Het oordeel over de afgodische kerk en de beloften aan het overblijfsel.

 

(Openbaring II : 18-29.)

 

Op een hellend vlak kan men niet blijven staan. Deze waarheid treedt duidelijk aan het licht, wanneer wij de geschiedenis der christelijke kerk op aarde, gelijk God ons die heeft medegedeeld, lezen en overdenken. Toen de kastijdende hand van God de gemeente niet had kunnen terugbrengen tot hare eerste liefde, zocht zij rust en gemak, eer en aanzien in deze wereld, gaf zij hare heerlijke roeping prijs, verliet haar hemelsch standpunt, verloor de hoop der heerlijkheid uit het oog, en verzwagerde zich met de wereld, wier overste de duivel is, die in deze onheilige verbintenis een zijner triomfen vierde. En nu ging het van kwaad tot erger. Ongerechtigheid, huichelarij, dwaling, onteering van God en Christus namen hand over hand toe, totdat eindelijk afgodendienst en beeldendienst de ware vereering van God verving, en zoo de afval van de waarheid en van Christus een voldongen feit werd. In den brief aan de gemeente te Thyatire heeft de Heer ons dien schrikkelijken toestand, waarin zijne gemeente gevallen is, met eenige korte, maar treffend juiste trekken geteekend.

Werd ons in den brief aan Pergamus de goddeloosheid van Bileam, die het heilige zaad met de onheilige afgodendienaars trachtte te vermengen, voor oogen gesteld als het gepaste beeld van de verbintenis der kerk met de wereld in de derde eeuw onder Constantyn den Groote; in den brief aan Thyatire worden wij teruggevoerd naar de duistere dagen van Achab en Isébel, toen Israël zich niet alleen neerboog voor de kalveren van Jerobeam, maar tot de schrikkelijke dienst van Baäl verviel. "Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Isébel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en verleidt mijne slaven om te hoereeren en afgodenoffer te eten."

Uit de voorbeelden, welke de Heer gebruikt om den toestand in zijne gemeente voor te stellen, blijkt, op hoe schrikkelijke wijze de goddeloosheid was toegenomen. Bileam was een vijand, die buiten het volk stond, en het door zijnen goddeloozen raad aan Balak trachtte ten val te brengen. Isébel daarentegen was de goddelooze macht in het midden van Israël zelven. Zij was de booze vrouw, die Achab tot allerlei ongerechtigheden aanspoorde, hem tot bloedschuld verleidde, als de werkzame vijandin van Gods getuigen optrad, en in het geheim en openlijk de beschermster was van de priesters en profeten van Baäl. Ontzettend is het, dat de Heer deze goddelooze vrouw gebruikt als beeld van de ongerechtigheid, die in zijne gemeente gevonden werd. En toch is het voor een ieder, die een weinig bekend is met de geschiedenis der christelijke kerk op aarde, duidelijk genoeg, dat het beeld niet te sterk is, maar, helaas! slechts al te duidelijk den toestand schildert, waarin de kerk na hare verbintenis met de wereld vervallen is - een toestand, die zijn toppunt van ongerechtigheid bereikte in de duistere Middeleeuwen, toen, evenals in Isébel's dagen, afgodendienst en goddeloosheid, heiligschennis en vervolging van de weinige getrouwen, die er nog gevonden werden, de kerk van Christus gemaakt hadden tot een woonstede van duivelen en een bewaarplaats van elken onreinen geest en van elken onreinen en gehaten vogel.

Als wij de bijzonderheden van de beschrijving een weinig nader beschouwen, zal deze toestand ons nog helderder voor oogen staan. "Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Isébel laat begaan," zegt de Heer. De gemeente als één geheel is derhalve gekenmerkt door hare toelating en wettiging van het kwaad. Het is niet meer zooals vroeger, toen er kon gezegd worden: "Gij kunt de boozen niet verdragen;" integendeel er was een openlijk toelaten van dezen goddeloozen geest, die in de gemeente woonde en werkte. Het Pausdom met zijne aanmatiging van onfeilbaarheid, 't welk onder den dekmantel van Godsvereering en het hooghouden van den naam van Christus, de grofste dwalingen invoerde en de schrikkelijkste goddeloosheden pleegde, kon ongehinderd zijn macht en invloed in de kerk uitoefenen, zoodat de slaven des Heeren "verleid werden om te hoereeren en afgodenoffer te eten." Dit zijn zinnebeeldige uitdrukkingen. De zonde van hoererij of overspel stelt voor de goddelooze verbintenis van de kerk met de wereld, die gelijk staat met het verlaten van Jehovah door Israël, ‘t welk de vrouw des Heeren genoemd wordt, doch door zijne vereeniging met de goden der volken een overspeelster geworden was. Het eten van afgodenoffer duidt aan de gemeenschap met de macht des satans, "want de dingen, die de volken offeren, offeren zij aan de duivelen, en niet aan God." Maar behalve deze slaven des Heeren, die door de booze macht des Pausdoms werden verleid, waren er ook "kinderen" van Isébel, dat wil zeggen: de zoodanigen, die uit de goddeloosheid, welke bestond, voortgekomen en er geheel in opgevoed waren.

