De onheilige verbintenis van de kerk met de wereld.

 

(Openb. II: 12-17.)

 

De Gemeente des Heeren had hare eerste liefde verlaten; de frischheid des geloofs en de gehechtheid aan Jezus' persoon, die alles, wat in de wereld is, voor schade en drek rekent, waren langzamerhand verdwenen, en de Heer kon slechts met droefheid aan haar denken. Om haar terug te brengen tot de eerste liefde, en haar hart met nieuwe vreugde te vervullen, had Hij haar door den smeltkroes der beproeving doen gaan, en den satan veroorloofd de schrikkelijkste vervolgingen over haar te doen losbarsten. Zij had die vervolgingen schitterend doorstaan. Het goud kwam gelouterd uit den smeltkroes te voorschijn. Heerlijke getuigenissen van volhardend geloof hadden de martelaren gegeven. Tot verbazing en beschaming der Romeinsche keizers, die in het vinden van gruwelijke martelingen hadden gewedijverd, had de Gemeente aan den naam van Jezus vastgehouden en ook onder de zwaarste vervolgingen het geloof niet verloochend. De Heer erkent dit met blijdschap. Hij zegt: "Aan mijnen naam houdt gij vast, en mijn geloof hebt gij niet verloochend, ook in de dagen, waarin Antipas mijn getrouwe getuige was, die gedood werd bij u." Zoo waren de vijanden overwonnen, en was de satan verslagen. De verdrukkingen en vervolgingen hadden de kracht des geloofs heerlijk doen uitkomen, en de machteloosheid der vijanden tentoongesteld. Evenals bij Job moest de satan met beschaamde kaken afdruipen. Het was hem niet gelukt de Gemeente te vernietigen of van haar geloof af te brengen; integendeel, zijn vijandschap had haar gelouterd en gestaald, en het bloed der martelaren was opnieuw gebleken het zaad der kerk te zijn.

Maar keerde de Gemeente tot hare eerste liefde terug? Hoewel zij den naam van Jezus vastgehouden en het christelijk geloof niet verloochend had, zoo werkte de verdrukking niet uit, waartoe de Heer haar gezonden had. Zoolang de vervolgingen duurden, bleef zij staande, weerstond zij den duivel, en trad zelfs overwinnend uit den strijd te voorschijn, maar zoodra de vijand de wapenen neerlegde, zoodra de stormen bedaarden, zocht zij rust in de wereld, en liet zij zich door het vooruitzicht op eer en aanzien verleiden, om het pad der afzondering te verlaten. In plaats van tot de eerste liefde terug te keeren en zich nauwer aan Jezus te verbinden, week zij langzamerhand verder af, en verzwagerde zich ten slotte met de vijanden des Heeren. "Ik weet waar gij woont, daar waar de troon des satans is," moest de Heer tot haar zeggen.

