De gaven en ambten in de Gemeente.

(2)

Wij hebben onderzocht, wat de Schrift ons leert omtrent de gaven in de Gemeente, en wij willen thans nagaan, wat ons over de ambten gezegd wordt.

In het begin van ons vorig artikel zeiden wij, dat de gaven en ambten van elkander gansch onderscheiden zijn. Gaven zijn geen ambten en ambten zijn geen gaven; en hij, die een ambt bekleedde, behoefde niet noodzakelijkerwijze een gave te bezitten. Dit blijkt duidelijk uit 1 Tim. V : 17, waar de Apostel zegt tot zijnen geliefden zoon in Christus en tot zijnen medearbeider in het Evangelie: "Dat de ouderlingen, die wel besturen, dubbele eer worden waardig geacht, vooral die arbeiden in woord en leer." Het arbeiden in woord en leer was dus geen vereischte voor het ouderlingambt. Een ouderling moest de gemeente besturen. Deed hij dit goed, dan moest hij dubbele eer waardig worden geacht. En indien hij behalve zijn ambt als ouderling de gave had ontvangen om te leeren, dan moest hij nog hooger worden geacht. Zoodat het onderscheid tusschen gave en ambt hier duidelijk uitkomt.

Dit wordt ons nog duidelijker, als wij er onze aandacht bij bepalen, dat hij, die een ambt had, aan ééne plaats was verbonden. Een ouderling in de gemeente te Filippi was geen ouderling te Rome. Een diaken, die uit Jeruzalem verdreven werd door de vervolging, hield op een diaken te zijn. Alleen in de plaats, waar hij aangesteld was, had hij te besturen, in een andere plaats had hij niets te zeggen. Wie daarentegen een gave had ontvangen, bezat die niet voor een bijzondere plaats, maar voor het geheele lichaam. Had iemand de gave van evangelist of leeraar, dan kon hij overal het evangelie verkondigen en in elke gemeente leeren. Een ouderling mocht alleen in de gemeente, waar hij aangesteld was, zijn bestuur uitoefenen; wilde hij dit in een andere gemeente doen, dan overschreed hij zijne macht, en matigde zich iets aan wat hem niet toekwam. Een evangelist of leeraar daarentegen zou aan zijn roeping te kort doen, indien hij niet overal, waar hij kwam, predikte en leerde. Daarom lezen wij wel van ouderlingen te Filippi en van diakenen te Jeruzalem, maar nooit van den evangelist voor die of die plaats, of van den leeraar der gemeente te Korinthe, te Rome enz. Iets dergelijks is in de Schrift niet bekend. Ieder die leeraar was, omdat hij die gave van den Heer ontvangen had, was overal, waar hij kwam, leeraar, en was verantwoordelijk om zijne gave uit te oefenen. Een ouderling of diaken echter was gebonden aan de plaats, waar hij aangesteld was, en had buiten die plaats geen recht om als opziener op te treden.

Zooals reeds uit het gezegde blijkt: er waren twee ambten in de gemeente, namelijk ouderlingen en diakenen. Ouderlingen waren om opzicht over de gemeente te houden; diakenen om de armen te verzorgen.

Een ouderling was een opziener. Ouderling heet in het Grieksch presbyter, (vandaar de Presbyteriaansche Kerk, dat is de kerk, waar de presbyters de hoogste macht bekleeden,) opziener heet episcopos, waarvan het woord bisschop is ontstaan. In een groot gedeelte van de christelijke kerk heeft men er twee ambten van gemaakt. Dit is evenwel geheel tegen de Schrift. Laat mij twee plaatsen ten bewijze daarvoor aanvoeren. Vooreerst Hand. XX, waar Paulus tot de ouderlingen van de gemeente te Efeze, die hij naar Miléte had ontboden om afscheid van hen te nemen, zegt in vs. 28: "Zoo hebt dan acht op uzelven, en op de geheele kudde, in welke u de Heilige Geest tot opzieners (episcopoi) gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij zich verworven heeft door het bloed zijns eigenen Zoons." En ten tweede Titus 1, waar Paulus aan Titus schrijft: "Ik heb u daarom op Creta gelaten, opdat gij in elke stad ouderlingen zoudt aanstellen", en als hij dan aangeeft, wie tot ouderling mocht worden aangesteld, zegt hij: "Want een opziener moet onberispelijk zijn." Het is dus zoo duidelijk mogelijk, dat een ouderling een opziener, en een opziener een ouderling was, en er geen twee ambten - één van ouderling en één van opziener bestond.

