Het getrouwe overblijfsel in onze dagen.

 

(Openb. III : 7-13.)

 

De brieven aan de gemeenten te Filadelfia en Laodicéa beslaan een merkwaardige plaats onder de zeven brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië, niet alleen omdat zij het slot vormen van de profetische geschiedenis der christelijke kerk op aarde, maar ook, en vooral, omdat hun inhoud geheel verschilt van den inhoud der overige brieven. In den brief aan Filadelfia vinden wij geen enkele berisping, in dien aan Laodicéa geen enkele loftuiting. In de vorige brieven werd ons het toenemend verval der christelijke kerk geschilderd. Het verlaten der eerste liefde, niet tegengehouden noch teruggekeerd door de zware vervolgingen, welke de Heer als kastijding over zijne gemeente deed komen, bracht haar tot een openlijke vereeniging met de wereld waaruit als noodzakelijk gevolg de grofste dwalingen en de ergerlijkste afgoderij voortsproten, zooals die in de Roomsche kerk der Middeleeuwen gevonden werden en nog steeds, hoewel in gewijzigden vorm, die kerk beheerschen en haar voor het oordeel doen rijpen. De Protestantsche kerk, ontstaan door de Hervorming in de vijftiende eeuw, toen de machtige werking van Gods Geest duizenden uit den zondeslaap wakker schudde en van de roomsche dwalingen meer of minder reinigde, verviel weldra tot een koud en dood formalisme, zoodat zij, evenals de wereld, door de komst des Heeren zal worden overvallen. Doch evenals er in de Roomsche kerk - in Thyatire - een overblijfsel naar de verkiezing der genade gevonden werd, waren er ook in de Protestantsche kerk - in Sardis - eenige weinige namen, die hunne kleederen niet bevlekt hadden. Dezen worden thans in den brief aan Filadelfia afzonderlijk toegesproken; hun karakter en positie wordt beschreven, en zij worden door den Heer bemoedigd en getroost en op zijne heerlijke wederkomst voorbereid; terwijl de overigen, die zich niet bekeerden, maar steeds verder afweken, volgens den brief aan Laodicéa, als walgelijk uit den mond des Heeren zullen worden gespuwd.

Het getrouwe overblijfsel wordt in den brief aan Filadelfia uit het oogpunt des Heeren beschouwd, en niet zooals het zich aan het oog van den mensch vertoont. Gelijk de Heere God eenmaal in Moab's velden, op de hoogte van Peor, van zijn volk Israël getuigde: "Hoe schoon zijn uwe woningen, o Israël! hoe liefelijk zijn uwe tenten, o Jakob!" zoo ziet de Heer hier de zijnen, die in het midden der christelijke kerk leven, als een getrouw overblijfsel afgezonderd van het naamchristendom, zijn woord bewarende en zijnen naam niet verloochenende. Daarom vinden wij hier geen enkel woord van berisping. Niet uit het oogpunt der menschelijke zwakheid, maar uit het oogpunt van Gods heerlijke gedachten over de zijnen worden de heiligen hier gezien; en al is het ook, dat nog niet allen praktisch het standpunt hebben ingenomen, 't welk ons hier beschreven wordt, zoo vernemen wij slechts, wat de Heer, die hen levend maakte en afzonderde, van hen denkt, hoe Hij hen beschouwt en welke toekomst Hij hun bereidt. Filadelfia stelt ons dus voor de ware gemeente des Heeren, die gescheiden van het naamchristendom, tot Hem zal worden opgenomen in den hemel, waarna dan het oordeel over de overblijvenden kan worden voltrokken. Wij moeten dus hier niet denken aan een zekere afdeeling van de Protestantsche kerk, aan een vergadering van geloovigen, die hier en daar te zamen komen, maar aan alle ware geloovigen in deze laatste dagen, aan allen, die niet slechts den naam hebben van te leven, maar die in waarheid het leven uit God bezitten, en daardoor voor den Heer zijn afgezonderd en Hem te gemoet gaan in de lucht. Deze allen hebben dan de ernstige vraag zichzelven voor te leggen, of zij praktisch beantwoorden aan de beschrijving, welke hier van hen gegeven wordt, en of zij het standpunt innemen, waarop zij naar ‘s Heeren gedachten geplaatst zijn.