Velen meenen, dat de satan opgehouden heeft de overste dezer wereld te zijn, toen Christus gekruisigd was; maar het tegenovergestelde is waar. Juist door de wereld tot het kruisigen van Christus te bewegen, is de duivel, in de volle beteekenis van het woord, de overste dezer wereld geworden. Hij voerde reeds van den beginne af heerschappij over den mensch, dien hij tot de zonde verleid had, maar tot aan de verwerping van Christus kon men altijd nog hopen, dat er ten minste eenige kracht tegen de verleiding des duivels bij den mensch was overgebleven. Het kruis evenwel toonde op onweersprekelijke wijze aan, dat de mensch zich geheel aan de macht van den satan had overgegeven. God had den mensch op allerlei wijzen op de proef gesteld. Hij had hem zonder wet gelaten, onder de wet gesteld, zijne wegen aan hem geopenbaard, zijne macht getoond, zijne profeten tot hem gezonden; doch in alles, overal en ten allen tijde, had de mensch de partij van den satan tegenover God gekozen. Er bleef nu nog slechts ťťn proef over. God zelf kwam in Christus, in den Zoon zijner liefde, in deze wereld, niet om de wereld te oordeelen, maar om haar te behouden. Het moest nu blijken, wie de mensch was. En dit is gebleken. De wereld - Joden en heidenen - verwierp Christus. "Wij willen niet, dat deze over ons koning zij," riepen de Joden. De duisternis heeft het licht gehaat. Gods Zoon werd aan het kruis genageld en uit de wereld gebannen. Daardoor had de wereld zich volkomen aan den satan overgeleverd, en zich geheel onder zijne heerschappij gesteld. Van dat oogenblik af was de duivel als overste dezer wereld erkend. Vůůr de verwerping van Christus kon hij niet tot overste der wereld worden verklaard; doch toen het gebleken was, dat de wereld den Zoon van God verwerpen en aan het kruis nagelen zou, zegt de Heer: "Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden;" en de overste dezer wereld komt, en vindt in mij niets." De wereld, die zich geheel aan den satan had overgeleverd, en openlijk zijne heerschappij boven de heerschappij van God had gekozen, heeft nu niets anders te wachten dan het oordeel. Het vonnis is geveld; de voltrekking er van komt weldra.

De Gemeente Gods nu is geheel en volkomen van de wereld verlost, en vereenigd met Hem, dien God als Overste in den hemel verheerlijkt heeft. "Gij zijt niet van de wereld," zeide Jezus tot zijne discipelen; "maar ik heb u uit de wereld uitverkoren." En tot den Vader zeide Hij: "Zij zijn niet van de wereld, gelijk ik van de wereld niet ben ... Gelijk Gij mij (uit den hemel) gezonden hebt in de wereld, zoo heb ook ik hen, (die Gij mij gegeven hebt, en die ik met mij in den hemel vereenigd heb,) in de wereld gezonden." Uit de macht der duisternis zijn wij verlost, en overgezet in het koninkrijk van den Zoon van Gods liefde. Wij zijn uit de slavernij des duivels, aan welke wij onderworpen waren, verlost door Hem, die door den dood dien te niet heeft gedaan, die het geweld des doods had. Derhalve is de plaats, welke de Gemeente hier beneden heeft in te nemen, een plaats van afzondering van de wereld. Zij is wel in de wereld gezonden om daar een getuige van Christus te zijn, maar zij behoort niet tot de wereld, gelijk Christus niet tot de wereld behoorde. Zij is vreemdelinge hier op aarde. Geen eer of aanzien, geen rust of gemak heeft zij hier te zoeken of te verwachten; integendeel, gelijk de wereld Christus haatte, zoo haat zij ook haar. Wanneer zij dus gaat wonen, d.i. haar rust en gemak zoeken, waar de troon des satans is, namelijk in de wereld, dan heeft zij de plaats van afzondering verlaten en haar roeping hier beneden verloochend.

En, helaas! de Gemeente des Heeren heeft die plaats verlaten; zij heeft "het Hoofd" niet behouden, maar zich met de wereld vereenigd. Wat den duivel niet gelukt is door de vervolgingen, dat heeft hij tot stand gebracht door zijne listige omleidingen. In plaats van vervolging van buiten kwam er verleiding van binnen. In Smyrna zien wij hem als een brullende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden; in Pergamus daarentegen vinden wij hem als een verleidende slang, die door allerlei vleierijen de Gemeente van de plaats der afzondering zocht af te leiden, en haar zoo doende trachtte te verderven.