Uit de eerste plaats vernemen wij, welk een zware verantwoordelijkheid er op de ouderlingen rustte. Zij moesten achtgeven vooreerst op zichzelven, opdat zij recht wandelden en de gezindheid des Heeren hadden, en dan achtgeven op de geheele kudde, over welke de Heilige Geest hen tot opzieners gesteld had, om de gemeente Gods te weiden. Daarom worden ook in de brieven aan Timotheüs en Titus opgegeven, welke vereischten er moesten gesteld worden aan degenen, die tot ouderlingen werden aangesteld. Men leze wat Paulus in 1 Tim. III en in Titus I omtrent de ouderlingen zegt, en men zal zien, dat slechts weinige broeders in de gemeente aan de vereischten van het ouderlingambt voldeden. "De opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, ingetogen, deftig, gastvrij, bekwaam om te leeren, geen drinker, geen vechter, maar bescheiden, niet twistziek, niet geldgierig, zijn eigen huis goed besturende, zijne kinderen in onderdanigheid houdende met alle eerbaarheid, (want indien iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente Gods?) geen nieuweling, opdat bij niet opgeblazen wordende, in dezelfde misdaad als de duivel vervalle, (dat is zich door hoogmoed tegen God verheffe.) En hij moet ook een goede getuigenis hebben van hen, die buiten zijn." Voorwaar, een ieder, die naar zulk een ambt stond, zou, als hij de verantwoordelijkheid er van gevoelde, wel met schroom de plaats innemen, die hem werd aangewezen, al wordt ook het werk, dat hij verrichtte, "een voortreffelijk werk" genoemd.