Geen wonder is het, dat de Heer het oordeel over zijne gemeente uitspreekt. "Zie, ik werp haar op een bed, en die met haar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne werken; en hare kinderen zal ik door den dood ombrengen; en al de gemeenten zullen weten, dat ik het ben, die nieren en harten doorzoek; en ik zal u geven een iegelijk naar uwe werken." Merken wij op, dat de Heer niet zegt, zooals tot Efeze: "ik zal uwen luchter van zijne plaats wegnemen." Thyatire is geen lichtdraagster meer. De kerk in de Middeleeuwen, door het Pausdom geheel bedorven en afgevallen, wordt niet meer als een licht erkend. Alles is duisternis geworden. "Indien het licht, dat in u is, duisternis is geworden, hoe groot is dan de duisternis," heeft Jezus gezegd. Datgene, waarmede Efeze werd bedreigd, was, omdat de gemeente zich niet had bekeerd, maar van kwaad tot erger gekomen was, en nu zelfs een overspeelster geworden was en onder de macht van den duivel stond, in vervulling getreden. De luchter was van zijne plaats weggenomen, en het oordeel zou komen. Dit oordeel wordt ons beschreven in het 17de en 18de Hoofdstuk van de Openbaring. De Heer zal het uitvoeren door de volken dezer aarde. Die zullen de hoer haten, en haar woest en naakt maken, en haar vleesch eten, en haar met vuur verbranden; want God heeft in hunne harten gegeven om zijne meening te doen.

Dit oordeel is evenwel nog niet gekomen. Want zoo lezen wij: "En ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich bekeere; en zij wil zich van hare hoererij niet bekeeren." Op merkwaardige wijze, zooals Hij dit alleen doen kan, heeft de Heer de kerk der Middeleeuwen, zuchtende onder de goddelooze macht van het Pausdom, uit den diepen slaap, waarin zij was, wakker geschud, en zijn heerlijk licht doen stralen in hare duisternis. De gezegende Kerkhervorming heeft duizenden van de boeien, waarmede zij gekluisterd lagen, vrij gemaakt. In alle landen van Europa weerklonk de heerlijke boodschap van het ware Evangelie. De prediking van de rechtvaardiging uit het geloof alleen zonder de werken der wet vond overal ingang, verwekte vrede en vreugde, opende de oogen voor de dwalingen der Roomsche kerk, en deed een verandering in de gedachten en gezindheden der menschen ontstaan, welke hoop gaf op den terugkeer van de geheele kerk in de paden des geloofs en des rechts. Maar, helaas! die hoop is niet verwezenlijkt. Wel onttrokken zich duizenden, heele volken zelfs, aan de heerschappij van Rome; wel schudde de Roomsche kerk op hare grondvesten; maar de duivel triomfeerde nogmaals; Rome bekeerde zich niet. Na den eersten schok richtte zij haar hoofd weer omhoog, vervolgde te vuur en te zwaard de discipelen des Heeren, en slaagde er in de ketterij, zooals zij de waarheid noemde, in vele landen, waar duizenden tot waarachtig geloof in Jezus gekomen waren, uit te roeien. Zij hernam hare plaats. Opnieuw oefende zij hare macht uit, en bleef de volken, die aan haar onderworpen waren, in onkunde en bijgeloof onderdrukken. Zij scheen niets te hebben geleerd, dan misschien alleen dit, dat zij een weinig bedachtzamer behoorde te wezen, en hare ongerechtigheden niet meer openlijk moest bedrijven.