Er is een verbazend groot verschil tusschen de vervolging in Smyrna en de verleiding in Pergamus. In Smyrna zegt de Heer: "Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij beproefd wordt." Om de Gemeente tot hare eerste liefde terug te brengen, zendt de Heer deze beproeving. Maar Hij kan tot haar zeggen: "Wees getrouw tot den dood, en ik zal u de kroon des levens geven." Door deze heerlijke belofte ondersteunt Hij te midden der vervolgingen. Om verdere afwijking van Hem te voorkomen, wordt de Gemeente in den vuuroven gebracht. Het is de Heer zelf, die den satan gebiedt deze vervolgingen te verwekken; en Hij ondersteunt de Gemeente, zoodat zij zijnen naam bewaart en het geloof niet verloochent. In Pergamus daarentegen komt de verleiding tot zonde en tot geestelijke hoererij, benevens de valsche leer der NicolaÔten; en hoewel de Heer in zijne wijsheid dit toelaat, zoo kan er toch niet gezegd worden, dat Hij deze verzoekingen en valsche leeringen deed komen. Dit kan Hij niet doen, omdat Hij door het kwade niet wordt verzocht, en zelf niemand verzoekt. Het was dus een oordeel, dat over de Gemeente kwam. Toen zij de afwijking van Hem, die in Efeze begonnen was, niet tegenstaande de verdrukking, die over haar gekomen was, niet oordeelde en er niet van genezen werd, moest de Heer de Gemeente overgeven aan de verleiding des satans, die haar maar al te gereed vond om op zijne valsche voorstellingen in te gaan en naar zijne misleidende stem te luisteren.

Het is duidelijk genoeg, waar het in Pergamus om gaat. De Heer zegt: "Maar ik heb weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leer van Bileam houden, die Balak leerde den zonen IsraŽls een aanstoot voor te werpen, om afgodenoffer te eten en te hoereeren.'' Door de herinnering aan de schrikkelijke boosheid van den man, die het loon der ongerechtigheid liefhad, (2 Petr. II : 15.) zien wij, welke beginselen door den vijand in de Gemeente werden gebracht. Balak, die geen kans zag om IsraŽl te verhinderen Kanašn binnen te trekken, trachtte Bileam over te halen het volk des Heeren te vloeken; en Bileam had dit o zoo gaarne gedaan; er was hem alles aan gelegen het loon der ongerechtigheid te verdienen. Doch tegenover den aanklager der broederen neemt de Heere God zijn volk in bescherming, en dwingt den profeet om, in plaats van zijne vervloekingen, de heerlijkste zegeningen over IsraŽl uit te spreken. In zijne verwachtingen teleurgesteld, zocht toen deze man, in woede ontstoken over het mislukken zijner pogingen, het volk te verderven door het te verleiden tot ongeoorloofde verbintenissen met de dochteren Moabs; en hij slaagde hierin, helaas! maar al te zeer. Het heilige zaad verbond zich met de onheilige kinderen dezer wereld, en een schrikkelijk oordeel Gods was de straf op deze gruwelijke ongerechtigheid.

Zoo ging het ook in de Gemeente des Heeren. Toen de duivel zag, dat de Christenen, trots de hevigheid der vervolging, zich meer en meer van de wereld begonnen af te zonderen, en voortdurend in aantal toenamen, staakte hij de vervolging, en begon den geloovigen rust en gemak hier beneden, eer en aanzien in de wereld en heerschappij over de koningen der aarde voor te stellen en aan te bieden. De Gemeente liet zich in den haar gespannen strik vangen. Zij begon te trachten naar de bescherming en erkenning door den Staat. Zij nam allerlei personen in haar midden op, die, in de gemeente niet thuis behoorende, haar meer en meer verdierven en tot dwaling en wereldschgezindheid verleidden; totdat eindelijk in de derde eeuw de romeinsche keizer Constantijn de Groote met zijn geheele hof tot het Christendom overging, en door de gemeente met de grootste vreugde werd ontvangen. De Christenen kwamen hierdoor tot hooge staatsambten, en de christelijke godsdienst werd tot staatsgodsdienst verheven. Maar de Gemeente des Heeren gaf tevens hare onafhankelijkheid van de machten in deze wereld prijs, en boog zich onder den scepter van den keizer, die in hare kerkvergaderingen de eereplaats innam en den hoogsten toon voerde. Zij, die alleen van Christus afhankelijk moet zijn, werd in allen deele afhankelijk van de koningen der aarde, zonder wier goedkeuring geen enkel besluit mocht genomen of uitgevoerd worden. Zoo was derhalve het ongelijke juk tusschen de Gemeente en de wereld gesloten. Het onderscheid tusschen geloovigen en ongeloovigen, tusschen Christus en Belial was verdwenen. De Gemeente had hare plaats buiten de legerplaats, waar haar Heer en Heiland zich bevond, verlaten, en woonde van toen af daar, waar de troon des satans is.