Wij kunnen derhalve veilig zeggen - en het is heerlijk daaraan te mogen denken, en dezen brief aldus uit de hand des Heeren te mogen ontvangen - dat de Heer hier spreekt tot de geloovigen in onze dagen, en getuigenis geeft van het nieuwe werk, 't welk Hij door zijnen Geest in het midden der christelijke kerk verricht. Hierdoor verkrijgt deze brief een bijzondere belangrijkheid en aantrekkelijkheid voor ons. Het is ons, alsof wij onzen dierbaren Heiland ons persoonlijk hooren toespreken en troosten.

Gelijk in de vorige Brieven, zoo staat ook hier de wijze, waarop de Heer zich voor zijne gemeente stelt, in verband met den toestand, waarin de zijnen zich bevinden en met de positie, die zij innemen. Doch waar de Heer in de overige Brieven zegt, wat Hij heeft, openbaart Hij hier aan zijne gemeente, wie Hij is; en dat niet in zijne heerlijkheid en majesteit, maar in zijne zedelijke schoonheid en voortreffelijkheid. Dit is treffend en schoon. Waar alles in verwarring is en de christelijke kerk zich heeft afgewend van de waarheid, daar komt de Heer tot de zijnen, en geeft hun Zichzelven te genieten, vestigt hun oog op zijne schoonheid en heerlijkheid, en trekt daardoor hunne zielen te meer af van de wereld en de wereldsche godsdienst.

Als "de Heilige en de Waarachtige" komt de Heer tot zijne gemeente. In zijn heerlijk gebed tot den Vader zegt Hij: "En ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd zouden zijn door de waarheid." Hij was van het eerste oogenblik van zijne komst hier beneden als mensch "de Heilige." "Dat heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genoemd worden", zeide de engel tot de maagd Maria. Op geheel eenige wijze door zijne wondere ontvangenis uit den Heiligen Geest en door zijne niet minder wondere geboorte uit een Maagd, van alle menschen afgezonderd, leefde, wandelde en werkte Hij op deze aarde als de afgezonderde mensch, die wel in de wereld vertoefde, maar niet tot de wereld behoorde, en wiens spijze het was, den wil zijns Vaders te doen. Hij volbracht het werk onzer verzoening en verlossing; Hij bracht het leven en de onverderfelijkheid aan het licht in de opstanding; en Hij ging heen tot den Vader en voer ten hemel om als onze Hoogepriester in het heiligdom voor ons tusschenbeide te treden en ons in het huis des Vaders plaats te bereiden. Als de zoodanige stelt Hij zich hier voor de zijnen. Duidelijk blijkt hieruit, dat Hij hen als het getrouwe overblijfsel beschouwt, 't welk door de waarheid is geheiligd geworden, zich van de wereld heeft afgezonderd en met Hem in den hemel is verbonden.

Doch Hij is niet alleen "de Heilige," Hij is ook "de Waarachtige." Hij is de openbaring van hetgeen God is - waarachtig in zijn Woord, waarachtig in zijn werk, waarachtig in zijne belofte; met één woord, zooals Johannes in zijnen eersten brief zegt: "Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven." Op Hem kunnen wij dus ons geheele vertrouwen stellen. In tijden van algemeenen afval, waar de Satan hoe langer zoo meer de harten met ongerechtigheid en vijandschap vervult, is het een ongemeene vertroosting Hem als zoodanig te kennen en met Hem in gemeenschap ons te bevinden. In 1 Joh. V volgt op de woorden: "deze is de waarachtige God en het eeuwige leven," de vermaning: "Kinderen! bewaart uzelven van de afgoden;" zoodat ook daar de waarachtigheid met de heiligheid verbonden is.

"Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en die sluit en niemand zal openen. Ik weet uwe werken, zie, ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn woord bewaard, en mijnen naam niet verloochend."

Ziedaar de beschrijving van den toestand van het overblijfsel in onze dagen. Gij hebt kleine kracht; gij hebt mijn woord bewaard; gij hebt mijnen naam niet verloochend. Dit is een loftuiting. In een tijd van verval, van ongeloof, van wereldschgezindheid, van afwijking van Gods gebod, en van verwerping van 's Heeren gezag, waar te midden van het naamchristendom, 't welk het oordeel tegen gaat, een klein overblijfsel gevonden wordt, dat getrouw is, kan geen ontwikkeling van macht en kracht verwacht worden. Niet slechts zijn de gaven en wonderkrachten der eerste gemeente verdwenen, maar ook de machtige werkingen des Geestes, die den eersten tijd der Hervorming tot zulk een schitterende openbaring van geloofskracht maakten, ontbreken. Weinig en zwak zijn de werktuigen, die de Heer gebruikt, om zijn woord te verkondigen en zijnen naam te verheerlijken. Kleine kracht is het kenmerk der heiligen in onze dagen. Evenals de Joden na hun terugkeer uit de babylonische ballingschap vanwege hunne machteloosheid tot spot hunner vijanden dienden, zoo haalt de christelijke wereld met verachting de schouders op over het kleine hoopje getrouwen, dat in hunne wereldschgezindheid en ongerechtigheid niet wil medeloopen. Maar evenals die bespotte en tegengewerkte Joden hun vertrouwen op den Heere stelden, van Hem alle hulp en kracht verwachtten en in geloof hun altaar bouwden, zoo stellen wij, in het bewustzijn onzer zwakheid, ons vertrouwen op Hem, die der zwakken kracht is, die den nederige genade geeft, en die een verbroken hart en een verslagen geest barmhartigheid doet ondervinden.

Groote dingen te willen doen, de gemeente terug te willen voeren tot de heerlijke dagen der apostelen, de wereld te willen bekeeren, is derhalve geheel in strijd met het karakter, ‘t welk het overblijfsel, naar 's Heeren uitspraak, heeft. Wij zitten, als 't ware, op de puinhoopen der christelijke kerk. Verootmoediging en schuldbelijdenis passen ons, geen hoogdravende machtsontwikkeling of hoogmoedige zelfverheffing, die telkens uitloopen op schade en schande. Indien wij in het gevoel onzer zwakheid, afgezonderd van de wereld en hare godsdienst, den Heere dienen, op Hem ons vertrouwen stellen en naar zijne geboden vragen, dan worden wij door Hem geprezen, en kunnen de openbaring zijner kracht in onze zwakheid verwachten.

Want Hij, die de Heilige en Waarachtige is, heeft den sleutel Davids, naar Jesaja's woord: "Ik zal den sleutel van het huis van David op zijnen schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten." Omdat wij kleine kracht hebben, geeft Hij voor ons een geopende deur, die niemand kan sluiten. Op merkwaardige wijze heeft de Heer, dikwerf door de tijdsomstandigheden, door den revolutiegeest der volkeren, door de heerschzucht der vorsten, die hun gebied trachtten te vergrooten, door de ontdekkingen van landen, die tot in onze dagen onbekend gebleven waren, de deur voor de prediking des evangelies geopend. Zonder dat iemand er aan dacht, of iemand er iets toe heeft bijgedragen, is eensklaps, gansch onverwacht, te midden van den doodigen toestand der kerk het geroep uitgegaan: "De bruidegom komt! gaat uit hem te gemoet!" en zijn honderden en duizenden uit den slaap wakker geschud, den Bruidegom te gemoet gegaan, en hebben zich van de wereld gescheiden.

