen nog getrouwen waren, die als lichten aan den duisteren hemel hebben geschenen, en voor wie de Heer ook te midden van al het kwade en booze van dien tijd een pad had opengehouden, waarop zij wandelen konden met Hem. Wij moeten altijd in het oog houden, dat hetgeen van het volk gezegd is, niet van toepassing is voor een ieder persoonlijk. Wij vinden dat niet alleen bij IsraŽl, maar ook bij de gemeente. De brieven aan de zeven gemeenten van Klein-AziŽ in de Openbaring leveren ons daarvan het bewijs. Zoodra de ontrouw der gemeente had aangevangen, kwam de persoonlijke getrouwheid bij God in aanmerking, die door Hem ook beloond wordt. En dat zal blijven tot het einde. Dit is voor ons, die leven te midden van het verval der gemeente, tot groote vertroosting en bemoediging, Het geringste bewijs van getrouwheid heeft voor God groote waarde. Hetgeen in den eersten tijd van IsraŽls bloei weinig te beteekenen zou gehad hebben, werd in de dagen van Elia door God ten hoogste gewaardeerd; want het was niet veel, als van een IsraŽliet niet meer gezegd kon worden, dan dat hij de knie voor Bašl niet gebogen had. Is het niet, alsof de Heer van alle andere eischen had afgezien? In gewone tijden zou Hij dit zeker niet gedaan hebben. En evenzoo kon er van de gemeente te Filadelfia niet meer gezegd worden dan: "Gij hebt mijn woord bewaard en mijnen naam niet verloochend;" en zie, welk een groot loon de Heer daaraan verbindt voor hem, die houdt wat hij heeft tot den einde toe. (Openb. III: 8 en 12.) De Heer eischt en verwacht niet veel, want Hij weet, dat er kleine kracht is, en daarom doet Hij, wat wij niet kunnen, openen en sluiten.

Gelijk reeds is opgemerkt, zijn het deze twee profeten, die wonderen hebben gedaan, hetgeen voor den toestand dezer afvallige stammen IsraŽls noodig was. Zou het volk wakker geschud worden uit zijn zondenslaap, waaraan het zich geheel door den dienst van Bašl had overgegeven; zou het gezag van Jehova, den eenig waarachtigen God, weder tot eere gebracht worden, dan moest er iets bijzonders gebeuren, dat tot het geweten des volks sprak. Daartoe had de Heere God Elia geroepen en bestemd. Plotseling verschijnt hij, zonder inleiding als het ware, zonder dat men weet, wie zijn vader of moeder was, alleen dat hij een Thisbiet was, van de inwoners van Gilead. Hij, de groote profeet, was derhalve een GalileŽr, want Thisba was een plaatsje in Naphtali, het latere Galilťa. En dat er gezegd wordt, dat hij van de inwoners van Gilead was, komt waarschijnlijk van zijne verhuizing naar het Overjordaansche. Wanneer dus de geleerde Schriftgeleerden tot Nicodemus zeiden, dat uit Galilťa geen profeet opstaat, was het alleen om door zulk een onbewezen bewering te trachten, dat de waarheid, dat Jezus de Christus was, geen ingang zou vinden onder het volk.

Elia, de man Gods, stond voor het aangezicht van den God IsraŽls. Welk een getuigenis voor Achab, die als koning IsraŽls dŠŠr ook zijne plaats moest hebben, maar die door de zonde, en het bedrijven van zooveel goddeloosheid, zoo ver van het aangezicht des Heeren verwijderd was. Toen KaÔn gezondigd had, "ging hij uit van het aangezicht des Heeren"; voor den zondaar is niets onverdragelijker dan de tegenwoordigheid Gods. Het eerste, wat God in zijne genade doet, is den mensch terugbrengen in zijne tegenwoordigheid, opdat hij daar gelukkig zal zijn, en vaardig om op de wenken des Heeren te letten. Voor het aangezicht van iemand staan, wil zeggen, dat men in zijne onmiddellijke nabijheid is, bereid en bekwaam om zijne bevelen uit te voeren. (Zie Dan. I: 5 en 19; II: 2. Zach. III : 4.)

Zulk een man was Elia, hij stond voor het aangezicht van God; dat gaf hem kracht en maakte hem bekwaam om het moeilijke werk te doen, waartoe God hem geroepen had. In dat bewustzijn verschijnt hij voor Achab zonder vrees en kondigt hem aan, dat er in langen tijd geen dauw of regen op de aarde zijn zou. Een korte maar ernstige en moeilijke boodschap voorwaar!