Bedenken wij wel, dat de Gemeente hiertoe niet gedwongen werd, maar dat zij vrijwillig en met vreugde, meenende een grooten triumf te behalen, in deze onheilige verbintenis met de wereld inging. Zij wist heel goed, dat de keizer en zijne hovelingen geen ware Christenen waren; zij willigde zelfs het verlangen des keizers in om zijn doop uit te stellen tot op zijn doodbed; en zij liet allerlei ongerechtigheid en zonde, door die onbekeerde, maar tot de christelijke kerk toegetreden menschen bedreven, zonder bestraffing toe. Wat toen plaats vond, verschilt dus hemelsbreed van wat wij in de Handelingen en Brieven der Apostelen lezen; want waar wij daar van personen vernemen, die ingeslopen waren, die huichelden, die om vuil gewin Christen werden, zoo vernemen wij, dat zij uitgesloten werden, zoodra zij ontmaskerd waren, of dat zij vrijwillig de Gemeente verlieten, daar zij het in haar midden niet konden uithouden; terwijl in de derde eeuw de Gemeente willens en wetens duizende totaal onbekeerde, ongeloovige en afgodische menschen opnam, om daardoor tot eer en macht in de wereld te geraken.

"Willens en wetens" zeg ik, want de Heer had zijne Gemeente genoeg gewaarschuwd tegen deze vereeniging met de wereld. In 2 Kor. VI zegt Paulus: "Trekt niet een ongelijk juk aan met de ongeloovigen! Want welk deelgenootschap heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Of welk deel een geloovige met een ongeloovige? En welke overeenkomst heeft Gods tempel met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijk God gezegd heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn. Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heer; en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heer, de Almachtige." En Johannes zegt: "Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem; want al wat in de wereld is: de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en hare begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid." (1 Joh. II : 15-17.)

De gevolgen waren natuurlijk allertreurigst. De eenvoudigheid der Gemeente was verdwenen. Het woord van den Heer: "Eťn is uw Meester, en gij zijt allen broeders," werd geheel vergeten. Allerlei ambten en posten werden ingesteld en ingevoerd, door welke enkelen over de massa regeerden. De man met den gouden ring en de sierlijke kleeding kreeg het eergestoelte; de heidensche tempels werden in christelijke kerken veranderd. De heidensche feestdagen maakten plaats voor zoogenaamd christelijke. De eenvoudige eeredienst der eerste Christenen werd in een dienst tot streeling van het vleesch herschapen. Duizenden bij duizenden lieten zich in de kerk opnemen, zoodat weldra de geheele romeinsche wereld een christelijk kleed had aangedaan, zonder evenwel de heidensche levenswijze en zonden vaarwel te zeggen. Zoo was de weg gebaand tot den afval der Gemeente, welke ons in den brief aan Thyatire geschilderd wordt.