Wij hebben uit de reeds aangevoerde plaats in Hand. XX vernomen, dat het de Heilige Geest zelf was, die hen in deze dienst aanstelde. Hij bediende zich daartoe, gelijk wij uit andere plaatsen der Schrift zien, van de Apostelen en van eenige door hen daartoe bijzonder aangestelde dienaren der kerk. Wij lezen in Hand. XIV : 23 van Paulus en Barnabas: "Nadat zij hun in elke gemeente ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in wien zij geloofd hadden." Dan vinden wij in de brieven aan Timotheüs en Titus, dat deze beide dienaren der gemeente van den Apostel volmacht hadden ontvangen, om ouderlingen of opzieners in de gemeente aan te stellen. Timotheüs werd wel is waar, niet rechtstreeks tot deze dienst geroepen. Hij was eigenlijk door den Apostel te Efeze achtergelaten, om over de leer te waken; maar hij werd toch door dezen met de noodige eigenschappen van een opziener bekend gemaakt. Titus echter werd bepaald tot dit doel op Creta achtergelaten, "om in iedere stad ouderlingen aan te stellen." (Hoofdst. 1 : 5.) - Verder vinden wij over de aanstelling van ouderlingen niets in het Woord. Wij zien alzoo zeer duidelijk, dat het uitsluitend een zaak der Apostelen en van de door hen gevolmachtigden was, ouderlingen of opzieners aan te stellen. Wij vinden echter nergens in het Woord Gods, dat de Apostelen met eenige gemeente over dit onderwerp gehandeld hebben. De aangevoerde brieven van Timotheüs en Titus waren slechts voor deze beide dienaren en niet voor eenige gemeente. De gemeenten moesten bediend worden, maar niet de dienst verrichten. Hoe onnatuurlijk is het derhalve, wanneer thans een vergadering van Christenen, en nog wel zonder eenig bevel, zich op het standpunt van Timotheüs of van Titus plaatst, en hare eigene dienares wordt; en indien zij de aan Timotheüs en Titus nauwkeurig aangeduide vereischten van een opziener, als voor haar gegeven beschouwt en op dezen grondslag voor zichzelve ouderlingen aanstelt! Nooit kan eenige andere dienaar der kerk zeggen: Wat aan Timotheüs en Titus is opgedragen, is ook mij opgedragen. Zou een heer niet tot zijnen dienstknecht zeggen, dat deze een aanmatigend mensch is, indien hij op ieder werk, dat zijn heer aan een anderen dienstknecht had opgedragen, aanspraak wilde maken? Dit is duidelijk; zou het echter niet evenzoo met de dienstknechten Gods het geval zijn? Maar wij zullen ook altijd ondervinden, dat ieder geloovige afzonderlijk, indien hij oprecht is, de vraag (of hem door God gelast is, ouderlingen aan te stellen) nooit met ja zal beantwoorden. Hij verricht evenwel toch evengoed deze handeling in gemeenschap met anderen, die voor zich insgelijks erkennen zullen, dat zij daartoe niet gelast zijn. Wij zijn echter voor alles wat wij doen, aan God verantwoording schuldig. Zal echter de verantwoordelijkheid voor een ieder afzonderlijk in deze zaak ophouden, indien hij haar in gemeenschap met anderen verricht? Durft hij in gemeenschap met anderen iets uit te voeren, waarmede God noch hem noch die anderen belast heeft? Kan hij iets ter eere Gods en in den naam van Jezus doen, wat God hem niet geboden heeft te doen? Velen mogen wel is waar denken dat juist een vergadering, omdat hare leden door persoonlijken omgang elkander nauwkeurig kennen, het meest geschikt is, de waardigste mannen er uit te kiezen, en als ouderlingen aan te stellen; de Heilige Geest heeft evenwel niet zoo gedacht. Hij droeg deze aanstelling aan bijzondere dienaren der gemeente op. Zij alleen waren met deze dienst belast, en zij wisten zeker dat dit werk van God was, en zij zijnen naam verheerlijkten, indien zij het waardig ten uitvoer brachten.

Maar laat ons ook dit nog ter harte nemen: De Heer kende van te voren het treurig verval der kerk op aarde, en heeft ons daarmede in zijne trouwe voorzorg, zelfs tot aan zijn hoogste punt toe, bekend gemaakt. Daarvan echter zijn wij ook zeker overtuigd dat Hij de zijnen ten allen tijde volkomen lief heeft en hen nooit overgeven noch vergeten kan. - Zou Hij nu, indien het zijn welbehagelijke wil geweest ware, dat na het verscheiden der Apostelen en hunner afgevaardigden, de gemeenten of de geloovigen voor zichzelven ouderlingen benoemen of aanstellen zouden, dit niet door een enkel woord in de Heilige Schrift hun bekend gemaakt hebben? Zeer zeker. Hij heeft ons evenwel niets daarover gezegd, en derhalve zullen ook wij, indien althans onze harten ootmoedig aan den Heer onderwerpen zijn, niets in deze zaak doen. Wij mogen niet verder gaan, dan Hij ons veroorlooft en aanwijst te gaan, anders houden wij op, afhankelijk en onderworpen te zijn. Al meenen wij zelfs, dat in het ééne geval een groot verlies en in het andere een groot voordeel voor ons lag - ons betaamt slechts ootmoedige overgegevenheid en volkomene onderwerping. Eéne zaak is volkomen zeker, en wél ons dat zij zulks is: God, indien Hij ons zegenen wil, is aan niets gebonden, aan geen reglement, aan geen persoon, ook niet aan eenig ambt in de gemeente. Hij is in zijne genade en liefde jegens de zijnen te allen tijde vrij en onafhankelijk.

