DE HEER IS MIJN HERDER!

 

Gedachten over den 23sten Psalm.

 

Welk een liefelijke psalm is deze drie-en-twintigste psalm! Hij is voor ons allen een geliefkoosd onderwerp. In de harten der ouden van dagen wekt hij herinneringen op aan de vroegste jeugd; belangrijke gebeurtenissen, stemmen en gestalten, lang voorbijgegaan, om in deze wereld nooit meer gehoord of gezien te worden, treden met nieuwe frischheid voor de ziel, als deze psalm wordt gelezen of behandeld. In de harten der jeugdige geloovigen weerklinken zijne woorden als muziek. Ja, de harten van oud en jong verwijlen gaarne bij de taal der ervaring en des geloofs, die zich hier doet hooren. Iemand heeft eens zoo schoon opgemerkt: "Deze drie-en-twintigste psalm is onder de psalmen, wat de nachtegaal is onder de vogels. Klein, zonder vederpracht, niet dan schuw te voorschijn tredende uit de verborgenheid, vervult hij de lucht dezer aarde met blijde welluidendheid, liefelijker dan de tong kan vermelden. Gezegend de dag, toen deze psalm gedicht werd! Als een wandelaar, zingende een wonderschoone melodie, is hij jaar in jaar uit, eeuw in eeuw uit, de wereld rondgegaan, om van stad tot stad, en van land tot land, in de taal van ieder volk, zijn woorden van troost te doen vernemen. Hij heeft meer pijn en angst gestild dan alle wijsgeeren te zamen. Hij heeft ontelbare sombere gedachten en nijpende zorgen in de schuilhoeken teruggedreven. Hij heeft scharen van armen vertroost, en heirlegers van bedrukten moed in het hart gezongen. Hij heeft balsem gestort in der kranken borst, de brandende smart der weduwen verkoeld, de verlatenheid der weezen weggenomen. Stervenden heeft hij met blijmoedigheid vervuld, en doodsbleeke aangezichten doen gloeien van den blos der hoop En nog is zijn werk niet geeindigd. Zingende zal hij onder ons voortgaan, voortgaan tot alle pelgrims thuis zullen zijn!" O, laat ons God danken, dat Hij ons zulk een loflied gegeven heeft in zijn Woord! Dan zullen we, als we in zulk een stemming dezen psalm opnieuw overdenken, vernieuwden zegen en leering er uit ontvangen.

De Heer is mijn Herder! Met deze heerlijke woorden begint dit lied des geloofs en des vertrouwens, zoo terecht door de ouden den reispsalm genoemd, want hij geeft op onze reis door de wereld naar het Vaderhuis zoo heerlijk uitdrukking aan het geloof onzer ziel. De Heer is mijn Herder! Dat is zekerlijk de taal van een hart, dat met den Heer zelf vervuld is; een hart, dat vreugde vindt in Hem als den Herder, zoo mild en zoo goed, die de zijnen kent bij name, die ze beschermt en verzorgt; een hart, dat in waarheid den Heer alleen zijn vertrouwen schenkt, het moge Hem kennen als Jehovah, den Eeuwig Getrouwe, of als Jehovah-Jezus, dat wil zeggen als Dengene, die zijn volk van zijn zonden verlost. Want het gaat hier niet om de algemeene uitdrukking, dat de Heer de Herder is. Neen, hier worden we in de praktijk overgeplaatst. Zeker, Jehovah was de Herder van zijn gansche volk, Jezus is de Herder van al zijn schapen. En in zooverre kan dus elk Israliet en kan dus elk geloovige zeggen, dat de Heer zijn Herder is. Maar de woorden, die hier gebezigd worden, gaan verder. Het is de uiting van een waarlijk godvruchtig mensch, die op den Heere vertrouwt. Zijne ziel rust, hoe de omstandigheden ook zijn mogen, in de nooit falende, zorgende liefde van den Herder der schapen, en verheugt zich over zijne menigvuldige hulpbronnen; en dat niet slechts voor heden, maar ook voor morgen, voor later, voor altijd! Zie, dat is een kostelijk geloof, een geloof, dat God verheerlijkt en den Heer verblijdt; een geloof, dat niet in woorden bestaat, maar dat zich openbaart in praktische werkelijkheid. "De Heer is mijn Herder!" zoo luidt zijn getuigenis, en daardoor verheft hij zich boven alles, wat de Heer geeft, doet of belooft, hoe kostelijk dat alles ook zijn moge, om alleen te rusten in hetgeen Hij is. En Hij kan daarom er aan toevoegen: "Mij zal niets ontbreken." Als de Heer zijn Herder is, wat ontbreekt hem dan nog? Hij zegt niet: mij heeft niets ontbroken, maar mij zal niets ontbreken. Zeker, als hij terugziet, zal hij op de vraag: "Heeft u ook iets ontbroken?" antwoorden. "Neen, Heer! niets." Dan zal hij met de Isralieten na de woestijnreis moeten getuigen: Deze veertig jaren heeft het ons aan niets ontbroken." Maar hij gaat verder. Het geloof ziet vooruit. Hij weet het, hij gelooft het, en daarom zegt hij het: Mij zal niets ontbreken. Want de Heer is zijn Herder! O, als het oog van den pelgrim z op den Heer is gericht, als het hart z vervuld is met vertrouwen, dan moet wel vrede en rust het leven van den geloovige kenmerken.