En zoo is zij tot op den huidigen dag gebleven. Voorzeker kan zij thans niet meer hare heerschappij uitoefenen, gelijk zij zulks deed in de Middeleeuwen. Een andere geest, evenzeer uit den afgrond, de geest des ongeloofs en der revolutie, verhindert haar daarin. Maar daarom is zij niet veranderd. Integendeel, zij is, wat de leer betreft, in onze eeuw verder van de waarheid afgeweken dan ooit. Wat nimmer als een leerstuk dier kerk was afgekondigd, is in onze eeuw, niettegenstaande den tegenstand van velen, tot leerstuk verheven: de onfeilbaarheid van den Paus en de onbevlekte ontvangenis van Maria; zoodat zij, in plaats van zich bekeerd te hebben, zeer zeker in goddeloosheid is toegenomen. En had zij de macht, lieten de omstandigheden het toe, wij kunnen er zeker van zijn, dat dezelfde vervolgingszucht, wreedheid en bloeddorst van Luther's dagen zich opnieuw vertoonen zouden. Wat met Matamoros in Spanje, met de Madia's in Italië gebeurd is, levert ons daarvan het onweersprekelijk bewijs. Het is vooral in onze dagen van gewicht hieraan te denken. Velen zien in bondgenootschap met Rome geen gevaar. Zij spreken en schrijven over de Roomsche kerk, alsof zij anders geworden is dan vroeger; alsof men haar beter zou kunnen vertrouwen; alsof het haar om de zegepraal der waarheid te doen is. Doch zij bedriegen zich schromelijk. Zij werden reeds vaak teleurgesteld, en zullen dit nog meer worden. Naarmate Rome in kracht toeneemt, zal zij haar ware karakter weer vertoonen, en het zal blijken, dat de valsche leus: het doel heiligt de middelen, nog altijd de drijfveer harer handelingen is. Wie zich door Gods Woord laat onderwijzen, zal zich voor haren invloed wachten, en zich niet laten misleiden door hare voorgewende zachtzinnigheid, of door de fraaie en naar den geest des tijds ingerichte adviezen van den Paus.

Ook is het van belang op te merken, dat Gods Woord ons leert, dat de Roomsche kerk, wel verre van hare verdwijning nabij te zijn, nog een schitterenden tijd te gemoet gaat. Reeds thans kunnen wij overal zien, hoe hare macht met reuzenschreden toeneemt. In bijna alle landen van Europa staan de Regeeringen en de wetgevende macht onder haren invloed; en in menig land kunnen zonder haar wil geen wetten worden uitgevaardigd en geen besluiten worden genomen. En als de ware geloovigen bij de komst des Heeren in den hemel zullen zijn opgenomen, zal haar macht en aanzien nog grooter worden, en zal zij het groote, dan herstelde romeinsche rijk besturen; want, zooals wij in Openb. XVII lezen, de vrouw zit op het beest. Maar dan ook zal haar oordeel op éénen dag komen; de volken zullen haar haten, haar woest maken en haar met vuur verbranden. Voorgoed verdwijnt zij van de aarde, om plaats te maken voor de godsdienst van den antichrist, die weer verdaan zal worden door de verschijning des Heeren Jezus op de wolken des hemels met kracht en groote heerlijkheid, om al zijne vijanden te leggen tot een voetbank zijner voeten, en zijne heerlijke en gezegende heerschappij hier beneden te vestigen.

Het was te verwachten, dat, waar de Heer de gemeente niet meer als lichtdraagster erkent; waar Hij haar tijd gegeven heeft om zich te bekeeren, maar zij zich niet bekeerd heeft, zoodat Hij het oordeel over haar moet uitspreken; het karakter van zijn schrijven aan haar geheel verandert. Zooals ik vroeger opmerkte, komen in de drie eerste brieven de woorden: "die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt," vóór de beloften aan de overwinnaars; terwijl in den brief aan Thyatire voor het eerst, en daarna in de drie volgende brieven, deze woorden aan het eind van den brief komen, na de beloften aan de overwinnaars; zoodat zij in de eerste drie brieven tot de geheele gemeente, in de laatste vier alleen tot de overwinnaars gericht worden. De reden is, dat in Efeze, Smyrna en Pergamus de gemeente als zoodanig, in haar geheel, tot bekeering wordt opgeroepen, terwijl in Thyatire, nadat de onbekeerlijkheid der gemeente gebleken was, de Heer zich niet meer tot haar in haar geheel wendt, maar uitsluitend zich richt tot het overblijfsel, dat in haar gevonden wordt.