De opzienersdienst of het ouderlingambt, als zoodanig, is alzoo thans in de gemeente niet meer voorhanden, aangezien aan niemand door God het gezag is verleend, dit ambt te begeven of ook te herstellen. En indien men zoekt te bewijzen, dat er na den Apostolischen tijd altijd ouderlingen in de gemeente hebben bestaan, dan kan nog veel duidelijker bewezen worden, dat de afval reeds gedurende den leeftijd der Apostelen bestond en spoedig daarna zeer toenam, en dat in de gemeenten nog veel treuriger zaken plaats hadden, dan zonder goddelijk gezag ouderlingen aan te stellen. Maar overigens is ook slechts het Woord Gods ons richtsnoer in alle dingen, en niet de kerkgeschiedenis - deze treurige geschiedenis van haar verval.

En indien dan nu in een plaats verschillende kerkgenootschappen of gemeenten zijn, door namen, belijdenis en andere dingen onderscheiden, die voor zichzelven ouderlingen gekozen of benoemd hebben, welken onder dezen moeten wij erkennen als door den Heiligen Geest aangesteld? Geen enkele, omdat God er geen erkent! En God kan hen daarom niet als zoodanig erkennen, omdat Hij, gelijk reeds gezegd is, niemand tot hunne aanstelling gemachtigd heeft. Voorts hebben wij, hetgeen evenzoo opmerkelijk is, te voren duidelijk uit het Woord Gods gezien, dat God geen kerkelijke partij of gemeente aanneemt, maar allen die daaraan deelnemen, bestraft en als vleeschelijk kenteekent; en Hij kan alzoo niets aannemen wat op dezen grondslag gebouwd wordt.

Verder zien wij in de Heilige Schrift, dat de door den Geest Gods aangestelde opzieners of ouderlingen nooit deze dienst voor sommige, maar voor alle Christenen aan ééne plaats hadden. En al de geloovigen, die zich aldaar bevonden, werden ernstig vermaand, hen als zoodanig op een waardige wijze te erkennen en hen in eere te houden. Wanneer alzoo eenige kerk of gemeente van hare ouderlingen beweert, dat zij door den Heiligen Geest in hun ambt gesteld zijn, verklaart zij daardoor, dat alle Christenen van die plaats verplicht zijn, dezen ouderlingen te gehoorzamen. Beweert zij echter, dat deze ouderlingen slechts voor hare gemeente zijn, dan zijn zij niet door den Heiligen Geest in hun ambt geplaatst, en derhalve heeft alsdan ook niemand hen te erkennen, en hen onderdanig te zijn. - Wat zou men ook echter thans moeten doen, ingeval de geloovigen de macht hadden tot aanstelling van ouderlingen, indien op ééne plaats meerdere en dikwijls zelfs zeer verschillende gemeenten met hare ouderlingen zijn? Zou niet, een ieder van haar gelooven volkomen het recht te hebben, van ons te eischen, ons bij hare partij te voegen! Maar God wil, dat wij aan geen enkele partij behooren zullen.