Maar kent gij, mijn lezer, de geheime bron van zulk een gezegenden toestand? Hoe komt het, dat zoo weinige geloovigen in hun leven een dergelijke gezindheid openbaren? Hoe is het met u in dit opzicht gesteld? Kent gij iets van dit verheugd zijn in den Heer, van dit vertrouwen op Hem te midden van de moeilijkheden der woestijnreis? De Heer is mijn Herder - niet waar, dat klinkt als de jubeltoon van een hart, dat overgelukkig is; mij zal niets ontbreken, - dat is de uitdrukking van een stil, van een rotsvast vertrouwen.

Om de bron van zulk een toestand te leeren vinden, moeten wij terug naar den vorigen psalm. Want als wij de diepe onderwijzingen van den twee-en-twintigsten psalm hebben geleerd, zullen wij ook het pad, dat ons in den drie-en-twintigsten beschreven wordt, leeren kennen, ja meer nog, wij zullen ons in de hoop der heerlijkheid verheugen, die ons in den vier-en-twintigsten wordt voorgesteld. Deze drie psalmen toch behooren te zamen.

Om de genade te kennen, die het pad des geloovigen pelgrims verlicht, en die hem zelf, in de heerlijkheid rusten doet, moet men eerst de genade hebben leeren kennen, die ons uit het lijden van Christus tegemoet straalt. Door het lijden heen kunnen wij den weg des geloofs bewandelen; een andere toegang is er niet. Maar hebben we zoo den weg betreden, dan ontdekken we, dat de heerlijkheid ons voor oogen staat. De christen staat tusschen het lijden en de heerlijkheid in, tusschen het kruis en de kroon. Hij ziet terug op het kruis, en ziet vooruit naar de kroon. Zonde, dood, oordeel, graf, wereld, Satan - alles ligt achter hem. Overwinning, overwinning over elken vijand, en eeuwige vreugde - ziedaar wat zich vr hem uitstrekt.

En hiermede komen wij vanzelf tot de beschouwing van den gezegenden persoon onzes Heeren Jezus. De drie groote gezichtspunten, van waaruit ons het karakter van het Herderschap van den Heere Jezus wordt voorgesteld, leeren ons dezelfde kostbare waarheden. Als de goede Herder liet Hij zijn leven voor de schapen; (Joh X : 11.) als de groote Herder der schapen, dien God uit de dooden heeft wedergebracht, zorgt Hij voor zijne kudde, terwijl zij door deze groote en schrikkelijke woestijn gaat; (Hebr. XIII : 20.) en eindelijk zal Hij, als de overste Herder der schapen al dengenen die Hij hier geroepen heeft, tot herders der kudde, de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid geven bij zijne verschijning en zijn Koninkrijk (1 Petr. V : 4.) Voorwaar, als wij zoo den Heer kennen, kan ons vertrouwen op Hem niet anders dan onbeperkt zijn. Hoe schoon wordt ons de zorg en de verantwoordelijkheid voorgesteld, die onze hooggeprezen Heiland betoond heeft, toen Hij voor de eerste maal over zijne kudde sprak. In het Evangelie van Johannes wordt Hij als het licht en de waarheid verworpen in het achtste hoofdstuk. En terwijl in het negende ook zijn werk wordt miskend, neemt Hij in het tiende formeel den naam aan van goeden herder. Hij ging uit den stal, hij verzamelde de armen der kudde om zichzelf. Hij was het nieuwe middel- en verzamelpunt. "Zij zullen mijne stem hooren," zeide Hij, en het zal worden ne kudde (niet meer een stal) en n herder." Zij zijn wel is waar uit de synagoge uitgeworpen, (hfst. 9) maar zij hebben Hem buiten gevonden, en zij bezitten in Hem alle zegeningen. Voor het oog mag alles tegen hen zijn, maar zijn woord verzekert hen van tijdelijk en eeuwig heil. "Die door Mij ingaat, die zal behouden worden, hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden." Hij, die in den dood ging voor ons, die zooveel voor ons leed, en die ons eenmaal in de heerlijkheid zal brengen, zal ons ook hier op onze aardsche pelgrimsreis niet vergeten. Dit te bedenken is de geheime bron van een toestand, als waarover wij spraken. Door lijden tot heerlijkheid gaat ook onze weg. Daarom moet ons oog voortdurend op Hem gericht zijn. Want wij ervaren zijne liefde en zorg, zijne macht en genade, zijne goedertierenheid en trouw bij elken voetstap, dien wij verzetten op het af te leggen pad - en daar Hij zelf de woestijn doorwandeld heeft, kent Hij ook alle gevaren en moeiten van den weg.