Zeer duidelijk wordt hier het overblijfsel van het geheel onderscheiden. In de vorige Brieven is dit niet het geval. Er bestond toen nog hoop, dat de gemeente als zoodanig zich bekeeren zou. Die hoop was thans vervlogen. De massa blijft, zooals zij was. De Heer had gesproken van zijne slaven, die zich door Isčbel lieten verleiden, en van de kinderen van Isčbel, voor welke de deur der genade gesloten was, en die met den dood worden bedreigd. Maar er was een overblijfsel. "Tot u zeg ik, tot de weinigen, die deze leer niet hebben, die de diepten des satans, gelijk zij zeggen, niet gekend hebben; ik leg op u geen anderen last, alleenlijk hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat ik kom."

Duizenden hebben in de duistere Middeleeuwen de leer van Isčbel tegengestaan. De Waldenzen, de Albigensen, de Hussieten en vele anderen verwierpen de dwalingen der Roomsche kerk, veroordeelden hare goddeloosheid, en scheidden zich in meerdere of mindere mate van haar af. Hevig werden zij soms vervolgd, en heerlijke daden van geloof en liefde werden door hen verricht. Het is daarom, dat de Heer kon zeggen tot Thyatire: "Ik weet uwe werken, en uwe liefde, en uw geloof, en uwe dienst, en uwe volharding, en dat uwe laatste werken meer zijn dan de eerste." Hoe grooter de duisternis is, des te helderder schijnen de sterren. De Heer verheugt zich over hunne getrouwheid, en verdedigt hen tegen den laster hunner vijanden. Zij werden beschuldigd een verbond met den duivel gemaakt te hebben, doch de Heer geeft hun getuigenis, dat deze beschuldiging geheel valsch was; zij hadden de diepten des satans niet gekend, maar zich in getrouwheid aan Hem vastgehouden. Evenwel werd er groote onkunde bij deze geloovigen gevonden; de kenmerkende waarheden omtrent de gemeente, hare roeping en hare hoop kenden zij niet. Daarom wilde de Heer geen anderen last op hen leggen; zij zouden dien niet hebben kunnen dragen. Het eenige, wat Hij van hen verlangt, is, dat zij houden, wat zij hebben, totdat Hij komt.

Voor de eerste maal in deze zeven brieven wordt hier over de wederkomst des Heeren gesproken. Dit is hoogst merkwaardig. Het oog van het overblijfsel wordt niet gericht op een verandering in den toestand der gemeente of op haar terugkeer tot de dagen der eerste liefde; maar haar blik wordt gevestigd op de wederkomst des Heeren. Van de gemeente is geen bekeering of terugkeer tot haren oorspronkelijken toestand meer te verwachten. Zij heeft opgehouden een lichtdraagster te zijn. Het oordeel wordt over haar uitgesproken. Daarom worden de getrouwen getroost met de hoop op de wederkomst van Christus. Die hoop wordt hier niet voorgesteld, gelijk in den beginne, als de heerlijke verwachting, waardoor de gemeente boven de ijdelheid dezer wereld wordt verheven, maar als de troost der getrouwen te midden van den treurigen toestand, waarin de gemeente zich bevindt, en bij het zien en ondervinden van de goddeloosheden van Isébel. Is er van de gemeente op aarde niets meer te verwachten, de Heer der gemeente blijft echter dezelfde. Op Hem vestigt zich de blik der getrouwen, en in zijne heerschappij en heerlijkheid verlustigt zich hunne ziel.

"En die overwint, en mijne werken tot het einde toe bewaart, ik zal hem macht geven over de volken; en hij zal hen weiden met een ijzeren staf, gelijk pottebakkers vaten verbrijzeld worden, gelijk ook ik van mijnen Vader ontvangen heb; en ik zal hem de morgenster geven."

Twee kenmerken van de komst des Heeren worden hier aangegeven. Vooreerst de komst des Heeren ten opzichte van de wereld, daar er gesproken wordt van het ontvangen van macht over de volken. En ten tweede de komst des Heeren voor de heiligen als de blinkende Morgenster.