Hoe gezegend is het, als de geloovige, die door het werk van Christus in de tegenwoordigheid Gods is gebracht, ook praktisch als staande voor het aangezicht des Heeren gevonden wordt. Hij zal daardoor teruggehouden en bewaard worden voor veel, wat met de tegenwoordigheid Gods onvereenigbaar is, en kracht ontvangen voor den dienst, waarin de Heer hem gesteld heeft. Moge het bij allen, die den Heer kennen, toch meer gevonden worden!

Even plotseling als Elia verschijnt, even plotseling verdwijnt hij ook, en wordt door God verborgen gehouden voor het oog des volks; en welke moeite Achab zich ook gaf om Elia te zoeken, het was alles tevergeefs. En als het oogenblik aangebroken is, waarop Achab aangekondigd wordt, dat God regen zal geven, moet daaraan eerst voorafgaan die ernstige en plechtige openbaring van God, voor de oogen van het gansche volk, dat Hij alleen God is en niemand meer. Tot dat doel "heelde Elia het altaar des Heeren, dat verbroken was, en hij nam twaalf steenen, naar het getal van de stammen der kinderen Jakobs, tot welken het woord des Heeren geschied was, zeggende: IsraŽl zal uw naam zijn." (1 Kon. XVIII : 30, 31.) Dat Elia twaalf steenen nam, was naar de gedachte van God, want de deeling van IsraŽl in twee rijken was het gevolg der zonde en niet het werk van God; vandaar dat hier de naam van Jakob in herinnering gebracht wordt, tot wien gezegd was, dat hij IsraŽl heeten zou. In hoeveel geduld en lankmoedigheid de Heer zich aan beide rijken ook geopenbaard had, ja, zelfs zůů, dat Hij zijne zegenende hand van hen niet teruggetrokken had, toont Hij toch bij elke gelegenheid, dat Hij geen afstand doet of doen kan van hetgeen Hij eenmaal gezegd en tot stand gebracht heeft. Dit beginsel vinden wij overal toegepast in de Heilige Schrift, hetzij het IsraŽl of de Gemeente betreft. Daarom is het, dat Jakobus zijn brief richt "aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn."

In de dagen van Elia bestonden beide rijken nog, maar toen Jakobus zijn brief schreef, was dit niet zoo en wist men niet meer, evenmin als wij het weten, waar de tien stammen zijn en wat er van hen geworden is, al gelooven wij ook, dat God ze weer te voorschijn zal brengen en zij deel zullen hebben aan de heerlijkheid van Christus in het duizendjarig rijk. God staat boven alles wat de zonde teweeggebracht en verdorven heeft. Hij kan, ter wille van het kwaad, zijn eenmaal gemaakt bestek, dat naar zijn eeuwig voornemen is, niet veranderen of iets daarvan afdoen, maar zal het uitvoeren tot lof en prijs van zijn naam, trots alle pogingen, waardoor de duivel Hem dit heeft trachten te beletten, ofschoon de verantwoordelijkheid van hen, die zich daartoe door den vijand hebben laten gebruiken, niet opgeheven wordt. Voor God bestaat er maar ťťn volk IsraŽl, zooals er ook voor Hem maar ťťne gemeente is. De jammerlijke en diep gezonken toestand der gemeente, zooals zij zich nu op aarde openbaart, geeft ons reden tot droefheid, omdat het ons laat zien, wat er van het schoone en kostelijke werk Gods geworden is, nadat Hij het aan de handen der menschen toevertrouwde, die het schoone gebouw tot een ruÔne gemaakt hebben. Maar God wil niet, dat wij ons bij die ruÔne neerzetten en slechts klaagliederen zingen, met het oog op hetgeen zij eenmaal was, toen God haar als getuigenis voor Christus een plaats op de aarde gaf. Neen, dat wil God niet, want dan zouden wij gelijk zijn aan die arme, verblinde Joden, die voortdurend bij de overblijfselen van Jeruzalem over hare vroegere schoonheid jammeren, zonder evenwel in staat te zijn met het oog des geloofs op die afgebrokkelde steenen de woorden te lezen: "De genadegiften en roeping Gods zijn onberouwelijk;" door welke woorden de zekere hoop en toekomende heerlijkheid IsraŽls uitgesproken en verzekerd is. En evenmin wil God, dat wij, met het oog op het droeve, dat zich zien en voelen laat door hetgeen de gemeente geworden is op aarde, het goede vergeten, dat Hij ons nog geeft; bovendien mogen wij ons verblijden, door het geloof te mogen zien, wat God ziet, - de gemeente als lichaam van Christus, reeds in Hem verheerlijkt in den hemel, zooals zij is naar het raadsbesluit van God.