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. De uitwerking van een geloovig erkennen van Jezus als den goeden en grooten Herder der schapen is een volkomen rusten der ziel in Hem en een stil en vreedzaam genot van zijne liefde en genade. Hem te kennen is eeuwig leven; zijn werk te erkennen is volkomen vrede. Daarom lezen wij: "Hij doet mij nederliggen." Want in deze woorden ligt als het ware de gedachte aan een volledige, verkwikkende rust, aan een ongestoord uitrusten onder zijne hoede. Daaraan denkt dan ook David. Zeker, van alles wat wij hier schreven over Christus' dood en vernedering, en over onze verhouding tot den goeden Herder als schapen, heeft David niets geweten. Maar, hij wist wat het was, van menschen verworpen te zijn, en alleen God te hebben om op te steunen, zelfs nadat hij de gezalfde des Heeren was. En daarom spreekt Hij over dit nederliggen onder de hoede zijns Herders. Zoo is het ook voor ons. De goede Herder heeft rust voor zijne schapen bereid, daarin wil Hij ze gaarne leiden. Of zij zich altijd door Hem laten leiden, is een andere vraag, lieve lezer. Wij weten uit ervaring, dat dit helaas! niet altijd het geval is. Wij dwalen vaak af op velden, die geen gezond voedsel bieden en wenden ons tot troebele, onrustige wateren. Maar de Heer wil dat niet. Hij wil zijne schapen, de zwakke lammeren, zoowel als de groote schapen, vrij zien van alle onrust en zorg. Zijne liefde is ook volkomen genoeg voor hen. Hij heeft op zich genomen voor alles te zorgen. Het zal zijn schapen nooit aan iets ontbreken. Zij mogen op hunne lange woestijnwandelingen vaak zwaar beproefd worden en er soms na aan toe zijn, neder te zinken, of vanwege den moeielijken weg moedeloos te worden; maar laat ons niet vergeten, dat de zorg des Heeren nooit ophoudt en dat wij steeds op Hem rekenen kunnen! "Hij doet ons nederliggen in grazige weiden. Hij voert ons zachtjes aan stille wateren." Wij kunnen ons stil en getroost aan Hem overgeven en in Hem rusten. Hij zal al de dagen, tot aan het einde van onzen weg, met ons zijn, zelfs als het schijnt, dat Hij ons vergeet. Hij geeft ons weide en overvloed, Hij legert ons te midden van enkel weldaden; door zijne genade is Hij overvloedig jegens ons in goedertierenheid. En wij worden gevoerd aan zeer stille wateren; vrede en rust zijn ons deel, en wij kunnen onzen dorst lesschen. Zoo terecht zingen wij menigmaal:

Gij leidt mij, Heer!
Uit deze dorre heide
Door uwen Geest
In vette, groene weide,
Zoodat ik wandel onbevreesd.

Gij drenkt mij, Heer!
Als hitte en dorst mij kwellen.
Mijn bron zijt Gij
Al uwe levenswellen
Zij springen eeuwig - en voor mij!

Vrede, overvloed en zekerheid kenmerken de geliefde kudde des Heeren. "Zij zullen niet meer hongeren, en zij zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch eenige hitte; want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden en hen leiden tot fonteinen van de wateren des levens, en God zal elke traan van hunne oogen afwisschen." Z wordt in Openb. 7 de heerlijke toestand beschreven, waarin het verloste overblijfsel uit de volken gebracht wordt. En in het duizendjarig rijk zal dit letterlijk vervuld worden aan allen, die zich in het geloof aan den Koning der heerlijkheid onderworpen hebben. Maar in geestelijken zin zijn deze woorden ook heden reeds waar van de schapen der zoo rijk begenadigde kudde des Heeren. De vraag is maar, in hoeverre onze zielen bij ervaring van deze kostbare waarheid genieten door het Woord Gods en door het geloof. "Want wij wandelen door het geloof, niet door aanschouwen." Onze rust en onze zegeningen zijn dan ook niet natuurlijk, niet van deze aarde, maar geestelijk en hemelsch. O, wat heeft onze dierbare Jezus veel voor ons gedaan! Hij gaf zijn leven voor ons, en Hij schenkt ons geluk, rust, vrede en eeuwige vreugde. Niet op een dorre heide laat Hij ons grazen, maar in grazige weiden mogen wij vol wellust nederliggen. Van onrust geen sprake meer. De ziel rust in de volkomene behoudenis, die door Jezus' werk is aangebracht. Veilig tot in eeuwigheid ligt zij neder en kan genieten van de weiden van Gods Woord. Want dat Woord, waarvan Jezus zelf de hoofdinhoud is, is de spijze onzer ziel. Daar is nooit gebrek, maar altijd overvloed! En aan stille wateren kunnen wij op ons gemak drinken. In Jezus is de bron. Die tot Hem komt, zal drinken en nimmermeer dorsten. En die in Hem gelooft, stroomen van levend water zullen uit zijnen buik vloeien. Heerlijk aan de stille wateren des Heiligen Geestes gevoed te worden.

Hemelsche spijze en frissche wateren des eeuwigen levens - zie daar, wat wij ontvangen. Het is voorzeker geen wonder, dat de zanger van onzen psalm uitroept: "Hij verkwikt mijne ziel." Zie daar wat de Heer, de goede Herder, voor ons is. O, mochten we waarlijk praktisch z van Hem genieten. Dan zal ons antwoord op hetgeen Hij aan ons doet aldus zijn:

Aan U wil ik slechts denken
En 't harte niet meer schenken
Aan 't zienlijk goed der aard.
Gij zult me in vette weiden,
Aan stille watren leiden,
En voert mij eenmaal hemelwaart.

"Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om zijns naams wil." Hoewel wij onder de trouwe zorg en het waakzame oog van den goeden Herder staan, moeten wij nog door een wereld gaan, waarin wij vele machtige tegenstanders ontmoeten, die ons het pad versperren. De overste dezer wereld weet het wel, dat, wanneer hij in den afgrond zal gebonden zijn, wij ons in de volle vrijheid bij Christus zullen bevinden. Daarom is er ook geen boek in den Bijbel, dat de duivel zoo tegenstaat, geen boek waarvoor hij zoo zijn best doet, dat het ongelezen blijft, als het boek der Openbaring. Want in dit boek wordt zijne volledige verwerping aan het einde der dagen vooruit beschreven in duidelijke woorden, die niet misverstaan kunnen worden. Geen wonder, dat hij dat liever voor de oogen der menschen verbergt; en het is hem dan ook, helaas! gelukt, om de opmerkzaamheid der menschen eeuwen lang van dit boek af te wenden. Hij heeft hen weten wijs te maken, dat het een onverstaanbaar boek was, met zeven zegelen verzegeld, terwijl toch de Heer uitdrukkelijk aan het overdenken van dit boek een bijzonderen zegen heeft verbonden, gelijk geschreven staat: "Welgelukzalig die leest, en zij die hooren de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij!" En niet alleen tracht de duivel de oogen der geloovigen af te wenden van hetgeen over hem geschreven staat, maar hij wil hen ook doen twijfelen aan hun eigen zaligheid. Want wij kunnen thans nog niet de taal van Psalm XXIV bezigen: "De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid." Wij staan nu nog op den bodem van Psalm XXIII, als de zwakke schapen van Christus, en de satan is de god en vorst dezer wereld, de vorst van de overheden in de lucht, van den geest, die nu werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid. Vandaar de vele beproevingen en moeilijkheden op den weg, vandaar ook de behoefte aan de verkwikkende genade des Heeren. Satan doet alles, wat in zijn macht staat, om de schapen van Christus te verschrikken en te benadeelen, terwijl zij zijn gebied doorwandelen. Hij legt strikken voor hunnen voet, voetangels en klemmen op hun pad, struikelblokken en achterlagen stelt hij op hun weg, hij verwekt haat en vervolging tegen hen; of - en dat is n van zijn slimste listen - hij omgeeft de dingen dezer wereld met zulk een schoonen glans en zulk een gouden schittering, dat daardoor de oogen der schapen van den goeden Herder worden afgewend. De vijand weet wel, dat al zijne valstrikken en lokmiddelen vergeefsch zijn, zoo de schapen dicht achter Jezus blijven; want deze gaat vr de kudde heen, treedt elk gevaar tegemoet, en verwijdert elke moeielijkheid, zoodat hun geen kwaad overkomen kan. Daarom is de gewichtigste les, die de pelgrims in de woestijn te leeren hebben deze: afhankelijkheid van den Heer.

Toen Isral door de diepte der Roode Zee veilig aan de overzijde was gekomen, en het verloste volk aan den rand der woestijn stond, was de verlossing volkomen, maar - Kanan was nog niet bereikt. De woestijn met al haar beproevingen en moeiten lag nog tusschen het volk en het Beloofde Land, en de Heer had hun nog veel te leeren op dezen weg. Doch vergeten wij niet, dat, eer zij geroepen werden om deze ervaringen op te doen, God zich geopenbaard had in zijne genade en macht als de Ik ben. Het is daarom zeer merkwaardig, dat het eerste, wat de Isralieten in de woestijn ontmoeten, een moeilijkheid is. Na een reis van drie dagen door een dorre, gloeiend heete zandwoestijn, waar zij geen water vonden, kwamen ze aan een bron, maar moesten zij tot de ontdekking komen, dat het ongenietbaar water was. Wat moesten zij nu doen? Evenals bij de Roode Zee, toen zij aan alle zijden ingesloten waren, naar boven zien. De Ik ben was er, en het geloof had zelfs bij deze omstandigheden moeten zeggen. "De Heere (Jehovah, de "Ik ben") is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel." Want nooit rekenen wij tevergeefs op zijne genade. Word ik zwak en vermoeid, Hij verkwikt mijne ziel; vergeet ik Hem en dwaal ik af, Hij brengt mij weer terecht. Ja, niet alleen dat, Hij leidt mij in het spoor (pad) der gerechtigheid om zijns naams wil." Genadige Heer! Hij leidt mij, trots al mijne zwakheid, in het pad van ware heiligheid om zijns Naams wil. Zoo spreekt een stil, geduldig geloof. Het kan op den Heer wachten. Het natuurlijke hart wordt onrustig en zegt: "Kan dat liefde zijn, een volk uit de hand der vijanden te bevrijden, en het dan in de woestijn te laten verdorsten?" Maar het geloof zegt: "Geduld! Hij zorgt zeer zeker voor zijne verlosten. Hij voert ze niet uit Egypte, om ze in de woestijn te laten sterven. Hij wil ze alleen een kostelijke onderwijzing geven, die tot verheerlijking van zijnen Naam zal dienen." Zoo was het ook met Isral. Mozes zag op tot den Heer, en bad. En de Heer wees hem een hout, dat wierp hij in het water, en het water werd zoet. Dt vermag Hij alleen; het bitter weet Hij zoet te maken. Dat kon Hij niet alleen toen, dat kan Hij altijd, Hij kan het ook nu.