Hoogst merkwaardig is de uitdrukking: "Ik zal u macht geven over de volken." In den tijd, toen de gemeente op haar waar standpunt stond en hare hemelsche roeping vervulde, wordt iets dergelijks niet tot haar gezegd. Maar van het oogenblik af, dat de belijdende kerk de plaats geworden is, waar de ware geloovigen aan de schrikkelijkste beproevingen en vervolgingen waren blootgesteld, worden hun bijzondere beloften gegeven, om daardoor hun geloof te sterken en hen tot volharding aan te moedigen. Uit de geschiedenis weten wij, dat in de duisterste tijden de mannen des geloofs zich een weg hebben moeten banen door de ongerechtigheid, waartoe de gemeente vervallen was, vol vreeze ontdekt te worden door hen, die zich den naam van Christus hadden toegeëigend, doch zijne vijanden waren, en onderworpen aan de vervolging van de machten, die op aarde heerschten. Want de belijdende kerk is in den grond niet anders dan de macht des satans, die haar tot ongerechtigheid en afval verleid heeft, en die door de volken zijne heerschappij uitoefent. Wie nu in dezen tijd des vervals en der openbare goddeloosheid overwint, het geloof behoudt, en te midden van vervolging en vijandschap volhoudt, en de werken des Heeren tot het einde toe bewaart, zal met Jezus macht hebben over de volken. De wereld, die onder de heerschappij des satans het middel geweest is om de heiligen te vervolgen en om te brengen, zal aan hen onderworpen worden.

De gemeente des levenden Gods had door haren heiligen, van het kwaad afgezonderden wandel, de wereld moeten veroordeelen; doch nu zij met de wereld zich vereenigd en overspel bedreven heeft, heeft zij hare kracht om de wereld te veroordeelen verloren; en daarom zegt de Heer thans: "Ik zal zulks doen;" want daar de gemeente door haar heiligen wandel en hare afzondering van de wereld de wereld niet heeft weten te oordeelen, zal de Heer zelf door het oordeel, dat Hij over haar uitoefent, toonen wat de wereld is. Want hoewel degenen, die vervolgd werden, zich aan de macht over hen gesteld onderwierpen, zoo waren zij nochtans van de wereld gescheiden, en werden de oorzaak, dat het oordeel over de wereld voltrokken word. Hoe groot de macht en de invloed van Isébel ook was, de getrouwen werden door den Heer als martelaren gekroond. De oversten dezer wereld vereenigden zich tegen den Heer en zijnen Gezalfde, (Ps. II.) doch de tijd komt, dat Hij zijne heerschappij over de volken zal aanvaarden. Thans is Jezus gezeten aan de rechterhand der majesteit Gods, en de Heilige Geest is op aarde gekomen om de Gemeente bijeen te brengen; maar als de Gemeente tot Hem zal zijn opgenomen, zal Hij den hemel verlaten, op aarde verschijnen en de wereld oordeelen. Dan zal Hij hen weiden met een ijzeren staf, gelijk pottebakkersvaten verbrijzeld worden. In dezen tijd doet Hij dit nog niet, maar laat overal zijn heerlijk Evangelie verkondigen, om de Zijnen uit de wereld te vergaderen, en hen door de kracht des Heiligen Geestes, dien Hij op aarde gezonden heeft, tot zijne Gemeente te brengen. Doch als Hij de volken tot zijn erfdeel verkrijgen zal, zal Hij hen als pottebakkersvaten verbrijzelen. Dit zal het oordeel over de levenden zijn, 't welk in Matth. XXV wordt voorspeld. En alsdan zullen de Zijnen, de ware, levende leden zijner Gemeente, die Hij met zich vereenigd en in den hemel opgenomen heeft, in zijne heerschappij deelen. Als Hij verschijnen zal, dan zullen zij met Hem verschijnen in heerlijkheid. De Heer zal komen, en al zijne heiligen met Hem. De heiligen uit den hemel volgen Hem, die, op het witte paard gezeten, komt om zijne vijanden te leggen tot een voetbank zijner voeten. Zij zullen zitten op tronen, oordeelende al de volken der aarde, die zich voor hen gelijk voor den Heer zullen neerbuigen, hunne heerschappij over hen daardoor erkennende.

