Het Evangelie van Johannes en de Brief aan de Romeinen.

 

Bij het lezen van deze beide gedeelten der Heilige Schrift zullen wij een belangrijk onderscheid opmerken, waarbij ik den lezer een oogenblik wensch te bepalen. In het Evangelie van Johannes is het God zelf, die Zich in den persoon van Christus aan den mensch voorstelt, gelijk wij dit vinden in het 1ste en 14de vers van het Iste Hoofdstuk: "en het Woord was bij God, en het Woord was God en het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond." Dan wordt ons in het verdere gedeelte van dit Evangelie aangetoond, hoe of in welk karakter God zich aan den mensch heeft voorgesteld. Is Hij gekomen als Rechter? Het antwoord wordt ons op die vraag gegeven in Hoofdst. III : 17: "want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld oordeelen zou;" ofschoon Hij het volste recht daartoe zou gehad hebben, gelijk wij lezen in 2 Kor. V : 19: "namelijk dat God in Christus was, de wereld met zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende." Neen, niet als Rechter is Hij tot den mensch gekomen, maar in genade en goedheid; als Rechter zal Hij later verschijnen, als de tijd der genade voorbij is, "want, Hij heeft een dag gesteld, waarop Hij den ganschen aardbodem in gerechtigheid zal oordeelen door eenen Man, dien Hij daartoe verordend heeft, zekerheid daarvan gevende aan allen, dewijl Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt." (Hand. XVII : 31.) Christus was gekomen om het aangename jaar des Heeren te prediken. (Luk. IV : 19.) Een volkomen amnestie of vrijlating werd allen aangeboden, zoowel aan de Joden als aan de volken. De genade kwam tot allen in de volste beteekenis van het woord, zonder dat er door God onderscheid gemaakt werd in afkomst of volk. In dit karakter heeft God zich aan den mensch voorgesteld. Waarheen de Heer zijne schreden richtte, overal droop zijn voet van louter vettigheid, want Hij ging het land door goeddoende, en deze genade strekte zich uit tot over de grenzen van het Joodsche volk. (Matth. XV : 21-28.) God was in Christus bezig, om het verloren vertrouwen te herwinnen; want door den duivel te gelooven, had de mensch het vertrouwen aan God opgezegd. Kunnen wij ons grooter goedheid, nederbuigender genade voorstellen, dan die den mensch bewezen is, toen God, mensch geworden, zich aan hem heeft geopenbaard? Wie, die dit heeft leeren verstaan, wordt er niet door getroffen en tot aanbidding gedrongen? Moet niet de dikste ijskorst, die het hart des menschen overdekt, tot WATER smelten onder de koesterende stralen der zon, die God heeft doen opgaan over den mensch? Ja, zoo zouden wij denken en verwachten. Maar het tegenovergestelde is waar. "Hij is gekomen tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen." (Joh. I : 11.) Dit nu wordt gezegd van het volk Isral, nadat in vs. 10 is gezegd: "Hij was in de wereld en de wereld heeft, Hem niet gekend." De mensch heeft God in den persoon van Christus niet willen aannemen, maar Hem verworpen. Het licht heeft geschenen in de duisternis, maar het heeft de duisternis niet verdreven, hetgeen geheel in strijd is met de natuur van het licht, want, overal waar licht in de duisternis gebracht wordt, verdwijnt de duisternis. Doch bij de openbaring van God in Christus, het waarachtige licht, had dit niet plaats, de duisternis bleef bestaan, niettegenstaande het licht was opgegaan. Dit nu doet ons zien, dat de mensch gebleven is, gelijk hij was, en dat de komst van Christus niets heeft uitgewerkt op de boosheid zijner natuur. Hij was duisternis, en hij is het ng. Al hetgeen hier gezegd is, zien wij verwezenlijkt in Joh. VIII, alwaar de Heer zich aankondigt als het licht der wereld en als zoodanig verworpen wordt, terwijl Hij reeds in Hoofdst. VII verworpen was in zijn persoon en in Hoofdst. IX zou verworpen worden in zijn werk. Ziedaar hetgeen de mensch gedaan hoeft, toen God zich aan Hem voorstelde in genade en goedheid. En deze verwerping bereikte haar toppunt, toen het volk voor de keuze werd gesteld tusschen Hem en een moordenaar, en het zonder zich te bezinnen Barabbas begeerde en eischte, dat Hij zou gekruisigd worden. Hieruit kunnen wij zien wie de mensch is, aan wien God zich in genade heeft geopenbaard, maar ook wie wijzelven zijn, want als wij onszelven rekenen mogen te behooren tot hen van wie geschreven staat: "maar zoovelen Hem aangenomen hebben, hun gaf Hij het recht kinderen Gods te worden," dan is dat alleen genade en ontferming, het is het werk Gods in ons, "die NIET uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn." (Joh. I : 12 en 13.)

In den brief van Paulus aan de Romeinen vinden wij geheel het tegenovergestelde van hetgeen ons in het Evangelie van Johannes ter aanschouwing gegeven is. In dien brief is het niet God, die zich aan den mensch voorstelt, maar is het de mensch, die voor God gesteld is. En ook nu is het de vraag: hoe, of in welk karakter zien wij den mensch voor God openbaar worden?

Het laatste gedeelte van Rom. I : 18 - III : 19 is een nauwkeurige en duidelijke beschouwing van den toestand des menschen naar het oordeel van God zelven. Dit is een onbedriegelijk oordeel, waar geene vergissing kan plaats hebben; ook is het 't oordeel, hetwelk over alle menschen wordt uitgesproken, want: "de geheele wereld is voor God verdoemelijk." (Rom. III : 19.) Welk een tegenstelling vinden wij hier met hetgeen ons in het Evangelie van Johannes gezegd wordt van God, geopenbaard in het vleesch! Dr niets dan genade en goedheid, hier niets dan zonde en ongerechtigheid; dr zegen, waar Hij ook heengaat of komt, hir niets dan boosheid en ellende in al zijne wegen. En wat heeft God met dien schuldigen mensch gedaan? Heeft Hij hem van Zich gestooten en verworpen, gelijk de mensch met God gedaan heeft? Had hij dat dan niet verdiend? Had hij aanspraak om iets anders te verwachten? Wie zou zoo iets durven beweren? Zal een ieder, die zichzelven heeft leeren kennen, hoe gebrekkig die kennis ook nog zijn moge, het niet zelf moeten verklaren, dat hij niets anders waard was, dan voor eeuwig uit de tegenwoordigheid Gods verdreven te worden? Kan daarover nog verschil van gevoelen bestaan bij hen, die gelooven, dat het getuigenis van God over den toestand van den mensch naar waarheid is? Neen, zeker niet! God heeft den mensch, hoe schuldig ook, niet van Zich gestooten. Hij heeft hem naar den rijkdom zijner genade en liefde aangenomen en met zegeningen overladen. Hij heeft hem tot de hoogste eer gevoerd, en in de teederste en innigste betrekking met Zichzelven gebracht. Het Vde en VIIIste hoofdst. bewijzen dit ten duidelijkste. Een hooger heerlijkheid kon hem niet gegeven worden dan de heerlijkheid van God zelven, en een inniger betrekking is er niet dan zijn kind te zijn. En dit is de toestand en het deel van allen, die in den Heer Jezus gelooven: "Wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods en indien kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mederfgenamen van Christus."