Het zij mij geoorloofd hier nu nog aan een ander voorwendsel te herinneren, waarop zoo vele Christenen het recht om ouderlingen aan te stellen gronden. Zij zeggen: Wij hebben allen de behoefte gevoeld, bepaalde ouderlingen te hebben, door welken de onordelijken in ons midden terecht gewezen en alle dingen onder ons trouw behartigd worden. Dan hebben wij ons ook bij deze aangelegenheid niet op onszelven verlaten, maar hebben ons gemeenschappelijk in het gebed tot God gewend, die toch ook in den eersten tijd de gemeenten van ouderlingen voorzag; en eerst daarna hebben wij geloovige mannen, welke wij, misschien eenstemmig, voor de waardigste onder ons hielden, tot dit ambt gekozen en aangesteld, of hun openlijk onze erkenning bekend gemaakt. - Zulke uitingen mogen vele, zelfs oprechte zielen volkomen bevredigen; maar deze bevrediging is niet uit God. - De behoefte om ouderlingen te hebben, komt dikwijls uit een verwerpelijke reden voort. Men zoekt zoo gaarne de persoonlijke, gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor den toestand der gemeente te ontgaan, en haar sommigen op te leggen: maar God ontslaat ons niet. - Het is zeker waar, dat God in den eersten tijd aan de gemeenten ouderlingen gegeven heeft; maar is Hij nu daarom altijd aan dezen weg gebonden, indien Hij ons zegenen wil? Zijn niet zulke gebeden om ouderlingen dikwijls slechts een bewijs van gebrek aan vertrouwen op God? Verder hebben wij uit de Heilige Schrift duidelijk gezien, dat God een gemeente als partij niet kan erkennen en haar vleeschelijk noemt; zou Hij nu, de onwetendheid zijner kinderen in aanmerking nemende, zijn karakter verloochenen, en in strijd met zijn Woord zulk een partijgemeente ouderlingen geven, en haar daardoor op dezen grond erkennen? - De Apostel Johannes zegt: "En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem, hebben, dat, indien wij iets bidden naar zijnen wil, Hij ons hoort." (1 Joh. V: 14.) Maar kunnen wij ook van zijne verhooring zeker zijn, indien wij niet naar zijnen wil bidden, gelijk het ten opzichte van de voor ons liggende zaak geschiedt? Voorzeker niet, en toch gaat men daarin voort, als ware men verhoord, en stelt zich tevreden, omdat men toch gebeden heeft.

Ik geef nu wel gaarne toe, dat sommige van deze gemeenten waardige mannen als ouderlingen onder zich hebben aangesteld, die voor velen tot zegen zijn; maar zij zijn dààrom niet gezegend, omdat zij eenigszins door God op dit standpunt, als door den. Heiligen Geest aangesteld, erkend worden; maar Hij zegent hen, omdat zij getrouw zijn en gewillig dienen, want dezulken zegent God overal en te allen tijde. Maar dit ambt, als zoodanig, is veeleer een hindernis voor hen, omdat juist daardoor hunne dienst binnen een zekere partij beperkt is, en minder de overige geloovigen bereiken kan.

Vele Christenen zijn ook van meening, dat slechts dààr waar men ouderlingen aangesteld heeft, een geregelde orde zijn kan; en waar zij ontbreken, daar moet alles spoedig in wanorde opgelost worden. Dit zijn echter slechts menschelijke gedachten, mijne broeders! de Heer is voorzeker niet aan een ambt of eenigen dienaar gebonden, om in zijne gemeente de orde te bewaren. En was er geen wanorde toen de Heilige Geest ouderlingen aangesteld had?

Wij zien het toch duidelijk uit de Heilige Schrift, dat zelfs de Apostelen, met alle ouderlingen en dienaren der kerk te zamen, niet bekwaam waren, de orde te bewaren. Het hoogmoedige en ongebrokene hart onderwerpt zich niet, ook zelfs niet aan de door God verordende en door alle geloovigen erkende dienaren der gemeente; maar de ootmoedige Christen onderwerpt zich altijd aan het woord der vermaning van waar het ook komen moge - Johannes zegt in zijnen derden brief: "Ik heb aan de gemeente iets geschreven, maar Diötrefes, die onder hen gaarne de eerste zou zijn, neemt ons niet aan." (vs. 9.) Hij was een Apostel van Jezus Christus, maar bij dezen Diötrefes vond hij toch nog geen erkenning en aanneming. In Korinthe, alwaar de Apostel Paulus zelf een jaar en zes maanden het Woord Gods verkondigd had, vinden wij spoedig daarna een groote wanorde. (2 Kor. II : 4.) Bijna in ieder hoofdstuk van den eersten brief vermaant de Apostel iets anders. In het eerste en derde hoofdstuk spreekt hij van de scheuringen; in het vierde van de verloochening van hun standpunt als vreemdelingen in deze wereld; in het vijfde van de schrikkelijke hoererij onder hen; in het zesde van het ten gerichte gaan der broeders, zelfs voor ongeloovige rechters; in het achtste en tiende van de deelneming aan het afgodenoffer; in het elfde van de treurige wanorde bij het avondmaal, en in het veertiende van verschillende ongeregeldheden bij het te zamen komen tot opbouwing. - Deze treurige toestand der gemeente heeft sommigen in de meening gebracht, dat aldaar geen ouderlingen geweest zijn, omdat de Apostel ook met geen enkel woord van hen gewaagt. Vooronderstelt dus, dat deze meening gegrond zij, - waarom stelt dan de Apostel, wien de toestand van iedere gemeente zoozeer ter harte ging, niet dadelijk sommige ouderlingen aan, indien deze toch tot herstel der orde van zulk een groot nut geweest waren? Of indien aldaar werkelijk ouderlingen waren, - waarom wendt zich de Apostel niet voornamelijk tot dezen, indien de bewaring der orde van hen afhankelijk was? Voorzeker, vele Christenen onzer dagen zouden deze wanorde òf aan het gebrek aan ouderlingen, òf aan hunne, ontrouw toegeschreven hebben. De Apostel doet echter noch het een noch het ander. Hij werkt door het Woord op het geweten van ieder afzonderlijk, en zoekt bij allen het gevoel van verantwoordelijkheid te voorschijn te roepen.