Dit is ons vertrouwen en onze troost bij de prediking van het evangelie. "Zie ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten." Met dit woord kunnen wij zonder vrees overal heen gaan, hoe ook de uitwendige omstandigheden zijn mogen, waar de Heer een deur heeft geopend. Evenals in de dagen, toen de Heiland hier beneden wandelde, en als de ware herder zich aan zijn volk voorstelde, geen aardsche macht van farizeën, schriftgeleerden of landvoogden in staat was zijn getuigenis te doen ophouden, omdat "de deurwachter" hem de deur had geopend, (zie Joh. X.) zoo kan ook thans niemand ons getuigenis verhinderen en doen ophouden, als Hij, die den sleutel van David in zijne hand heeft, de deuren opent. En als wij verlangen, dat in de een of andere streek, in de een of andere stad, of in het een of ander land een geopende deur moge komen voor de prediking des evangelies of voor het getuigenis der waarheid, wij hebben ons slechts te wenden tot Hem, die opent en niemand kan sluiten, die sluit en niemand kan openen. Op zijn tijd en op zijne wijze zal Hij ons gebed, verhooren; terwijl de pogingen, die wij in het werk stellen om de deuren te openen, en de krachtinspanning, die wij aanwenden, steeds zullen mislukken. Wij zijn van den Heer alleen afhankelijk. Gevoelen wij dit; erkennen wij onze zwakheid; geven wij elke pretensie van eigen kracht en vermogen op; dan zal de Heer zijne kracht in onze zwakheid volbrengen.

"Gij hebt mijn woord bewaard, en mijnen naam niet verloochend." Op zichzelf genomen is deze loftuiting niet groot. Wat zou er nog minder van een Christen gezegd kunnen worden? Als iemand het woord des Heeren verwerpt, en Jezus' naam verloochent, dan heeft hij opgehouden een Christen te zijn. In den eersten tijd der gemeente viel er heel wat meer te zeggen van de geloovigen zelfs in den brief aan de gemeente te Efeze; waar toch reeds de eerste liefde verlaten was, kon de Heer getuigen van hunne werken van hunnen arbeid, van hunne volharding en van hun niet verdragen der boozen. Toch is het een schoone lofspraak. Evenals het in de booze dagen van Achab een heerlijk getuigenis was, 't welk de Heer geven kon van die zeven duizend namen, die hunne knie voor Baäl niet gebogen hadden, zoo is het in onze dagen, waar het Woord van God zoo zeer wordt verworpen, en Jezus' Naam zoo schrikkelijk wordt verloochend en gelasterd, een schoone lofspraak: "Gij hebt mijn woord bewaard en mijnen naam niet verloochend."

In onze dagen toch wordt het Woord van God op allerlei wijzen aangerand. Niet alleen wordt het door de bepaald ongeloovigen verworpen, veracht en bespot, maar het wordt ook door zich noemende geloovigen van zijn goddelijk gezag beroofd. De inspiratie door den Heiligen Geest wordt geloochend; de geloofwaardigheid van de schrijvers der Heilige Schrift wordt in twijfel getrokken; de verhalen der schepping en der geboorte van Jezus worden mythen en legenden genoemd. Bij alle voorgeven van aan een Godsopenbaring te gelooven en zich voor de uitspraken des Heeren te buigen, ondermijnt men den grond, waarop wij staan, en ontneemt men elke vastheid en zekerheid aan de ziel, daar van ieders subjectieve meening afhangt te bepalen, wat de Heere God al of niet heeft geopenbaard. De duivel is listig. Vroeger heeft hij het Woord van God in kloosters en bibliotheken weten te verbergen; en thans, nu voor enkele stuivers ieder de Bijbel in zijn bezit kan hebben, maakt hij de menschen wijs, dat die Bijbel wel een schoon en nuttig boek is, doch volstrekt geen goddelijk gezag heeft, en men zich derhalve aan zijne uitspraken niet behoeft te onderwerpen. Het resultaat is hetzelfde. Op beide wijzen wordt Gods Woord den mensch ontnomen. In zulk een tijd aan Gods Woord vast te houden, dat Woord als het Woord van God te bewaren, zich voor het gezag van dat Woord te buigen, zich in alles door dat Woord te laten leiden en besturen, is een groote genade van God. O, dat wij het in alle opzichten en in alle dingen mogen erkennen en waardeeren! Het is het kenmerk van de heiligen in onze dagen, zooals de Heer hen naar zijne gedachten voor zich ziet, in alles te vragen naar de meening van God. Zooals de Heer Jezus zelf tot God heeft gezegd: "Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen; en uwe wet is in het midden mijns ingewands;" (Ps. XL : 9) zooals Hij de verzoeking des Satans afwees met het merkwaardige woord: "De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat uit den mond van God uitgaat;" gelijk Paulus op den weg naar Damaskus zeide tot Hem, dien bij zoo heftig vervolgd had: "Heer! wat wilt gij, dat ik doen zal?" gelijk Timotheüs van zijne jeugd af aan de heilige Schriften had gelezen, die wijs kunnen maken tot behoudenis door het geloof, dat in Christus Jezus is; zoo behooren ook wij aan het Woord van God ons in alles te onderwerpen, en bij elken weg, dien wij inslaan, bij elk werk, dat wij verrichten, bij elke meening, die wij hooren of koesteren, te vragen: "Heer! wat is uw wil? wat is uwe gedachte? wat zegt Gij mij in uw Woord?"