Ja, en Hij doet het, zijn Naam zij er voor geprezen! Beter een bitteren kelk te hebben en den Heer er bij, om hem zoet te maken, dan in het geheel geen kelk. Beter, verreweg beter, als de vrienden van Danil gebonden in een oven geworpen te worden en daar de eer te genieten met den Zoon Gods in volkomen vrijheid te wandelen, dan voor den oven bewaard te blijven. O, mijn lezer, welk een rijk veld is het veld der ervaring! Ik heb herders hooren zeggen, dat het goed voor de schapen is om niet altijd dezelfde weide te hebben. In hoeverre dit in letterlijken zin waar is, weet ik niet. Maar wel weet ik, dat het in geestelijken zin zoo is. Wie bij een deel der Schrift blijft staan, wordt eenzijdig en komt tot de grootste dwalingen. Welnu, daarom heeft de Heer ons grazige, uitgestrekte weiden gegeven! En bij al de moeilijkheden en bezwaren, die zich op het pad der gerechtigheid voordoen, weten wij, dat Hij ons leidt, en dat Hij dit doet om zijns Naams wil. De eer zijns Naams is er mee gemoeid. De Heer is ons voorgegaan. Hij heeft het pad voor ons gebaand. En nu wil Hij, dat de zijnen Hem volgen. En daarom neemt Hij ze bij de hand en leidt ze wonderbaar, leidt ze in al wat goed en lieflijk en welluidend is, zoodat zij uitroepen vol vreugde des harten: "Hij verkwikt mijne ziel."

Maar er is nog meer op het spoor der gerechtigheid te vinden, dan aanvallen van den Satan, beproevingen en zorgen. De zonde is er nog en door de zonde de dood. "Al ging ik door een dal der schaduwen des doods," zoo zegt de Psalmist verder, "ik zal geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf die vertroosten mij."

Men denkt en zegt vaak, dat dit vers de ervaringen van den geloovige beschrijft bij zijn lichamelijken dood, op het oogenblik, dat lichaam en ziel van elkander gescheiden worden. Nu, zonder twijfel is de dood ook voor den geloovige een duistere weg; en zoo iemand, dan heeft de afscheid nemende ziel alle reden om in het aangezicht van den dood rustig en getroost op den Heer te vertrouwen. Maar wij gelooven, dat deze plaats minder op den eigen dood, dan wel op den dood van anderen betrekking heeft. Voor de ziel, die heengaat, is geen schaduw aanwezig; integendeel, alle schaduwen vervliegen, al het nederdrukkende blijft achter, slechts licht en vreugde is in het vooruitzicht. Maar voor de achterblijvenden daarentegen is de dood smartelijk, en de schaduw misschien zeer zwart en donker.

Daar is bij voorbeeld een innig geliefde moeder heengegaan. Haar plaats is ledig, de liefelijke familiekring verscheurd, het gansche huis met smart en rouw vervuld. Voor de dierbaren, die achterbleven, is het eens zoo helder door de zon beschenen pad tot een weg geworden, waarop de dood zijn schaduw wierp. Maar terwijl hier nevel en schaduw het oog des geloofs willen verduisteren en de ziel willen terneerdrukken, is de ontslapene in het heldere, reine licht der tegenwoordigheid Gods.

De ervaring van den geloovigen pelgrim is nu een gansch andere geworden, hoewel hij zich ook nu, zooals tevoren, onder de liefelijke zorg en de machtige leiding van den Goeden Herder weet. Alles is veranderd: het licht is omgekeerd in duisternis, de vreugde in leed. In het derde vers heeft de geloovige de wateren van Mara geproefd, maar in het vierde vers ziet hij er zich midden in geworpen. Doch de Heer heeft het zelf gedaan, en daarom moet het goed en wijs zijn; ja, niet alleen dat, maar hoe dieper de smart, hoe grooter de beproeving, des te meer ondervinden wij zijne liefde en herdertrouw. "Gij zijt met mij," zegt de ziel, die niet alleen de bitterheid van het water, maar ook de diepte er van kent.