Menigeen zou kunnen zeggen: Indien het ouderlingambt niet meer bestaat, dan staat voor ons tevergeefs in de Schrift: "Indien iemand lust heeft tot een opzienersambt, dan begeert hij een treffelijk werk." In geenen deele. Het ambt als zoodanig is niet meer aanwezig, en aan niemand is door God de macht gegeven het weder te herstellen, en met dezen titel personen, gelijk in den beginne, openlijk aan te stellen; maar het werk zelf, juist dat, wat de Apostel roemt, kon uithoofde van zijne gezegende voorrechten ten allen tijde door getrouwe Christenen zonder ambtelijke aanstelling verricht en uitgeoefend worden. En dit is de hoofdzaak. God zal nooit de dienst der vrijwillige liefde voor de zijnen gering schatten of verachten. - De Apostel schrijft aan de Hebreërs: "Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk, zou vergeten, in den arbeid der liefde, die gij, daar gij de heiligen gediend hebt, en dient, voor zijnen naam bewezen hebt.'' (Hoofdst. VI : 10.) De Heilige Geest laat door den Apostel alle geloovigen aanmoedigen tot een dienst, die anders voornamelijk aan de ouderlingen was toevertrouwd. Wij lezen bijv. in 1 Thess. V : 14, 15: "En wij vermanen u, broeders! vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen. Ziet toe, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde, maar jaagt te allen tijde het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen." Evenzoo Hebr. X : 24, 25. "En laat ons op elkander acht geven tot opscherping der liefde en der goede werken, en laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen, en dat zooveel te meer als gij ziet, dat de dag nadert." - Dergelijke vermaningen vinden wij op vele plaatsen van het Woord Gods. Het veld is uitgebreid genoeg voor allen om te arbeiden, en het ontbreekt niet aan behoeften onder de heiligen, om zijne liefde aan hen te bewijzen en met de door God verleende gaven te dienen. Wij hebben voorzeker niet noodig, ons om die reden in den engen kring eener partij in te sluiten, waar het hart zoo licht eng, koud en onverschillig wordt jegens de geliefden Gods, die zich niet in dezen kring bevinden. O, mijne broeders! laat het ons toch erkennen, dat wij in het algemeen een groote en voortdurende genade behoeven om te midden der partijen van allerlei soort in iedere betrekking, niet alleen uitwendig, maar ook inwendig, van allen partijgeest bewaard te blijven; en hoe dikwijls gebeurt het, dat dezulken, die tot een partij behooren in de vergenoegdheid over hun eigen gebouwd huisje, de behoeften en gebreken van het huis Gods vergeten. - Al mogen ook velen onzen dienst der liefde verachten en de aan ons door God verleende gaven niet erkennen, het is slechts schade voor hen; voor ons geldt slechts deze ééne vraag, of God ons erkent, of wij in zijnen naam en tot zijne eer de van Hem ontvangene gaven getrouw besteden. Onze dienst behoort den Heer, en voor Hem alleen zijn wij verantwoordelijk. Hoe vele liefelijke getuigenissen vinden wij echter in het Woord Gods van heiligen, wier getrouwe dienst, zonder in een openbaar ambt geplaatst te zijn, voor de gemeenten zoo gezegend was. Ik herinner voornamelijk aan het 16e hoofdst. van den brief aan de Romeinen, alwaar wij bij de groetenissen des Apostels aan enkele personen zoovele heerlijke getuigenissen omtrent hunne dienst aantreffen. - Verder lezen wij in 1 Kor. XVI : 15, 16 : "En ik bid u, broeders! gij kent het huis van Stéfanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zich den heiligen ten dienste hebben gesteld; weest ook gij aan dezulken onderdanig en aan een ieder, die medewerkt en arbeidt." Wie had dezen tot de dienst der heiligen verordend? Zijzelven hadden het gedaan. Wie erkende hen? God - en dit was genoeg. En van de geloovigen wordt door den Apostel geëischt: "dezulken en een ieder, die medewerkt en arbeidt, onderdanig te zijn." De getrouwe dienst in den naam van Jezus is de ware wettiging voor alle geloovigen; en God beloont onze trouw en niet onze erkenning en aanstelling door menschen. Het zijn echter verlorene uren, mijne broeders, en vergeefsche pogingen, die wij tot het daarstellen. eener partij besteden, aangezien het welbehagen Gods daarmede niet verbonden is, en wij derhalve zijne goedkeuring niet kunnen verkrijgen; en hoe dikwijls treffen wij geloovigen aan, die, wanneer hunne harten met partijdige bedoelingen vervuld zijn, met zorg en onrust voortgaan, indien deze bedoelingen verijdeld worden, of die zeer liefdeloos over broeders oordeelen, indien dezen uit vreeze Gods geen deel daaraan nemen.