De Heer zegt tot hen, die Hem getrouw zijn gebleven: "Vreest niet; wordt door de vervolgingen niet ontmoedigd; laat u door de ongerechtigheid van Isébel niet verschrikken of in verwarring brengen; bewaart mijne werke tot het einde. Het is nu de tijd van verdraagzaamheid en volharding. Wandelt in de wereld, gelijk ik in het midden van Israël gewandeld heb; dan zal ik u macht geven over de volken, gelijk ook ik die macht van mijnen Vader ontvangen heb. Wanneer ik heerschen zal, zult gij heerschen met mij; en als de volken zich aan mij onderwerpen, zullen zij zich ook onderwerpen aan u. Wonderbare genade! De Heer heeft de Zijnen in alle opzichten met Zich vereenigd. Hun leven is thans met Hem verborgen in God; en als Hij zal geopenbaard worden, dan zullen zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Die overwinnen, hoe zwak zij ook zijn mogen, hoe veracht ook thans in de oogen der wereld, hoezeer ook lijdende door de vijandschap en boosheid der menschen, zullen met Hem deelen in zijne heerlijkheid en in zijne heerschappij over de volken, en zullen met Hem zitten in zijnen troon.

Doch de Heer belooft meer dan dit. Hij belooft den overwinnaars iets veel heerlijkers dan de heerschappij over de wereld. Hij belooft hun Zichzelven te zullen geven. Volgens Openb. XXII is Hij "de blinkende morgenster;" en Hij zegt hier: "Ik zal hem de morgenster geven." Welk een heerlijke belooning voor hen, die te midden der ongerechtigheid van Isébel aan Hem hadden vastgehouden, voor Hem hadden geleden en zich aan Hem hadden toevertrouwd! Tot Jezus te worden opgenomen in de lucht om voor eeuwig bij Hem te zijn en met Hem te wonen in het huis des Vaders, is een veel grooter geluk dan te deelen in zijne heerschappij en macht, hoe groot de eer ook is, die ons daardoor wordt aangedaan. En dit is de belofte, door den Heer aan zijne gemeente gegeven. Hij heeft in de vele woningen van het huis des Vaders plaats voor ons bereid, en Hij komt om ons daar te brengen. Hij wil, dat wij zijn zullen, waar Hij is. Hij heeft ons de heerlijkheid gegeven, die de Vader Hem gegeven heeft. (Joh. XVII.) Zoodra het oogenblik, door den Vader bepaald, zal gekomen zijn, zal Hij als de blinkende Morgenster verschijnen, en al de Zijnen - de ontslapenen, zoowel als de levend overgeblevenen - tot Zich opnemen, opdat zij voor altijd met Hem zijn zouden.

Wie deze hoop der Gemeente in het oog heeft gevat; wie door het geloof Jezus als de blinkende Morgenster aanschouwt, en naar het opgaan van die morgenster met verlangen uitziet, heeft de morgenster in zijn hart, zooals Petrus dit zegt in zijnen tweeden brief. (2 Petr. I : 19.) "Wij hebben het profetisch woord, dat bevestigd geworden is; en gij doet wel, daarop acht te geven, (als op een lamp, schijnende in een duistere plaats), totdat de dag aanbreke en de morgenster opga in uwe harten." De profeten hebben gesproken van het heerlijk koninkrijk van Christus, van zijne overwinning over de vijanden, en dit profetische woord is door de verheerlijking van Jezus op den berg Thabor bevestigd geworden, zoodat Petrus zich een ooggetuige van de majesteit van Jezus noemen kan. In deze duistere wereld is dit bevestigde profetische woord als een licht, en het is goed daarop acht te geven; maar er is iets beters, namelijk het aanbreken van den dag en het opgaan van de morgenster. Zoodra deze hoop ons deel geworden is, en leeft in onze ziel, dan is ons oog voornamelijk daarop gevestigd, en verwachten wij Jezus' komst in de lucht om ons tot zich te nemen.

Het opgaan van de morgenster is het aanbreken van den dag, maar daarna komt de zon. Jezus is zoowel de Morgenster als de Zon der gerechtigheid. Maar als Morgenster komt Hij om de Zijnen van deze aarde tot zich op te nemen in de hemelsche heerlijkheid. Als Zon der gerechtigheid komt Hij om de wereld te oordeelen, zijne vijanden te leggen tot een voetbank zijner voeten, en zijne heerlijke heerschappij hier beneden te vestigen. Wij komen dan met Hem uit den hemel en deelen in zijne eer, overwinning en macht.