Evenzoo wordt in onze dagen de naam des Heeren Jezus op alle manier verloochend. Merken wij op, dat de naam des Heeren altijd beteekent de openbaring van hetgeen Hij is. In zijn naam ligt zijn wezen en karakter opgesloten. Als men dus verloochent hetgeen Hij is, dan verloochent men zijnen naam. Wie hoog opgeeft van de voortreffelijkheid en wijsheid van Jezus; wie gaarne met lof spreekt over den profeet van Nazareth, en hem ten voorbeeld stelt, maar niettegenstaande al zijne lofspraken toch zijne Godheid ontkent, die verloochent den naam des Heeren; en eveneens wordt zijn naam verloochend door een ieder, die zijne reine en heilige menschheid, de algenoegzaamheid zijner offerande, de verzoening door het bloed zijns kruises ontkent; ja, door een ieder, die op eenigerlei wijze zijne eer aanrandt of zijne heerlijkheid verkleint. Johannes zegt in zijnen eersten brief, dat het een kenmerk der laatste dagen is, dat er vele antichristen geworden zijn, die loochenen, dat Jezus de Christus is; die niet belijden Jezus Christus als in het vleesch gekomen, en daarom den Zoon loochenen. In zulke dagen van dwaling en verloochening van den naam des Heeren aan dien Naam vast te houden, dien te belijden en hoog te houden, zijne eer te handhaven en zijne heerlijkheid te verdedigen, is de eer en. de roem van het getrouwe overblijfsel.

Dit overblijfsel wordt veracht, gesmaad en tegengewerkt door allen, die wel de gedaante der godzaligheid hebben, maar de kracht daarvan verloochenen. Tot hunne bemoediging zegt de Heer: "Zie, ik geef eenigen uit de synagoge des Satans, die zeggen, dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar liegen; zie, ik zal maken, dat zij komen en zich neerbuigen voor uwe voeten, en bekennen, dat ik u heb liefgehad." Gelijk de Joden, die beweerden tot Gods volk te behooren, Gods geboden en beloften te bezitten en zich op Gods Woord te verlaten, den Zoon van God hadden verworpen en gedood, en dus een synagoge des Satans geworden waren; zoo zijn allen, die de gedaante der godzaligheid zonder de kracht er van bezitten; die de orthodoxe leer verdedigen, maar Christus niet gehoorzamen; die zich beroepen op de vaderen, op hunne eerwaardige instellingen en formulieren, doch den naam van Christus en het Woord van God ter zijde stellen, een vergadering, die door den Satan wordt geleid. De Heer zal maken, dat dezen zullen komen om zich neer te buigen voor de voeten der getrouwen, en zoo doende te erkennen, dat zij de waarheid aan hunne zijde hadden, en om te bekennen, dat deze getrouwen, door hen veracht, gesmaad en vervolgd, de voorwerpen waren van de liefde des Heeren.