Ten slotte zij het mij veroorloofd ten opzichte van de voor ons liggende vraag over de ouderlingen slechts nog ééne opmerking te maken. - Onder de Christenen uit de Heidenen vinden wij zeer duidelijk, dat de ouderlingen door de Apostelen, of door degenen, die volmacht van hen ontvangen hadden, gekozen en in de gemeenten aangesteld werden. Dezen waren alzoo met een bepaald ambt belast. Men vindt echter geen spoor van een aanstelling van ouderlingen op deze bepaalde wijze onder de Christenen uit de Joden. Wanneer wij bijv. de vermaning in 1 Petr. V : 5 lezen : "Gij jongen zijt den ouden onderdanig," dan treedt hier duidelijk aan het licht, dat de hier vermelde ouden zulke personen in de gemeente waren, die zich door ouderdom, of door ervaring, of door inzicht, of door een ernstig en standvastig gedrag onderscheidden. Wij weten, dat alle geloovigen hunnen ouderlingen moesten onderdanig zijn, en zij allen worden in de hier aangehaalde vermaning, tegenover hen, aan wie zij moesten onderdanig zijn, als de jongeren aangeduid, waardoor alzoo een ieders standpunt gekenschetst wordt. Door den naam "oude" wordt hier dus minder een bepaald ambt uitgedrukt, maar veel meer de tegenstelling tot de jongen, gelijk wij toch ook onder de Joden de klasse of stand van ouderlingen dikwijls vermeld vinden. - In dezen zin waren ook Johannes en Petrus ouderlingen, welke namen zij zichzelven gaven. En op dezelfde wijze vinden wij ook in den brief van Jakobus de ouderlingen vermeld: "Is iemand krank onder u, -dat hij de ouderlingen der gemeente tot zich roepe .... En het gebed des geloofs zal den zieke behouden." (hoofdst. V : 14, 15.) Dit gebed tot redding is echter zeker niet aan het ambt van een ouderling verbonden.