Doch nog een ander voorbeeld, om te toonen, dat de Psalmist niet aan zijn eigen dood denkt. Daar ligt het hoofd der familie ziek, zeer ziek; alle hoop op genezing is vervlogen, maar toch is de ziel nog in het lichaam. De vadernaam kan nog worden uitgesproken, woorden der liefde kunnen nog gewisseld worden, de stem kan nog worden vernomen. De schaduwen des doods naderen, en op hetzelfde oogenblik, dat de ziel in de onzichtbare wereld is overgegaan, houdt de omgang op. Het geloof alleen kan dan nog den drempel overschrijden, omdat het den geliefde in het Paradijs weet in de eeuwige rust bij Jezus en bij de anderen, die reeds zijn voorgegaan. Dan wordt het oog verlicht, vreugde en dank vervullen het hart; doch misschien reeds in het volgende oogenblik komt een herinnering aan den ontslapene; het oog vult zich met tranen, en diepe droefheid buigt de ziele neder. Alles, alles, behalve de Heer zelf, schijnt verloren te zijn. De innigste banden verscheurd; men wandelt door het dal der schaduwe des doods. O, hoe gaarne zou men nog nmaal die lieve stem hooren, maar ze is voor altijd verstomd. Stilte, de stilte des doods heerscht in het huis. En zie, juist in zulke tijden tracht de satan zijn vurige pijlen op de bekommerde zielen af te schieten. Gedachten aan de vergankelijkheid, bezorgde blikken in de toekomst, twijfel aan de onwankelbare trouw en liefde Gods, verwijten en zelfbeschuldiging al deze dingen wil hij in de ziel werken, om het oog van Christus af te wenden. O, welk een genade, als de ziel in zulke omstandigheden op Jezus ziet! De goede Herder is nabij met zijn vriendelijk vermanende en vertroostende stem. Het met tranen gevulde oog richt zich op Hem. "Hij is met mij," zoo kan hij juichen, "zijn stok en zijn staf, die vertroosten mij."

Doch nu betreedt de beroofde en zwaarbeproefde pelgrim in zijne ervaringen een ander pad. Hij stijgt als het ware uit de duisternis van het dal der schaduwe des doods op, het licht breekt door de wolken, en werpt heldere, verkwikkende stralen op zijnen weg. Wel is waar is, wat hij ondervond, geen droombeeld geweest. Neen, het was werkelijkheid. Overal en onder allerlei vormen zal hem zijn zwaar verlies in herinnering blijven; nooit te voren had hij zulk een eenzaam pad betreden. Maar hij doet ook tegelijkertijd de ontdekking, dat reeds velen vr hem nzelfde pad hebben betreden, dat velen met hem denzelfden zwaren weg gaan, ja, hij bemerkt zelfs, dat daar ook de voetstappen van Hem gevonden worden, die elke schrede van dien weg uit ervaring kent, en die weet te helpen degenen, die door deze arme wereld moeten gaan. Welk een heerlijke gedachte is dat! Het donkere dal met zijn ternederdrukkende ervaringen ligt achter den moeden pelgrim, en te rechter tijd denkt hij aan de liefelijke zorgen, die de Goede Herder voor hem genomen heeft, ja, komt hij tot een inniger verbintenis met Hemzelf.

"Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijne tegenpartijders." Dat wil zeggen: in het aangezicht mijner vijanden zegent mij de Heer.

De geloovige is nog wel in de woestijn, in de tegenwoordigheid zijner vijanden, maar goddelijke verkwikkingen liggen voor hem gereed, om hem op zijn weg te versterken. En in de tegenwoordigheid des Heeren zijn alle vijanden krachteloos. In vrede en zekerheid mogen wij ons aan zijne rijk voorziene tafel nederzetten en uit de volheid zijner liefde drinken, geborgen voor alle vijanden, en verkwikking vindende onder de schaduw zijner vleugelen.

Wat zegt gij hiervan, lieve lezer? Is zulk een maal geen rijke vergoeding voor het gaan door dat duistere dal? Misschien kunt gij nog niet met mij deze vraag bevestigend beantwoorden, maar zeker is het, dat, als de Heer ons leidt in een weg, de ziel, die Hem volgt, rijk gezegend wordt. Er is geen grond, om niet aan te nemen, dat zelfs terwijl men in het diepste lijden is, het hart volkomen gelukkig kan zijn in den Heer. Ja, ik geloof, dat men de beide ondervindingen gelijktijdig kan maken: de beker des lijdens en der smart, en daarbij ook de beker der geestelijke zegening overvloeiende.

"Gij maakt mijn hoofd vet niet olie." Op welk een liefelijke wijze is de pelgrim zich van de nabijheid des Heeren bewust! Gij richt de tafel toe, dat doet Gij voor mij. Ja, Gij komt nog dichter bij, Gij maakt mijn hoofd vet. O, de Heer is een koninklijk Gever. Hij richt zelf de tafel voor zijn gasten aan. En als zij komen, behandelt Hij ze als hooggezienen en hooggeachten. Hij geeft hun de eer, die den zoodanigen in het Oosten toekomt. En als zij gezeten zijn, geeft Hij hun niet karig, neen, de gast kan zeggen: Mijn beker is overvloeiende.