Doch de getrouwen ontvangen een heerlijker belofte dan deze. De Heer vestigt hun blik op zijne spoedige wederkomst. "Ik kom haastelijk!" roept Hij de zijnen toe. Dat woord, tot de Gemeente in de dagen der Apostelen geproken, wordt hier door den Heer herhaald voor het getrouwe overblijfsel in onze dagen. Heerlijke belofte! Het geroep: "De bruidegom komt, gaat uit hem te gemoet!" heeft in onze dagen de christelijke kerk uit haren slaap wakker geschud, en weerklank gevonden in de harten der getrouwen. Zij verwachten Hem, hunnen Bruidegom; zij zien uit naar zijne komst, om hen tot Zich te nemen en hen te voeren in de vele woningen van het huis des Vaders. En de Heer geeft hun hier de verzekering, dat Hij haastelijk komen zal.

Naar dat oogenblik, 't welk de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft, verlangt Hij-zelf. De Bruidegom verlangt naar zijne bruid. De Koning ziet met vreugde de oprichting van zijn koninkrijk te gemoet. Met volharding wacht Hij in den hemel op de ure door den Vader bepaald, dat zijne Bruid hare hemelsche woning kan binnentreden, en daarna zijn heerlijk koninkrijk op aarde kan opgericht worden. Dit regelt ons gedrag en onze gezindheid; want als Hij wacht, dan moeten wij ook wachten. En wij wachten Hem; wij zien met verlangen uit naar zijne komst om ons tot Zich te nemen; wij verheugen ons in het vooruitzicht van de openbaring der zonen Gods, welke de schepping zelve reikhalzend verbeidt. De Geest en de Bruid roepen tot den hemelschen Bruidegom: kom! Daarom zegt de Heer hier, dat de getrouwen het woord zijner volharding hebben bewaard. En zij ontvangen een heerlijke belofte. "Omdat gij het woord mijner volharding bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen."

Vóór de komst van Jezus met al zijne heiligen op aarde zal er een groote verdrukking zijn, hoedanige niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet weer zijn zal. (Matth. XXIV : 21.) Gelijk de eerste wereld vóór den zondvloed vol wrevel was; gelijk de lieden van Sodom in ongerechtigheid zich baadden; zoo zal dan de wereld, onder aanvoering van den mensch der zonde, den antichrist, tegen God en Christus opstaan, in allerlei ongerechtigheden verzinken, allen, die weigeren daaraan mede te doen, vervolgen en dooden, en zoo doende rijp worden voor het oordeel, 't welk de Heer bij zijne komst op aarde zal uitoefenen. Doch uit die ure der verzoeking zal de Heer de getrouwen bewaren. Evenals Henoch, die drie honderd jaren met God wandelde, werd weggenomen, eer de schrikkelijke dagen, die aan den zondvloed voorafgingen, kwamen, zoo zal de Bruid van Christus door den Heer in den hemel worden opgenomen, voordat de afval komt en de mensch der zonde geopenbaard wordt. Jezus komt in de lucht om de zijnen van deze aarde weg te nemen en hen in het Huis des Vaders te brengen, en doet haar deelen in zijne heerlijkheid en vreugde, terwijl de ongerechtigheid op aarde de overhand neemt, en de afgevallen kerk aan het oordeel wordt prijsgegeven. In de Openbaring, waar de oordeelen die aan Jezus' komst op aarde voorafgaan en die bij zijne komst zullen plaats vinden, beschreven worden, zien wij de heiligen in den hemel den troon van God en van het Lam omringen en zich verheugen in Gods macht en in Jezus' liefde en heerlijkheid. (Openb. IV en V.)