Het spreekt vanzelf, dat in zulk een treurigen toestand de dwaling de Gemeente binnendrong en gereedelijk ingang vond. "Zoo hebt gij ook desgelijks, die de leer der NicolaÔeten houden," zegt de Heer. In Efeze was dit kwaad reeds aanwezig; doch daar kon de Heer zeggen: "Maar dit hebt gij, dat gij de werken der NicolaÔeten haat, die ik ook haat." Thans was dit kwaad evenwel schrikbarend toegenomen. Er waren niet slechts enkele personen, die de werken der NicolaÔten deden, maar de leer der NicolaÔten had ingang gevonden. Ongerechtigheid, zonde, heidensch on- en bijgeloof werd verschoond en geduld om den invloed te bekomen en te behouden, die de wereld gaarne verleende, als zij maar onder een christelijken vorm aan hare lusten kon botvieren. Het was nog erger dan het antinomianisme, daar het zich niet alleen tegen de wet, maar tegen Christus verklaarde, en onder den christelijken naam en bij de christelijke eeredienst de grootste ongerechtigheden pleegde, en zoo doende Christus tot een dienstknecht der zonde maakte. In den grond der zaak was de vereeniging van de Gemeente met de wereld niets anders dan dit antinomianisme, want om tot eer en aanzien te geraken, werden de heidenen zonder bekeering of geloof tot Christenen gemaakt en in de gemeente opgenomen.

Na dit alles overdacht te hebben, zal het ons niet verwonderen, dat de Heer zich op zulk een ernstige wijze tot Pergamus wendt, en zich aan deze Gemeente vertoonde als Degene, "die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft." Dit scherp, tweesnijdend zwaard is, wij weten het, het Woord Gods, dat ook levend en krachtig is, en doordringt tot de verdeeling der ziel en des geestes, en een oordeelaar is van de gedachten en overleggingen des harten. Dit Woord, waarnaar de Gemeente haar gedrag en wandel behoort in te richten, daar het Gods gedachten en geboden bevat, stelt alles aan het licht en oordeelt alles, wat daarmede in tegenspraak is. In de Openbaring is dit Woord van God het zwaard, waarmede de Heer krijg voert en oordeelt. Waar het door den val der Gemeente heeft opgehouden de levende, oordeelende kracht in haar midden te oefenen, zoodat het kwaad bestraft en den zondaar geoordeeld wordt, daar wordt het in de hand des Heeren het instrument om de boozen te verderven. "Bekeer u dan; en zoo niet, ik kom haastelijk tot u, en ik zal tegen hen krijgvoeren met het zwaard mijns monds."

Mochten wij allen op deze ernstige woorden van Jezus achtgeven! "Wie ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt." Als wij tot de overwinnaars behooren, dan zullen de uitnemende zegeningen, welke de Heer hun hier belooft, ons deel worden. Wie zijn de overwinnaars hier? mogen wij wel vragen. In Efeze waren het allen, die de eerste liefde niet verlaten hadden, of tot de eerste liefde waren teruggekeerd; in Smyrna behoorden zij, die te midden der vervolgingen volhardden, tot de overwinnaars; maar wie zijn de overwinnaars in Pergamus? Wel, allen, die zich niet lieten medeslepen door de leer van Bileam, die de leer der NicolaÔten haatten, en hunne afzondering van de wereld bewaarden.