Wie zal deze morgenster aanschouwen? Wel, een iegelijk, die waakt gedurende den nacht. Allen zullen de zon in hare heerlijkheid zien; maar zij, die niet van den nacht zijn, hoewel zij weten, dat het, in zedelijken zin genomen, nacht is, zij wachten op het opgaan van de morgenster; zij zullen haar zien en deel aan haar verkrijgen. Zij zijn geen kinderen van den nacht, maar kinderen des daags, en daarom verwachten zij het aanbreken van den dag. De morgenster is verdwenen, als de wereld de zon ziet, voordat de zon opgaat, eer de dag begint. Maar eer de zon opgaat, verschijnt de morgenster voor hen, die waken gedurende den nacht. Daarom is dat de plaats der overwinnaars. Als kinderen des lichts en des daags moeten zij in de duisternis der wereld, te midden van de ongerechtigheid der belijdende kerk, hun oog vestigen op de komst van Jezus als Morgenster, en wakend die komst verbeiden.

De geloovigen in Jeruzalem, die de vertroosting Israëls verwachtten in de dagen, die aan de komst van Jezus in het vleesch onmiddellijk voorafgingen, zijn een merkwaardig en liefelijk beeld voor ons. De Anna's en de Simeon's die de vertroosting van Israël verwachtten, handelden naar het woord van Maleachi: "En die den Heere vreesden, spraken te zamen." Zij kenden elkaar; zij hadden gemeenschap met elkaar; zij spraken te zamen, en verheugden zich over de heerlijke beloften, die God gegeven had, en leefden in de verwachting hunner vervulling. Het waren slechts eenige weinige, arme, verachte menschen, nauwelijks bekend bij de wereld; de meesten hunner kennen wij niet eens bij name. Maar zij waren bekend bij God. Zij gevoelden het kwaad en het verval van het volk des Heeren, en zij zagen met hijgend verlangen uit naar de verlossing, die God beloofd had. Zij dachten er niet aan om den tempel te reinigen en de eeredienst te verbeteren, maar wandelden op den nauwen weg des geloofs, in stil vertrouwen op de komst des Heeren, en sprekende met allen, die God vreesden, over de verwachting, die hunne ziel vervulde. Zij waren volstrekt niet onverschillig omtrent den treurigen toestand, waarin het volk zich bevond; maar zij verwachtten alleen hulp en uitkomst van de verlossing, die de Heer beloofd had, en gescheiden van het kwaad, in gemeenschap met elkaar, zagen zij uit naar de vervulling van Gods beloften. Welnu, zóó moet het thans ook zijn. De geloovige kan Isébel niet veranderen; hij kan nog minder zich vereenigen met de massa, die in den tempel haar eeredienst pleegt; hij kan zich niet verbinden met de kerkelijke stelsels en partijen; doch wel verre van ze aan te vallen, laat hij het den Heer over ze te oordeelen; en in afzondering van het kwaad verwacht hij kalm en geduldig het verschijnen van de Morgenster, wakende gedurende den langen en duisteren nacht.

Moge de Heer ons allen deze genade schenken! Mogen onze harten vervuld zijn met de gelukzalige hoop Hem weldra te zien en te gelijken! Mogen wij, zoolang Hij vertoeft te komen, zijne gemeenschap ondervinden, zijnen vrede smaken, zijne vreugde genieten! Afgescheiden van de wereld en de wereldsche godsdienst is onze plaats buiten de legerplaats, waar wij de smaadheid van Christus dragen. Buiten die legerplaats vernemen wij de stem van den hemelschen Bruidegom. Hij troost onze zielen, onder alle leed en druk, bij zonde en afval, te midden van de ongerechtigheden der Isébels, met zijne heerlijke wederkomst. "Ik zal hem de morgenster geven." En in het laatste Hoofdstuk der Openbaring, waar Jezus zich als de blinkende morgenster voor de Gemeente stelt, roept de Bruid in blijde hoop, als antwoord op de toespraak van haren Bruidegom: Kom! Terwijl het gansche Boek van God, 't welk aanvangt met het bewonderingswaardig verhaal van de schepping, eindigt met de heerlijke voorstelling van de voltooide nieuwe schepping en van de schitterende zegepraal van Gods Zoon over alle machten der duisternis, welke besloten wordt met de aangrijpende en liefelijke woorden: "Ja, ik kom haastelijk! - Amen! kom, Heer Jezus!"