Die komst van Jezus als Bruidegom heeft dus plaats vóór de groote verdrukking. Om de zijnen tot Zich te nemen, komt de Heer niet op aarde, maar in de lucht. (Zie 1 Thess. IV : 13-18.) Hij zal alsdan allen, die door Hem ontslapen zijn, opwekken, en die op aarde leven en in Hem gelooven, zonder dat zij sterven, veranderen, en hen allen te zamen Hem te gemoet in de lucht opnemen, opdat zij voor altijd zijn zouden, waar Hij is, en zijne heerlijkheid zouden deelen. Daarna komt de groote verdrukking; en aan het einde daarvan, na de openbaring van den antichrist, van den mensch der zonde, den zoon des verderfs, na de ontwikkeling van de macht des Satans, die alle volken tegen Christus zal vergaderen komt de Heer met de zijnen om het oordeel over de wereld uit te voeren en zijn heerlijk koninkrijk op te richten.

Deze komst van Jezus in de lucht is de hoop der Gemeente. Geen gebeurtenis, door de profeten des Ouden Verbonds, of door den Heer en zijne apostelen voorspeld, gaat aan de komst van Jezus in de lucht om de zijnen tot zich te nemen vooraf. Alle voorzeggingen omtrent de gebeurtenissen op aarde en de oordeelen, die er zullen plaats grijpen, vinden hunne vervulling ná de opneming der gemeente. Die opneming der gemeente kan elken dag gebeuren. Er staat aan deze komst van Jezus niets in den weg. Als het laatste lid uit de wereld getrokken en aan de Gemeente toegevoegd zal zijn, dan komt de Heer. Wij verwachten geen gebeurtenissen; wij hebben niet te letten op de teekenen der tijden; maar wij verwachten Jezus' komst als Bruidegom. Hij zal verschijnen als Morgenster in de lucht om al de zijnen tot Zich te nemen. En Hij roept ons hier toe: "Ik kom haastelijk!" Welk een vreugde voor onze ziel! Weldra - misschien heden nog - zullen wij den Bruidegom zien, aan Hem gelijkvormig gemaakt worden en door Hem worden ingeleid in de hemelsche woningen!

O, laat ons afgezonderd van de wereld, zijn woord bewarende, zijnen naam verheerlijkende, met omgorde lendenen en brandende lampen zijne komst verbeiden! "Houd wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!" roept de Heer ons toe. Ja, laat ons volharden tot den einde. Laat ons te midden van het verval der kerk, bij het toenemen van ongeloof en ongerechtigheid, te midden van den opstand der volken en de toenemende duisternis onzen blik omhoog heffen, ons reikhalzend uitstrekken naar Jezus' komst, en tevens met ijver arbeiden, zoolang het dag is, en met getrouwheid getuigen van Gods onuitsprekelijke genade, die, zoolang de tijd der genade nog duurt, met open armen gereed staat om zondaars te behouden!

De beloften voor de overwinnaars volgen. Zij, die houden wat zij hebben, en dus in het gevoel hunner zwakheid, Jezus' woord bewarende en Jezus' naam niet verloochenende, op zijne komst wachten - dat zijn de overwinnaars. Heerlijke beloften worden hun gegeven.

"Die overwint, ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel afdaalt van mijnen God, en mijnen nieuwen naam."

Evenals in de vorige brieven zijn ook hier de beloften in overeenstemming met den toestand der gemeente. Het overblijfsel houdt zich aan Jezus, den Heilige en Waarachtige, vast; het bewaart zijn woord; het verloochent zijnen naam niet; het bewaart het woord zijner volharding. Welnu, de Heer zal hun geven al wat Hij zelf heeft. Dat is zijne vreugde. Om hen te doen deelen in zijne heerlijkheid, en met hen voor den Vader te kunnen treden, heeft Hij het kruis verdragen, en de schande van dat kruis veracht. Pilaren zult gij zijn in den tempel mijns Gods; den naam mijns Gods zal ik op u schrijven, en den naam der stad mijns Gods, en mijnen nieuwen naam. In de heerlijke betrekking, waarin Hij tot zijnen Vader staat, doet Hij hen deelen. Mijn vader is uw Vader, en mijn God is uw God. Gelijk Hij reeds in zijn gebed tot den Vader in Joh. XVII gezegd heeft: "Opdat de liefde, waarmede Gij mij liefgehad hebt, in hen zij, en ik in hen."