Behooren wij tot hun getal, lieve lezers? Hebben wij de groote zonde der Gemeente, in de derde eeuw bedreven en sedert volgehouden, voor God geoordeeld? Is het ongelijke huwelijk van de gemeente met de wereld ons een gruwel geworden? Het is niet gemakkelijk tot dit inzicht te komen. Wij moeten dan tegen den stroom der algemeene opinie in. In de meeste kerkgeschiedenissen wordt de opneming van keizer Constantijn in de christelijke kerk en de daarop gevolgde christianiseering van het romeinsche rijk de triomf van het Christendom genoemd, en worden de gebeurtenissen in de derde eeuw als een glanspunt in de geschiedenis der kerk aangemerkt. Doch die kerkgeschiedenissen zijn door den mensch geschreven, en de mensch is leugenachtig; God alleen is waarachtig. In Gods kerkgeschiedenis wordt dit feit gansch anders beoordeeld. Het wordt daarin gelijkgesteld met de gruwelijke boosheid van Bileam, die het heilige zaad met de goddelooze lieden der wereld trachtte te vereenigen en daardoor te verderven. Want wel is de wereld door deze vereeniging uiterlijk wat beter geworden; doch de gemeente heeft haar karakter verloren, hare roeping verzaakt, haar Heer onteerd en hare heerlijkheid prijsgegeven. De wereld is christelijk geworden, en heeft daardoor zeer zeker vele voorrechten verkregen en vele voordeelen behaald, maar de Gemeente is bedorven, en van een reine maagd, welke aan ťťnen man was voorgesteld, een overspeelster geworden, over wie, zoo zij zich niet bekeert, het oordeel des Heeren zal komen. Als wij ons maar aan Gods Woord vasthouden, dan zullen wij klaar inzien, hoe schrikkelijk de Gemeente is afgeweken; en in plaats van ons, evenals Lot in het goddelooze Sodom, te kwellen over de ongerechtigheden der goddeloozen, zullen wij ons terugtrekken, in afzondering van de wereld en hare godsdienst leven, om ons geheele hart te geven en ons gansche leven toe te wijden aan Hem, die het verheerlijkte Hoofd der Gemeente is, met Wien ons leven verborgen is in God, en die ons na de reis door de woestijn, brengt in het hemelsch Kanašn.

De beloften, aan de overwinnaars gegeven, zijn drie. "Die overwint, ik zal hem geven van het manna, dat verborgen is, en ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt." Het verborgen manna, een witte keursteen en een nieuwe naam.

1. Het verborgen manna. - Het manna is de afschaduwing van den Zoon van God, die mensch geworden is om het leven aan onze zielen te geven; van diens komst in vernedering, onderworpen aan al de gevolgen der zonde; en het is Gods voorziening voor onzen dagelijkschen wandel door de woestijn; want er wordt van het manna gesproken in betrekking tot Jezus, als van het brood des levens, dat uit den hemel is neergedaald. (Zie Joh. VI.) Maar wat is het verborgen manna? God liet elken morgen het manna regenen uit den hemel rondom het leger in de woestijn, opdat de IsraŽlieten het elken dag zouden verzamelen, en zij alzoo zouden leven bij alle woord, dat uit den mond van God uitgaat. Eveneens moet Christus het dagelijksch voedsel voor de geloovige ziel zijn, zoolang wij in de woestijn dezer wereld vertoeven. Maar het verborgen manna is wat anders. Er moest op Gods bevel een gouden kruik met manna gevuld, en die voor het aangezicht des Heeren gesteld worden; opdat de IsraŽlieten, wanneer zij in het beloofde land zouden gekomen zijn, daardoor de voortdurende herinnering zouden hebben aan hetgeen, waarvan zij in de woestijn genoten hadden. Dit verborgen manna is voor ons de herinnering aan een Christus, die als mensch, vernederd en lijdende, in deze woestijn heeft gewandeld, en door zijne volmaakte gehoorzaamheid het voorwerp was van de vreugde en het welbehagen van God. In de eeuwigheid zal ieder overwinnaar, die getrouw geweest is in zijne afzondering van de wereld, die met den verworpen Christus buiten de legerplaats gegaan is, het onafgebroken genot smaken van gemeenschap met God in zijne waardeering en genieting van Christus, die in zijne vernedering en lijden een volmaakte gehoorzaamheid geopenbaard, en al Gods deugden en heerlijkheden tentoongespreid heeft.

Heerlijk deel der overwinnaars! Maar om het deelachtig te worden, moeten wij in getrouwheid met den verworpen Christus wandelen, en de beginselen van Bileam geheel uit onze harten verbannen; want wij kunnen onmogelijk van Christus genieten, indien wij vereenigd zijn met de zonde en de wereld. De mogelijkheid daarvan te beweren is niets anders dan NicolaÔsme. Wij kunnen wel Christus bewonderen; wij kunnen wel zijn leven en zijne daden schoon en treffend vinden; wij kunnen ons zelfs in de lezing er van verlustigen, en toch met de wereld wandelen; maar wij kunnen onmogelijk Christus genieten en ons met Christus voeden, zoolang wij ons niet buiten de legerplaats bevinden om zijne smaadheid te dragen.

