Correspondentie.

 

35. A.V. te Zwolle. - NazireŽr, in het Hebreeuwsch Nadzir, is afgeleid van het stamwoord Nadzar, 'twelk zich afzonderen beteekent; zoodat NazireŽr beteekent afgezonderde. Het was iemand, die zich verbond om een van de wereld afgezonderd leven te leiden met het doel om zich geheel en onverdeeld aan de dienst des Heeren toe te wijden. Dit kon voor een bepaalden tijd of ook voor het geheele leven geschieden. In Num. VI lezen wij de wet des NazireŽrschaps en de verordeningen, die moesten worden opgevolgd, wanneer de dagen van iemands NazireŽrschap vervuld waren. Simson (Richt. XIII : 5, 14.) SamuŽl (1 Sam. I : 11.) en Johannes de Dooper (Luk. I : 15.) waren NazireŽrs voor het geheele leven.

Nazarťner is een inwoner van het stadje Nazareth, en heeft dus niets met NazireŽr te maken. Het komt alleen in het Nieuwe Testament voor, en wordt uitsluitend van den Heere Jezus gebezigd, en wel om aan te duiden van welke geringe afkomst Hij was en hoe onaanzienlijk zijne verschijning was. In Matth. II : 23 wordt gezegd: "en hij kwam en woonde in een stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeten: Hij zal Nazarťner genoemd worden." Dit moet in algemeenen zin worden opgevat, want er is geen enkele bepaalde plaats in het Oude Testament, waar deze naam voorkomt. Wel wordt daarentegen op vele plaatsen in de Profeten van de geringe af komst en de onaanzienlijke verschijning van IsraŽls Messias gesproken.


36. J.K. te Steeg. - In mijne beschouwing over den brief aan de HebreŽrs heb ik over Hoofdst. X vs. 24 en 25 gezegd: "Laat ons op elkander acht geven tot opscherping van liefde en goede werken. Als een der heiligen in gevaar zou zijn om af te wijken, laat ons hem waarschuwen, met liefde omgeven, ondersteunen en sterken, opdat de liefde niet verkoele en de goede werken niet ophouden. En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen om die bijeenkomst getrouw bij te wonen, en dat zooveel te meer, als gij ziet, dat de dag van Christus, de dag zijner heerlijkheid, nadert. Onze onderlinge bijeenkomst, dat is de bijeenkomst onder elkander, de bijeenkomst der familie Gods. Er is maar ťťne familie Gods, en daarom ook maar ťťne onderlinge bijeenkomst. Die bij te wonen is ons heilig voorrecht en onze dure roeping. Daar worden wij gesterkt door het onderling geloof en de onderlinge gemeenschap; daar verheerlijken wij gezamenlijk onzen God en Vader, en buigen ons neer voor het Lam, dat geslacht is; en daar verheugen wij ons te zamen in de heerlijke toekomst, die ons wacht."