Toen Elia het altaar opgericht en het offer toegeschikt had op den Karmel, waar het geheele volk vergaderd was en waar het uitgemaakt zou worden, wie de ware God was, bad Elia ten aanhoore van het gansche volk. Hij beveelt niet, dat er vuur van den hemel afdalen zou. Een knecht heeft niet te bevelen, maar te verzoeken, te vragen; hij heeft te wachten op hetgeen zijn heer doen zal, en in den weg Gods zijnde, kunnen wij dat rustig en in vertrouwen doen. En dat kon Elia, want al "deze dingen had hij gedaan naar het woord des Heeren." Welk een bewustzijn, zůů te kunnen spreken in de tegenwoordigheid Gods, in een oogenblik, waarin van het antwoord des Heeren zooveel afhing, en waarmede de eer des Heeren, zoowel als zijn eigen eer, als knecht des Heeren, gemoeid was.

Het gebed was kort en krachtig, maar bevatte nochtans alles waarom het ging. Dit is het ware karakter van het gebed. Het komt niet aan op de langheid van een gebed, maar of het datgene bevat waarom gebeden zal worden. Het gebed van Elia werd door het geheele volk goed begrepen en verstaan. Ach, dat wij dat meer ter harte namen!

Elia behoefde het volk niet lang bezig te houden, gelijk de priesters van Bašl gedaan hadden zonder eenig resultaat. Nauwelijks had bij het laatste woord gesproken, of het vuur daalde van den hemel en verteerde alles. En daarmede was het antwoord gegeven, dat de God van Abraham en Izašk ook de God in IsraŽl was. Op deze wijze had God zich opnieuw in zijne wondermacht geopenbaard, gelijk Hij dat in den beginne heeft moeten doen, om het volk tot het geloof in Hem terug te brengen. Dit was voor het rijk van Juda niet noodig, want daar werd zijn bestaan niet verloochend, gelijk in het rijk der tien stammen. Een eenvoudige prediking der waarheid, dat niet Bašl, maar Jehova God was, zou hier niet voldoende geweest zijn; neen, er moest iets gebeuren, waardoor het volk dit zelf moest zeggen en erkennen. Het hinken op twee gedachten moest daardoor tot een einde komen. Voor de eere van God was dat noodig, maar ook voor het volk zelf, ofschoon het daartoe niet gekomen is, gelijk wij uit zijn verdere geschiedenis zien kunnen.

Elia plaatst Jehova met Bašl op ťťne lijn, zooals wij lezen in vs 21. "Zoo de Heere God is, volgt Hem na, en zoo het Bašl is, volgt hem na!" Geen hinken op twee gedachten derhalve. Jehova en Bašl konden niet tezamen wonen onder hetzelfde volk, zoomin als God en de wereld dat kunnen in hetzelfde hart. Dit was schijnbaar een vernedering voor Jehova, evenals later de gelijkstelling van Jezus met Barabbas. Maar in beide gevallen wordt ons daardoor de diepgezonken toestand des volks aangetoond. God wil alleen gediend worden, niet uit vrees en niet door dwang, maar uit overtuiging en met een volvaardig gemoed, dat niets anders wenscht of begeert. Voor deze keus werd het volk geplaatst. God vraagt naar beslistheid, en daarop heeft Hij recht en aanspraak bij allen, die Hem kennen. Bij Bašl was geen heil te vinden voor het volk, hij heeft niet kunnen antwoorden op al het roepen, dat zijn priesters gedaan hadden. Het bedrog was nu aan het licht gekomen, waarin het volk zoolang geleefd had, want nu het er op aan kwam, moest Bašl zijne dienaars in den steek laten, en hen aan den dood overgeven. En zoo zal het ook eenmaal gaan met allen, die de wereld hebben liefgehad, en haar hebben gediend. Dan zullen ook de dienaars der wereld zien, hoe zij bedrogen zijn geworden door den vorst dezer wereld, die alles in het werk heeft gesteld om ze terug te houden van God, en hen door alle aanbiedingen, die voor het vleesch en de natuur begeerlijk zijn, tot zijn prooi te maken.

De geloovigen in Christus kunnen hieruit zien, hoe verwerpelijk en veroordeelingswaardig elk hinken op twee gedachten is.

O, dat ook bij ons meer beslistheid op dit punt gevonden werd! Voor den geloovige bestaat hetzelfde gevaar als voor IsraŽl. Laat daarom het ernstige woord van den apostel Johannes: "Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is," tot die beslistheid medewerken, opdat elke verbinding met de wereld worde afgebroken!