2. De witte keursteen. - Wanneer men ten gunste van iemand wilde stemmen, dan wierp men een witten steen in de schaal. De witte keursteen stelt dus voor de erkenning en waardeering door Christus van den overwinnaar. Gelijk God, Jezus, die vernederd en verworpen was, met eer en heerlijkheid aan zijne rechterhand heeft gekroond, en Hem macht gegeven heeft over alle dingen, zoo zal de Heere Jezus allen, die aan zijne verwerping en versmading hier beneden hebben deelgenomen, voor zijnen Vader en de heilige engelen, ten aanschouwe der geheele wereld, als zijne uitverkorenen eeren en kronen.

3. De nieuwe naam. - Op den witten keursteen is een nieuwe naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt. Er is in den hemel een vreugde, waarin allen gelijkelijk deelen; myriaden stemmen mengen zich in het harmonisch lofgezang; evenals er op aarde voorrechten en genietingen zijn, waarin alle geloovigen zich gezamenlijk verheugen. Maar wij hebben evenzeer onze persoonlijke genietingen, en de Heer stelt op onze persoonlijke toewijding en liefde prijs. Gij kunt nooit mijne bijzondere gemeenschap met Christus en mijne bijzondere genietingen kennen, en ik weet van de uwen niets af. Ieder weet dit slechts voor zichzelven. Zoo zal het ook in den hemel zijn en blijven. Ieder krijgt een naam, welken niemand kent, dan die hem ontvangt. Voor ieder ander dan voor hem, die dien ontvangt, heeft die naam geen beteekenis. Onze dierbare Heer zal zich aan ieder onzer op een bijzondere, eigenaardige manier openbaren. Ieder overwinnaar zal bijzondere vreugde smaken. Ieder zal in persoonlijke gemeenschap met den Heer leven, en een afzonderlijk onderhoud met Jezus hebben. Ieder zal genietingen hebben, die geheel onderscheiden wezen zullen van de algemeene vreugde en het genot, dat allen gezamenlijk zal ten deel vallen.

Welke heerlijke beloften! Hier beneden ten gevolge van de zonde der Gemeente afgezonderd en verlaten; tegen de algemeene opinie als tegen een sterkvlietenden stroom oproeiende; beschuldigd van enghartigheid, betweterij, hoogmoed en gemakzucht; geven deze beloften moed en kracht, troost en blijdschap aan onze ziel, en stellen ons in staat de scheeve oordeelvellingen der menschen te verdragen. De goedkeuring des Heeren is meer waard dan de toejuiching der menschen. Het genot van de bijzondere gemeenschap met Jezus, hier reeds, en eenmaal volmaakt in het Vaderhuis, is het wel waard om door de menschen verkeerd beoordeeld en onrechtvaardig beschuldigd te worden. Voor het deelen in de smaadheid van Christus geroepen te worden tot het genot van de vreugde van God in den Zoon zijns welbehagens, loont wel de moeite en het lijden. De Heer weet zijne getrouwen te bewaren, te sterken, te bemoedigen, tot volharden te bekwamen; en Hij doet dit gewoonlijk door hun de heerlijkheid, die hen wacht, en de hemelsche zegeningen, welke Hij hun schenken zal, voor te stellen. Den blik daarop gevestigd, genieten wij er hier reeds den voorsmaak van; en waar deze beloften gegeven worden aan allen, die overwinnen, worden die overwinnaars er door aangemoedigd, om in hunnen strijd tegen de wereld en hare godsdienst; tegen de dwaling en hare gevolgen te volharden, en in voortdurende afzondering, buiten de legerplaats, de smaadheid van Christus dragende, alleen te vragen naar het Woord van God en naar de goedkeuring van den Heer Jezus.