Die overwint, zal in den tempel Gods binnengaan, welke tempel hier staat tegenover de synagoge des Satans; hij zal deelen in het volle genot van de heerlijke dingen Gods, in de kracht van de vervulling van al Gods raadsbesluiten van liefde en heerlijkheid. In dien tempel zal hij een pilaar zijn. Wie kleine kracht op aarde heeft, zal een pilaar worden in den tempel Gods hierboven. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht; en die standvastig gebleven is te midden van de verleiding, die zal door de kracht van God een pilaar van kracht zijn in zijnen tempel. Uit dien tempel zal hij niet meer uitgaan. Onveranderlijk blijft hij dezelfde.

Den naam zijns Gods, zooals Jezus zelf als mensch God kent en met Hem in gemeenschap is, zal de Heer op de overwinnaars schrijven, zoodat zij al de heerlijkheid van dien naam zullen kennen en genieten. Ook zal Hij op hen schrijven den naam van de stad zijns Gods, des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van zijnen God afdaalt. Wie gelijk Abraham de stad verwacht, die fondamenten heeft, wier kunstenaar en bouwmeester God is; wie als een vreemdeling hier beneden zijnen Heer en Heiland navolgt, en gescheiden leeft van de wereld, die zal in de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem deelen. Wanneer een koning uit zijn land is verjaagd, dan gevoelen allen, die aan zijn persoon verbonden zijn, zich vreemdelingen in hun land al den tijd, dat hun heer en meester afwezig is - zoo is het met den Christen, wiens Heer verworpen is door de wereld, en die opgenomen werd door God in den hemel; hij leeft gescheiden van de wereld; hij gevoelt zich een vreemdeling op aarde; hij is te midden van de duisternis, waarin de wereld verkeert, een kind des lichts en des daags, en verwacht den dag van Jezus' verschijning. En als de Heer komt, dan wordt hij van hier weggenomen, en gebracht in het nieuwe Jeruzalem, dat Boven is.

En eindelijk wordt de nieuwe naam van Jezus op den overwinnaar geschreven. Niet zijn ouden naam van Messias, maar zijn bewonderingswaardigen nieuwen naam. door Hem aangenomen als het resultaat van de hemelsche verlossing.

Welke heerlijke beloften! "Wie mij eeren, die zal ik eeren," heeft de Heer gezegd, en waarlijk deze brief aan Filadelfia geeft daarvan een treffend bewijs. Hoe zwak de geloovigen in den tegenwoordigen tijd des algemeenen vervals ook wezen mogen, waar zij prijsstellen op hetgeen Hij gegeven heeft, en daaraan vasthouden en zijn persoon lief hebben, hooghouden en verheerlijken, daar zal de Heer hun geven al wat kostelijk en liefelijk is voor zijn hart. Mocht Hij ons genade geven om in waarheid te verstaan, wat het zeggen wil met Hem vereenigd te zijn, in zijne gemeenschap te leven, Gods heerlijke gedachten van vrede en zaligheid over ons te kennen, waardoor "in de toekomende eeuwen zal worden betoond de uitnemende rijkdom zijner genade in goedertierenheid over ons in Christus Jezus !" Hij heeft ons vereenigd met het voorwerp van al zijne vermakingen, van al zijne eeuwige genietingen, want wij zijn leden zijns lichaams, van zijn vleesch en van zijne beenen, en wij hebben dientengevolge het voorrecht en het deel van Jezus zelven. Moge de Heere God onze harten bewaren voor de besmettingen dezer tegenwoordige booze eeuw, en moge Hij ons houden in de frischheid der gemeenschap met en der liefde tot Hem!