Kennen wij allen het stille vertrouwen, hetwelk uit de nabijheid des Heeren ons toestroomt? O, die de macht dezer tegenwoordigheid in dagen van beproeving en zwakheid ondervonden heeft, kan ze nooit meer vergeten. Als olie op het hoofd, die niet karig wordt neergestort, maar die vet maakt en een liefelijken geur verspreidt, zoo is de tegenwoordigheid des Heeren voor ons. Maar vergeten wij het niet, aan dit alles ging lijden vooraf. Eerst de bittere wateren, dan de donkere schaduw, en eindelijk aan de tafel des Konings aangezeten als geerde gasten. Eerst lijden, dan heerlijkheid. Welk een voorrecht, dat de Heer zelf ons hoofd zalft. In het Oosten geschiedt het vaak door een dienaar, maar als de heer des huizes het zelf doet, zoo is dat een nog grooter eere. Nu, het geloof kan van den Koning der koningen en Heer der heeren zeggen: "Gij hebt mijn hoofd met olie gezalfd." De tafel stelt de gemeenschap der ziel met den Heer zelf voor. En de olie een bijzonderen zegen door de leiding zijns Geestes. Hoe zalig is de toestand, waarin de gast des Konings zich nu bevindt! Zijne zegeningen zijn zonder maat. Hij, die zich voor kort in de diepte van het dal der schaduwe des doods bevond, vindt zich nu op den hoogsten trap der vreugde geplaatst en ontvangt de openbare verzekering van de gunst des Heeren. Wij moeten natuurlijk niet vergeten, dat de gunst des Heeren zich even sterk bewijzen kan in het dal der schaduwe des doods als aan zijne tafel. Maar de omstandigheden zijn verschillend. Nu vloeit de beker over. Er is groote vreugde, natuurlijk alleen in den Heer, want het tooneel hier beneden is even dor als te voren. Maar het hart geniet tengevolge van de genadebewijzen van boven, die nu juist in de omstandigheden gezien worden! Nu is het niet meer: "Mijn lijdenskelk is overvloeiende," maar ook: "Mijn beker der vreugde stroomt over." Dat heeft de Heere Jezus op volmaakte wijze ondervonden, Hij, als de Man van smarten. O, welke voorrechten hebben wij! Nauwelijks zijn er vier andere woorden der Schrift te bedenken, die z tot aanbidding nopen als deze: "Mijn beker is overvloeiende." Zittend aan de tafel des Konings, zijn maal genietend, het maal door Hemzelf bereid, het hoofd met kostelijke olie vet gemaakt, zoodat de welriekende geuren zich verspreiden, den beker tot den rand gevuld met den uitgezochten wijn des Konings wat zouden we anders kunnen doen, dan in aanbidding ons nederwerpen? Wat blijft er anders voor ons over, dan met een dankbaar hart, vol geluk en zaligheid, uit te roepen: Mijn beker is overvloeiende!

De Heer geve ons allen een vast en onwankelbaar vertrouwen op Hem als den Goeden Herder, die de zijnen niet verlaat noch begeeft, maar die voor hen zorgt en over hen waakt. Hoe zal ons dat versterken in alle moeilijkheden! Het zal ons zelfs bekwamen om te midden onzer eigene droefheid anderen te vertroosten. Ja, wij zullen kunnen spreken, gelijk onze vroegere Hoofdredacteur sprak, die thans bij den Heer is, en die, toen zijn oudste zoon naar Amerika vertrok onder zulke zorgwekkende omstandigheden, de volgende treffend schoone woorden dichtte:

 

Uw Herder is de Heer, dies zal u niets ontbreken;
Geen herder is zoo trouw als Hij,
Hij wandelt immer aan uw zij,
Hij leidt u altijd voort aan frissche waterbeken.

Hij is uw Zon en Schild in 't moeitevolle leven,
Zijn licht bestraalt uw duister pad,
Zijn sterke hand heeft u gevat,
Hij zal in elken nood gedurig uitkomst geven.

Uw hulp is van den Heer; Hij hoedt u in gevaren;
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet,
Al treft u ook het felst verdriet,
Hij zal uw wanklen voet voor struikelen bewaren.

Hij is die sterke God, die hemel, zee en aarde
Uit niet, eensklaps, heeft voortgebracht;
Die met n woord, gansch onverwacht,
Door zijn almachte kracht den woesten storm bedaarde.

Met Hem kunt gij getroost den pelgrimsweg betreden;
Nooit wordt beschaamd, wie op Hem bouwt;
En wie geheel op Hem vertrouwt
Kroont Hij, in zijn gen, met zijn goedgunstigheden.

Wij volgen u, mijn zoon! met onze smeekgebeden;
De Heer, de Hoorder van 't gebed,
Die op 't geroep der zijnen let,
Zal Raad en Helper zijn, uw Leidsman hier beneden.

Hij zal n u, n ons verlaten noch begeven;
Het eind zal zeker heerlijk zijn!
Het scheiden valt ons zwaar, doet pijn,
't Hereenen volgt, eerst hier! dan dr in 't eeuwig leven!

 

Wij hebben derhalve gezien, dat de christelijke ervaring van den geloovigen pelgrim innig vertrouwd wordt zoowel met vreugde als met smart. Dit leert ons zoowel de school des levens, waarin wij verkeeren, als ook Gods dierbaar Woord.

Maar in het laatste vers van onzen Psalm wordt de geloovige niet langer gezien met een kelk in de hand, noch met een beker der smart, noch met een beker der vreugde, maar, als ik mij zoo eens uitdrukken mag, met twee beschermengelen aan zijne zijde.

"Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het Huis des Heeren blijven in lengte van dagen."

Het eerste woord wil hier hetzelfde zeggen als voorwaar. Welk een passende, triomfeerende uiting van het geloof, een soort van jubelzang na zulke diepe en menigvuldige beproevingen en ondervindingen! Hier geen onzekerheid, geen twijfel, geen vrees. Neen, een stil en zalig vertrouwen vervult de ziel; de volle zekerheid des geloofs komt tot uiting. Het woord des Heeren is in het hart, en de persoon des Heeren staat voor de ziel.

Zie, als de gast opstaat van des Konings tafel, om zijn weg voort te zetten, blijft de eer hem volgen. Hij krijgt koninklijke begeleiders; met vorstelijke eere wordt hij achtervolgd. En wel staan de machtigen der aarde niet op, om met hun eerbewijzen en orden zijne oogen te verblinden, maar het goede en de weldadigheid staan hem ter zijde. Dat is de zoogenaamde lijfgarde van den pelgrim, terwijl hij door de woestijn gaat. Kon hij betere hebben? Onmogelijk. Zij zijn steeds tot zijn dienst bereid, zij volgen altijd, zoolang hij leeft, zij houden goede wacht. Het zijn edele, hooggeboren, onoverwinnelijke helden, en toch zoo mild en zoo vriendelijk als de reine liefde des hemels. En, mijn lezer, dit is geen drogbeeld, geen schildering der phantasie, o neen, voor het geloof kan niets zekerder zijn dan dit: "Voorwaar, het goede en de weldadigheid zullen mij volgen al de dagen mijns levens."

O, sta een oogenblik stil, lieve medereiziger, denk daarover na, en laat uw hart een weinig bij deze kostelijke waarheid verwijlen. Het goede en de weldadigheid? Waarom juist deze twee? Omdat wij die juist noodig hebben. Het goede voor al onze behoeften, de weldadigheid of genade voor al onze zwakheden en verkeerdheden. Slechts z kunnen wij al de dagen des levens door alles heenkomen. -

Wij mogen nu wel zeggen, dat onze pelgrim, dien wij zoo lang gevolgd hebben op zijn weg door vreugde en leed, thans aan het einde van het laatste vers aan een punt gekomen is, vanwaar hij het verleden, het heden en de toekomst overziet. Hij is door smart en lijden heengegaan. Hij kent de groene weiden en de stille waterbeken. Hij heeft de bittere wateren van Mara gesmaakt en is door hare diepten gegaan. Hij is voortgegaan op het pad, hoewel er bijna geen licht op scheen. Maar hij heeft k ervaren, dat de Koning zijne tafel heeft toegericht, den wel toebereiden disch, dat zijn hoofd met olie werd vet gemaakt en zijn beker overvloeiende was. En als hij aan dit alles denkt, als hij het voorafgaande overpeinst, en het tegenwoordige overziet, dan kan hij in waarheid zeggen: "Het goede en de weldadigheid volgen mij al de dagen mijns levens." Maar dan weet hij k, dat alles voor de toekomst in orde is gebracht, dan denkt hij er aan, dat zijn pelgrimsreis niet altijd zal duren, en dan komt het vreugdevol over zijne lippen: "En ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen."

O, dat vervult den pelgrim met de grootste blijdschap. Hoe goed hij het hier heeft, in gemeenschap met zijnen Heer, er blijft, hier altijd zwakheid, droefheid en ellende. En daarom zingt hij uit volle borst:

 

Hoe zal 't ons zijn, wanneer wij opgenomen
Van 't aardsch tooneel, verlost uit allen strijd,
Uit onze vreemd'lingschap in Sion komen
En ingaan door de poort der eeuwigheid.
Als wij het stof ons schudden van de voeten,
En 't laatste zweet van 't voorhoofd wordt gewischt,
En wij dat heil aanschouwen en begroeten,
Welks hoop zoo vaak den pelgrim hier verfrischt.

 

Reeds vooruit geniet de pelgrim van die eeuwige heerlijkheid, van zijn toekomstig lot. Met vreugde en dank wordt zijn hart vervuld bij de gedachte daaraan. Alles is helder en goed om hem heen; maar de ure, dat hij in het Huis des Heeren zal treden, om er altijd te blijven, is de heerlijkste en gelukkigste van allen!

En zoo zijn wij dan aan het einde onzer beschouwingen over den 23sten psalm. Meer, oneindig veel meer ligt er in opgesloten, dan de enkele gedachten, die wij er over uitgesproken hebben. Maar wat wij er van overdachten is genoeg, meer dan genoeg, om ons in aanbidding voor onzen Goeden Herder te doen nedervallen.

Spoedig, zeer spoedig zullen wij bij Hem zijn; zullen wij ons heerlijk tehuis binnentreden, waar de moede pelgrims allen rusten van den aardschen strijd O, Heer, schenk ons getrouw te zijn, en leer ons allen uit den grond onzes harten en met oprechtheid te zeggen: "De Heer is mijn Herder. Immers zullen mij het, goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het Huis des Heeren blijven in lengte van dagen!"