Het tweede ambt in de Gemeente is dat van diakenen of dienaren. Zij werden het eerst aangesteld te Jeruzalem, toen het getal der geloovigen zóó groot geworden was, dat er mannen noodig waren om voor de behoeften der armen te zorgen. In Hand. VI lezen wij dat in de dagen, toen de discipelen te Jeruzalem vermenigvuldigden, er een murmureering ontstond van de Griekschen tegen de Hebreën, omdat hunne weduwen in de dagelijksche bediening werden voorbijgezien. Hierop roepen de twaalf Apostelen de menigte der discipelen bijeen, en zeiden: "Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen: Ziet dan om, broeders! naar zeven mannen uit u, van goede getuigenis, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, die` wij over deze zaak zullen stellen. Maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des woords." Dit woord behaagde aan de gansche menigte, en zij kozen zeven mannen uit hen, die zij voor de Apostelen stelden, welke voor hen baden en hun de handen opleiden.

Van het verkiezen en aanstellen van diakenen lezen wij verder niets in de Schrift. Alleen vinden wij in den eersten brief aan Timotheüs de noodige eigenschappen van een diaken aangegeven'. "De diakenen desgelijks moeten zijn eerbaar, niet tweetongig, niet overgegeven aan veel wijns, geen vuilgewinzoekers, bewarende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten." Ook wordt Timotheüs er door den Apostel opmerkzaam op gemaakt, dat hij niet te spoedig iemand tot diaken moest aanstellen maar hem eerst moest beproeven, of hij voor dit ambt de noodige geschiktheid had. Hadden de diakenen gaven om in het woord te dienen, dan behoorden zij die tot eer des Heeren te besteden, gelijk zulks door Stefanus en Filippus gedaan werd. (Zie Hand. VII en VIII.) En de Apostel betuigt tevens, dat het ambt der diakenen, indien het met trouw en nauwgezetheid werd waargenomen, met grooten zegen werd beloond. "Want die goed gediend hebben, verwerven zich een goeden opgang en veel vrijmoedigheid in het geloof, dat in Christus Jezus is" (1 Tim. II : 13.)

In de wijze van aanstellen der ouderlingen en der diakenen is een belangrijk onderscheid. De ouderlingen werden niet door de gemeente gekozen, de diakenen wel. Dit ligt in den aard der zaak. Een ouderling was een opziener der gemeente, en het spreekt vanzelf, dat de gemeente haar eigen opziener niet kiest. Deze werden verkoren door de Apostelen of door hunne afgezanten, welke daartoe opdracht ontvingen van den Heer. De diakenen waren armverzorgers, die het geld of het goed, 't welk door de gemeente gegeven werd, aan de armen uitdeelden. De gemeente verkoos uit haar midden de zoodanigen tot diakenen, die daartoe de geschiktheid hadden, en in wie zij vertrouwen stelde.

Opmerkelijk is het, dat de gemeente eerst diakenen verkoren en aangesteld heeft, toen er reeds duizenden leden aanwezig waren, en zij reeds eenige jaren zonder hen had bestaan. Eerst toen het bleek, dat er afzonderlijke personen noodig waren, om in de vele behoeften der armen te voorzien, werden de diakenen aangesteld. Welk een dwaasheid is het dus te zeggen, dat men behoefte gevoelt diakenen aan te stellen in een gemeente of vergadering, waar geen honderd leden aanwezig zijn.

De Heer geve ons het rechte inzicht ook in deze aangelegenheid. De Heilige Geest alleen heeft het recht beschikkingen in de gemeente te maken, dienaren en ambtsdragers aan te stellen en elke gave naar zijn welgevallen uit te deelen. Elke inbreuk op dit recht van de zijde der menschen is aanmatiging. Nimmer mogen wij naar eigen meening of goeddunken in de gemeente handelen, zelfs niet in kleine dingen. Ons betaamt in alles volkomene onderworpenheid en afhankelijkheid, en hoe meer ware vreeze Gods in onze harten woont, des te voorzichtiger zullen wij in de dingen Gods handelen. Moge deze gezindheid ons ook in deze belangrijke zaak leiden, opdat wij niet onzen eigen wil doen, maar den wil van Hem, die alles ordent en regelt naar zijn welbehagen, ons ten zegen!